Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0675

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
344804 - KG ZA 09-1063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Strafrecht. Onrechtmatige daad overheid? Verbod tot tenuitvoerlegging vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 25 september 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 344804 / KG ZA 09-1063 van:

[eiser,]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. I. Wudka te Maastricht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. van Spengen te Den Haag.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 september 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij vonnis van 20 december 2001 van de rechtbank Maastricht is eiser in staat van faillissement verklaard.

1.2. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Maastricht van 24 december 2003 met parketnummer 03/005405-03 is aan eiser onder meer een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van in totaal € 47.439,21, te vervangen door 365 dagen hechtenis, wegens het meerdere malen plegen van oplichting. Daarnaast is eiser in dit vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. Dit vonnis is op 8 januari 2004 onherroepelijk geworden (hierna: zaak 1).

1.3. Op 29 januari 2004 is zaak 1 ter inning van schadevergoedingsmaatregelen overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: het CJIB).

1.4. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Maastricht van 22 december 2004 met parketnummer 03/005470-04 is aan eiser onder meer een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van in totaal € 10.115,05, te vervangen door 201 dagen hechtenis, wegens het meerdere malen plegen van oplichting. Daarnaast is eiser in dit vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Dit vonnis is op 6 januari 2005 onherroepelijk geworden (hierna: zaak 2).

1.5. Op 21 januari 2005 is zaak 2 ter inning van schadevergoedingsmaatregelen overgedragen aan het CJIB.

1.6. Bij brief van 2 augustus 2005 heeft eiser ten aanzien van beide zaken om een betalingsregeling van € 50,-- per maand verzocht. Bij brief van 17 augustus 2005 heeft het CJIB eiser meegedeeld dat het maandelijkse bedrag minimaal € 2.558,86 dient te bedragen, omdat het openstaande bedrag van € 69.089,11 (inclusief wettelijke verhogingen) binnen een termijn van 27 maanden moet zijn betaald.

1.7. Bij brief van 11 oktober 2005 is door een medewerker van de Penitentiaire Inrichting [locatie 1] namens eiser aan het CJIB bericht dat eiser geen geldtransacties mag doen omdat hij onder curatele staat.

1.8. Bij brief van 8 september 2006 heeft het CJIB aan een medewerker van de Penitentiaire Inrichting [locatie 1] bericht dat in verband met het nog lopende faillissement van eiser beide zaken voorlopig niet bij een penitentiaire inrichting worden aangeboden voor de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

1.9. Op 24 oktober 2006 is in zaak 2 abusievelijk een dwangbevel aan eiser betekend. Dit dwangbevel heeft niet tot een betaling door eiser geleid.

1.10. Eiser heeft bij brief van 15 februari 2007 wederom om een betalingsregeling ter zake de schadevergoedingsmaatregelen verzocht. Bij brief van 20 februari 2007 heeft het CJIB bericht bereid te zijn een voorlopige betalingsregeling van zes maandelijkse termijnen van € 200,-- toe te staan, waarna eiser met een nieuw onderbouwd betalingsvoorstel diende te komen. Aangezien er door eiser geen betalingen zijn verricht, is de betalingsregeling op 30 augustus 2007 ingetrokken.

1.11. Bij beschikking van 24 februari 2009 van de rechtbank Maastricht is het faillissement van eiser opgeheven bij gebrek aan baten.

1.12. Op 2 juli 2009 is aan eiser voor beide zaken een waarschuwing tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis verzonden.

1.13. Bij brief van 13 juli 2009 heeft de advocaat van eiser bezwaar gemaakt tegen de uitgebrachte waarschuwingen tenuitvoerlegging. Hij heeft het CJIB verzocht een redelijke betalingsregeling te treffen. Bij brief van 16 juli 2009 heeft het CJIB dit verzoek afgewezen.

1.14. Op 6 augustus 2009 is een arrestatiebevel jegens eiser uitgevaardigd. Eiser is op 13 augustus 2009 aangehouden. Hij verblijft thans in de Penitentiaire Inrichting [locatie 2]

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - na wijziging van eis gedaagde te gebieden de vervangende hechtenis van 365 respectievelijk 201 dagen niet langer ten uitvoer te leggen en hem met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen, op straffe van een dwangsom.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiser door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen. Zowel gedurende als na de detentie van eiser heeft gedaagde onvoldoende getracht de schadevergoedingsmaatregelen in beide zaken te incasseren. Daarnaast heeft gedaagde zijn eigen stapsgewijze incassoprocedure niet goed uitgevoerd. Eiser is betalingsonmachtig nu hij een gemeentelijke uitkering geniet van € 853,76 per maand. De door het CJIB in 2005 voorgestelde betalingsregeling van een bedrag van circa € 2.600,-- per maand gedurende 27 maanden is dan ook geen reëel voorstel voor hem. Hoewel eiser diverse betalingsregelingen aan het CJIB heeft aangeboden, zijn deze steeds afgewezen. Gedaagde houdt onvoldoende rekening met de belangen van eiser. Eiser tracht na een relatief lange gevangenisstraf zijn leven weer enigszins op de rails te krijgen. Indien thans de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wordt gecontinueerd, zal toewijzing van een zelfstandige woning in het gedrang komen.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Gedaagde heeft allereerst betoogd dat de vordering van eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard nu deze ingevolge artikel 223 van het Wetboek van Rechtsvordering niet kan worden aangemerkt als een vordering om een voorlopige voorziening voor de duur van het geding. Dit betoog volgt de voorzieningenrechter niet nu geen sprake is van een provisionele vordering in een aanhangig gemaakte bodemprocedure. Anders dan gedaagde heeft betoogd, is eiser in zijn vordering ontvankelijk nu voor hetgeen hij daarmee wil bereiken geen andere mogelijkheden - in het bijzonder ook geen strafrechtelijke rechtsgang - ten dienste staan. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat - voor zover enige vordering te ruim zou zijn geformuleerd - zo nodig het mindere kan worden toegewezen.

3.2. Kern van het geschil betreft de vraag of gedaagde onrechtmatig handelt jegens eiser door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen.

3.3. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen.

3.4. Uit artikel 561 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat een vonnis zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. Uit artikel 561 lid 4 Sv volgt verder dat een schadevergoedingsmaatregel in ieder geval binnen twee jaar en drie maanden na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, moet zijn voldaan. De wijze waarop het CJIB deze maatregelen ten uitvoer legt, is neergelegd in de 'Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling' (Staatscourant 23 juni 2008, nr. 118, pagina 12) ( hierna: de Aanwijzing). In de Aanwijzing is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan hiervan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregelingen treft, tenzij een verzoek om een betalingsregeling op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. Het CJIB heeft in deze een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding deze beslissingen in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

3.5. Eiser heeft zich ter zitting allereerst op het standpunt gesteld dat gedaagde de stapsgewijze procedure zoals neergelegd in de Aanwijzing niet goed heeft uitgevoerd nu eerst na het faillissement van eiser kon worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van de vonnissen in beide zaken. Door het faillissement was hij gedurende lange tijd onbekwaam om betalingen ter voldoening van de schadevergoedingsmaatregelen te treffen, aldus eiser.

3.6. Vast staat dat eiser op 20 december 2001 in staat van faillissement is verklaard en dat de strafrechter nadien de schadevergoedingsmaatregelen aan eiser heeft opgelegd. Voor zover er bij de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen al rekening wordt gehouden met het faillissement van eiser, moet de strafrechter geacht worden hier oog voor te hebben gehad en past hier terughoudendheid van de civiele rechter. De omstandigheid dat eiser door zijn faillissement niet in staat was om betalingen te verrichten, is als zodanig dan ook geen reden voor invrijheidsstelling. Niet kan worden gezegd dat gedaagde in dit opzicht zijn beleid zoals neergelegd in de Aanwijzing op onjuiste wijze heeft uitgevoerd.

3.7. Vervolgens heeft eiser aangevoerd dat zowel tijdens als na zijn detentie het CJIB onvoldoende pogingen heeft gedaan om de schadevergoedingsmaatregelen op een andere wijze te incasseren, bijvoorbeeld door het uitvaardigen van dwangbevelen. Met gedaagde is de voorzieningenrechter evenwel van oordeel dat er geen gronden bestaan om gedaagde te verplichten dwangbevelen uit te vaardigen. Daartoe is het volgende van belang. Op grond van artikel 573 lid 2 Sv kan van verhaal worden afgezien. Dat zal onder meer het geval zijn indien er aanwijzingen zijn waaruit moet/kan worden afgeleid dat niet succesvol geïncasseerd zal kunnen worden. Eiser heeft niet betwist dat pogingen om verhaal te nemen op aan eiser toebehorende goederen niet succesvol zouden zijn verlopen. Daarvoor vormt het - wegens gebrek aan baten opgeheven - faillissement van eiser ook een sterke aanwijzing. Het abusievelijk door gedaagde uitgevaardigde dwangbevel in zaak 2 heeft ook niet tot enige betaling geleid. Onder die omstandigheden heeft gedaagde geen misbruik van haar bevoegdheid gemaakt door het uitbrengen van - verdere - dwangbevelen achterwege te laten.

3.8. Voorts heeft eiser gesteld dat hij diverse betalingsregelingen aan het CJIB heeft gedaan, doch dat deze telkens werden afgewezen.

3.9. Niet in geschil is de hoogte van de openstaande vorderingen. Vast staat voorts dat eiser nog geen enkele betaling heeft voldaan, terwijl de schadevergoedingsmaatregelen inmiddels vijf jaar respectievelijk vier jaar onherroepelijk zijn. Gedaagde heeft terecht aangevoerd dat de betalingsregeling van € 50,-- per maand, niet in verhouding staan tot de hoogte van de openstaande vordering. Een en ander leidt tot een zeer langdurige afbetalingsregeling en verhoudt zich mitsdien in het geheel niet tot het bepaalde in artikel 561 lid 4 Sv. Gedaagde heeft voorts onweersproken aangevoerd dat het CJIB eiser in 2007 in de gelegenheid heeft gesteld te voldoen aan een voorlopige betalingsregeling van zes maandelijkse termijnen van € 200,--, doch dat eiser geheel geen betalingen heeft verricht. Met betrekking tot het verzoek van de advocaat van eiser van 13 juli 2009 om alsnog een betalingsregeling overeen te komen, heeft gedaagde aangevoerd dat het CJIB niet op dat verzoek is ingegaan gelet op het door haar gevoerde beleid dat geen afbetalingsregelingen meer worden getroffen indien een arrestatiebevel of een waarschuwing daartoe is uitgevaardigd. Niet kan worden gezegd dat het CJIB onrechtmatig handelt door te oordelen dat het in de eiser aangevoerde argumenten geen aanleiding ziet om van dit beleid af te wijken.

3.10. Eiser heeft nog gesteld dat hij het betalen van een substantieel bedrag niet kan opbrengen. De onvermogendheid van eiser kan op zichzelf echter geen aanleiding zijn om zijn invrijheidsstelling te bevelen. Voor zover er al bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen rekening kan worden gehouden met het onvermogen van betrokkene, moet de strafrechter geacht worden hier oog voor te hebben gehad en past hier terughoudendheid van de civiele rechter (volgens hiervoor onder 3.6).

3.11. Tevens heeft eiser aangevoerd dat de hechtenis thans verworden is tot een extra leedtoevoeging bovenop de reguliere straf. De regeling omtrent de schadevergoedingsmaatregel is neergelegd in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Deze regeling behelst dat vervangende hechtenis wordt bepaald voor het geval geen of onvolledige betaling of verhaal plaatsvindt. Hieruit volgt reeds dat de hechtenis ten uitvoer gelegd wordt in situaties waarin de veroordeelde de schadevergoedingsmaatregel niet kan voldoen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 juni 2000 (NJ 2000, 634) ook geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat zulks door de wetgever onder ogen is gezien.

3.12. Een en ander leidt tot het oordeel dat voorshands niet gebleken is dat gedaagde onrechtmatig handelt jegens eiser door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen. De vordering zal daarom worden afgewezen.

3.13. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2009.