Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
09-754100-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grensoverschrijdende handel in heroïne. Gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek.

1. Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Voor het kunnen slagen van een beroep op de onrechtmatigheid van het vergaarde bewijsmateriaal is vereist dat door of namens de verdachte feiten en omstandigheden worden aangevoerd die, indien juist, leiden tot de slotsom dat het bewijs inderdaad onrechtmatig is verkregen. Onvoldoende is dat alleen maar wordt betoogd dat het bewijs mogelijk onrechtmatig is vergaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman dergelijke feiten en omstandigheden niet aangevoerd, zodat geen sprake is van een duidelijk en gemotiveerd verweer.

2. Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij het vervoer van de heroïne. Voorts komt de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van de verdachte [A]. [B] en [C] eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat sprake is van opzet op het medeplegen van de poging tot uitvoer, waarvoor de rechtbank redengevend acht dat verdachte [C] een deel van het geld meenam uit Groot-Brittannië en verdachte [B] en [A] hem tegemoet reden met de heroïne, kennelijk om het aan hem over te dragen, terwijl [C] weer terug zou gaan naar Groot-Brittannië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/754100-09

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] te Alphen aan den Rijn.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 juli 2009 en 30 september 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Vogelenzang en van hetgeen door de raadsman verdachte mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 7 april 2009 tot en met 17 april 2009 te Rotterdam en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 21.550 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, (terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid), immers heeft verdachte en/of een van zijn mededader(s):

- afspraken gemaakt ten aanzien van de levering van een (grote) hoeveelheid heroïne bedoeld voor Groot Brittannië en/of Ierland en/of

- (vervolgens) die heroïne vervoerd in de richting van een (Ierse) vrachtwagenchauffeur;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

2. hij op of omstreeks 17 april 2009 te Den Haag en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 21.550 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine), zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

3. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat er in het (voor)onderzoek meerdere rechtsregels zijn geschonden en dat een flagrante inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Kort gezegd is de raadsman van mening dat de door de Britse opsporingsautoriteit gestuurde informatie onbetrouwbaar dient te worden geacht nu niet is te achterhalen hoe deze informatie tot stand is gekomen. Mogelijk is deze informatie vermengd met door de Nederlandse politie verstrekte informatie. Voorts lijkt het dat het sluiten van onderzoek Tunnel 1 en het enkele dagen later opstarten van onderzoek Tunnel 2 gebruikt is om niet integere opsporingsmethoden te verbloemen. Mogelijk is informatie vanuit Nederland via een U-bocht teruggekomen. De raadsman heeft voorts betoogd dat de inzet van de IMSI-catcher een te zwaar opsporingsmiddel is voor de onderhavige feiten. Daarnaast heeft de officier van justitie op 8 april 2009 de IMSI-catcher ingezet voordat zij daarvoor toestemming had gekregen. Die schendingen zijn volgens de raadsman van dien aard dat zij tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in haar vervolging dienen te leiden.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de raadsman geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die zijn standpunt onderbouwen dat de informatie die de Britse opsporingsautoriteit heeft verstrekt onbetrouwbaar was. De verstrekte informatie behoeft dan ook, op grond van het vertrouwensbeginsel, niet door de rechtbank te worden getoetst. De informatie die werd ontvangen op 7 april 2009 hield in dat er op 8 april 2009 een transport van drugs 'class A' zou plaatsvinden. De inzet van politie en justitie was er met name op gericht deze partij drugs te onderscheppen en in beslag te nemen. Het Tunnel 1-onderzoek is stopgezet op het moment dat duidelijk werd dat het transport geen doorgang zou vinden. Gelet op de bezetting bij de Nederlandse politie werd daarom het Tunnel 1-team, dat bestond uit een responsteam, ontbonden en werden de opsporingsambtenaren ingezet op andere onderzoeken. Omdat er aanwijzingen waren dat het transport op een later tijdstip mogelijk wel zou plaatsvinden zijn de taps als opsporingsmiddel door blijven lopen. Toen op 16 april 2009 op basis van nieuwe informatie uit Groot-Brittannië duidelijk werd dat op korte termijn het transport mogelijkerwijs alsnog zou plaatsvinden is er op 16 april 2009 een nieuw onderzoek gestart, Tunnel 2. Dit nieuwe onderzoek bestond uit andere opsporingsambtenaren en werd aangestuurd door een ander teamhoofd.

De IMSI-cachter is op 8 april 2009 omstreeks 01.30 uur ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam. Dit dwangmiddel is conform de Telecommunicatiewet, het Wetboek van Strafvordering en huidige richtlijnen en jurisprudentie rechtmatig ingezet

3.3 De beoordeling van de ontvankelijkheid (1)

De rechtbank stelt vast dat op 7 april 2009 door de Britse opsporingsautoriteit informatie werd verstrekt inhoudende dat [verdachte A] zich mogelijk bezig hield met een op handen zijnd transport van 'class A' drugs naar Groot-Brittannië.(2)

Naar aanleiding van de ontvangen informatie werd het onderzoek "Tunnel" opgezet. Op basis van RCIE informatie en de ingezette opsporingsmiddelen kwam de politie de verdachten [B en C] op het spoor. Inzake de betrouwbaarheid van de verkregen informatie uit Groot-Brittannië overweegt de rechtbank als volgt.

De Hoge Raad heeft bepaald dat een opsporingsonderzoek mag worden begonnen op grond van informatie verkregen uit het buitenland. Mocht later blijken dat aan de verkrijging van die informatie in het buitenland enige gebrek zou kleven, dan zal zulks - behoudens bijzondere omstandigheden - niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. (3) De raadsman heeft - zoals hiervoor vermeld - zich op het standpunt gesteld dat de politie opzettelijk en doelbewust belangrijke rechtsregels heeft geschonden en een belangrijke inbreuk heeft gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde. De rechtbank leest daarin dat aan de rechtmatigheid van het verkregen bewijsmateriaal moet worden getwijfeld. Voor het kunnen slagen van een beroep op de onrechtmatigheid van het vergaarde bewijsmateriaal is vereist dat door of namens de verdachte feiten en omstandigheden worden aangevoerd die, indien juist, leiden tot de slotsom dat het bewijs inderdaad onrechtmatig is verkregen. Onvoldoende is dat alleen maar wordt betoogd dat het bewijs mogelijk onrechtmatig is vergaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman dergelijke feiten en omstandigheden niet aangevoerd, zodat geen sprake is van een duidelijk en gemotiveerd verweer.

De officier van justitie heeft onder meer het bevel gegeven tot opnemen van telecommunicatie en heeft bepaald dat een technisch hulpmiddel, te weten een IMSI-catcher, zou worden ingezet. Op grond van art. 3.10, eerste lid sub a van de Telecommunicatiewet is de inzet van een IMSI-catcher en het daarmee samenhangende afwijkende gebruik van frequentieruimte geoorloofd indien dit noodzakelijk is voor het voorkomen, beëindigen of opsporen van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere strafbare feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken of anderszins aannemelijk geworden dat de inzet van de IMSI-catcher gelet op de mogelijk ophanden zijnde feiten, op grond van art. 3.10, eerste lid sub a van de Telecommunicatiewet en art. 126g, derde lid Sv, niet rechtmatig was. Na afloop van de inzet van het technisch hulpmiddel is daaromtrent een proces-verbaal opgesteld. (4) Ten aanzien van het moment waarop instemming voor de inzet is verkregen, is weliswaar in het instemmingsbesluit (5) opgenomen dat deze instemming op 1 april 2009 is gegeven, doch de rechtbank gaat ervan uit dat dit een kennelijke verschrijving betreft, gelet op het feit dat het opsporingsonderzoek eerst op 7 april 2009 is aangevangen, bij de ondertekening met de hand is geschreven dat de ondertekening op 9 april 2009 heeft plaatsgevonden en het instemmingsbesluit voorts vermeldt dat instemming is gegeven voor inzet gedurende de periode van 8 april 2009, 22.15 uur tot 9 april 2009, 10.15 uur. Voorts heeft de officier van justitie ter terechtzitting medegedeeld dat zij persoonlijk de aanvraag tot instemming met de inzet van de IMSI-catcher op 8 april 2009 om 21.30 uur heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de instemming tot de inzet van de IMSI-catcher voor de daadwerkelijke inzet ervan is verleend.

Het Tunnel 1-onderzoek werd op 8 april 2009 stopgezet toen bleek dat het mogelijk te onderscheppen transport op dat moment geen doorgang meer zou vinden. De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat het opsporingsteam op dat moment is ontbonden. De machtiging en bevelen voor het opnemen van telecommunicatie waren afgegeven voor de duur van één week, van 8 tot en met 15 april 2009, en het opnemen van telecommunicatie heeft voortgeduurd na 8 april 2009. Middels de in het Tunnel 1-onderzoek ingezette taps werd duidelijk dat op korte termijn het transport toch zou plaatsvinden. Op 16 april 2009 kwam er via de Britse opsporingsdiensten informatie binnen dat [verdachte C] onderweg zou zijn naar Nederland in een vrachtwagen met het [kenteken]. Op dat moment werd onderzoek Tunnel 2 gestart. Dat op dat moment een nieuw opsporingsteam is samengesteld, zoals de officier van justitie heeft gesteld, acht de rechtbank niet onaannemelijk, nu de politie in voorkomende gevallen ad-hoc teams samenstelt ten behoeve van het uitvoeren van opsporingsonderzoeken.

De raadsman heeft tijdens de zitting van 6 juli 2009 verzocht het onderzoek ter terechtzitting aan te houden en getuigen te horen, zoals opgenomen in zijn pleitnota, welke hij bij het onderzoek ter terechtzitting van 6 juli 2009 heeft overgelegd. De rechtbank heeft deze verzoeken gemotiveerd afgewezen. De raadsman heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 30 september 2009 bij pleidooi zijn eerdere verzoek herhaald, onder verwijzing naar de genoemde pleitnota. Het betoog van de raadsman is evenwel doorspekt met veronderstellingen en aannames die hij op geen enkele wijze met concrete feiten of omstandigheden heeft onderbouwd. De rechtbank wijst bij wijze van voorbeeld op de vooronderstelling van de raadsman dat de politie de IMSI-catcher al voorhanden zou hebben gehad op het moment dat de vereiste instemming voor de inzet ervan nog niet was aangevraagd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie medegedeeld dat de benodigde apparatuur van elders, te weten uit het Gooi, moest worden aangevoerd, zodat het apparaat pas op 9 april 2009 omstreeks 01.35 uur kon worden ingezet, terwijl de inzet al was toegestaan vanaf 8 april 2009 om 22.15 uur. Dergelijke vooronderstellingen en aannames zijn onvoldoende om het door de raadsman verlangde nader onderzoek door getuigenverhoor te rechtvaardigen. Het verzoek van de raadsman heeft naar het oordeel van de rechtbank veeleer het karakter van een 'fishing-expedition' en kan dan ook niet leiden tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting.

Het verweer inzake de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt in al zijn onderdelen verworpen.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als tussenpersoon heeft gefungeerd voor een levering van heroïne uit Nederland naar Groot-Brittannië, terwijl dat misdrijf niet is voltooid en dat hij negentien kilogram heroïne heeft vervoerd en voorhanden heeft gehad. De officier heeft aangevoerd dat uit de overeenstemmende telefoongesprekken, observaties en verklaringen is gebleken dat verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij deze strafbare feiten. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte deze feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat geen wettig bewijs voorhanden is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging uitvoer en het aanwezig hebben van heroïne. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte geen weet had van en niet had behoren te weten wat de inhoud was van de tassen die in de door verdachte geleasde personenauto werden aangetroffen.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank gaat op grond van de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 16 april 2009 omstreeks 16.07 uur is een boot gearriveerd vanuit Harwich, Groot-Brittannië, in Hoek van Holland. (6) Op deze boot bevond zich verdachte [C], rijdend in een Scania vrachtwagen met [kenteken].(7) Verdachte [C] werd op dat moment meerdere malen gebeld door verdachte [B]. (8) De twee verdachten spraken af elkaar te ontmoeten bij op een BP benzinestation aan de A20 te Vlaardingen.(9) Verdachte [C] heeft aldaar omstreeks 19.36 uur de door hem naar Nederland vervoerde pakketten met geld aan verdachte [A] gegeven.(10) Om 19.56 uur heeft verdachte [B] met verdachte [A] gebeld en hem medegedeeld dat hij het geld had ontvangen.(11) Er werd afgesproken elkaar te ontmoeten. Verdachte [A] is om 20.24 uur in een personenauto, merk Peugeot, met [kenteken] gestapt en weggereden. Hij heeft deze personenauto om 20.50 uur op de Oudendijk te Rotterdam geparkeerd. Om 20.57 uur hebben verdachten [A] en [B] elkaar ontmoet op een terras.(12) Op de tafel lag een witte plastic tas met een donkere opdruk. Om 22.09 uur is verdachte [A] opgestaan en wegelopen met de eerder genoemde tas naar de personenauto met [kenteken] en is weggereden.

Op grond van onder andere het proces-verbaal van observatie van 17 april 2009, stelt de rechtbank vast dat verdachte [A] zich op deze dag om 11.33 uur op de Kralingseweg in Rotterdam bevond, rijdend als bestuurder in een personenauto met [kenteken].(13) Hij is op de 's-Gravenweg gestopt. Om 11:34 uur heeft verdachte [B] met verdachte [A] gebeld.(14) Verdachte [A] meldde dat hij er was. Verdachte [B] is als bijrijder in de personenauto gestapt en zij zijn vertrokken. Om 11:53 uur is de personenauto op de Meent in Rotterdam gestopt, verdachte [A] is uitgestapt, verdachte [B] heeft plaats genomen als bestuurder en is alleen met de personenauto weggereden. Om 11.57 uur bevond verdachte [A] zich bij café de Spiegel gelegen aan de Westerwagenstraat 62 te Rotterdam waar hij contact maakte met NN1. Om 12.00 uur is hij weggelopen. NN1 maakte contact met verdachte [D]. (15) Om 12:01 kwam verdachte [A] uit het café gelopen en ging naast NN1 en verdachte [D] zitten.

Tussen 12.38 uur en 13.00 uur reed verdachte [B] in de personenauto met [kenteken] via België naar het Shell benzinestation Hazeldonk, gelegen aan de A16 in de richting van Rotterdam. Om 13:00 uur is verdachte [B] bij dit benzinestation gestopt. Hij is uit de personenauto gestapt en naar de gezamenlijke ingang van restaurant "La Place" en "McDonalds" gelopen en heeft binnen en contact gemaakt met NN3. Ze zijn samen naar buiten gelopen naar een BMW, type 5, voorzien van het Belgisch [kenteken]. NN3 heeft uit die personenauto, vanaf de achterbank, een rood/oranje plastic tas gepakt. Deze tas was aan de onderzijde gevuld. NN3 heeft de tas aan verdachte [B] gegeven. Verdachte [B] heeft de tas in de kofferruimte van de personenauto met [kenteken] gelegd, waarna hij is ingestapt en wegereden. (16)

Om 13.45 uur heeft verdachte [B] de personenauto met [kenteken] op de Meent te Rotterdam geparkeerd en is uitgestapt. Verdachte [A] kwam aangelopen en stapte in als bestuurder. Verdachte [B] heeft uit de kofferbak de rood/oranje plastic tas gepakt waarna hij heeft plaatsgenomen als bijrijder. Om 13.52 uur is verdachte [B] uit de personenauto gestapt en is hij zonder de plastic tas wegelopen. Om 14.01 uur is verdachte [A] alleen in de personenauto met [kenteken] weggereden.(17)

Om 15.15 uur heeft verdachte [A] bij café de Spiegel contact gehad met NN1. NN1 heeft om 15.30 uur het café verlaten en heeft vervolgens voor het café contact met verdachte [D]. Ze namen om 15:35 afscheid waarna verdachte [D] in een personenauto is gestapt, merk Seat, type Altea met [kenteken].(18)

Om 15.34 uur heeft verdachte [B] een telefoongesprek met verdachte [C] gehad.(19) Verdachte [C] meldde dat hij vanuit Duitsland onderweg was naar Nijmegen. Verdachte [B] heeft aan [verdachte C] gevraagd of hij klaar was 'om te bewegen'. Verdachte [B] heeft dat bevestigd en gezegd dat het geen probleem was om elkaar midden in de nacht te ontmoeten.

Om 15.43 uur is verdachte [A] in de personenauto met [kenteken] gestapt en wegereden, waarna hij de auto om 15.56 uur op de Goudsesingel te Rotterdam heeft geparkeerd.(20) Een minuut later heeft hij contact gemaakt met verdachte [D] op het terras van horecagelegenheid Belmondo. Om 16.05 uur hebben beide verdachten het terras verlaten en zijn zij in de richting van de personenauto met [kenteken] gelopen. Verdachte [A] is om 16.06 uur ingestapt als bestuurder van de [kenteken]. Hij reed stapvoets terwijl verdachte [D] naast de personenauto bleef meelopen. Verdachte [A] heeft de personenauto om 16.06 uur in de Brussestraat geparkeerd en is naast de personenauto gaan staan.(21) Verdachte [D] is de Herman Robberstraat ingelopen. Om 16.07 uur kwam verdachte [D] weer terug gelopen naar de geparkeerde personenauto met [kenteken]. Hij droeg in zijn handen twee tassen. Dit waren zogenaamde big-shoppers met de opschriften Bas en Lidl. Beide tassen werden vervolgens in de personenauto met [kenteken] geplaatst. Verdachte [D] is daarna weggelopen. Verdachte [A] is in de personenauto gestapt en weggereden. Om 16.15 uur heeft verdachte [A] de personenauto met [kenteken] op de Korte Kade te Rotterdam geparkeerd, waarna hij is uitgestapt. Om 16.18 uur kwam verdachte [B] bij de personenauto aan.(22)

Om 16.22 uur heeft verdachte [B] naar verdachte [C] gebeld.(23) Verdachte [B] zei dat hij hoopte dat hij die dag zijn vracht kon laden in Nijmegen. Anders zou het maandag worden dat hij zou laden. Op de vraag van verdachte [C] of [B] daar veel had, meldde verdachte [B] dat hij '21' had. Verdachte [C] gaf aan dat dat geen probleem was en gaf vervolgens de postcode per sms door van de plaats waar hij over een half uur zou zijn.

Verdachten [A] en [B] zijn om 16.31 uur in de personenauto met [kenteken] gestapt waarna deze vertrok. Om 16.35 uur werden verdachten [A] en [B] op de Kralingseweg in Rotterdam aangehouden terwijl zij in een personenauto reden met [kenteken].(24) In die personenauto werd negentien kilogram van een heroïne houdend materiaal aangetroffen. (25) Verdachte [B] werd in Nijmegen aangehouden.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of sprake is van het medeplegen van een poging tot uitvoer van heroïne en van het medeplegen van het vervoer van heroïne. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Vast staat dat de verdachte [C] geld heeft meegenomen en overgedragen aan verdachte [B]. Verdachte [B] heeft voortdurend telefonisch contact onderhouden met verdachte [A], terwijl verdachten [B] en [A] elkaar gedurende de hiervoor beschreven activiteiten meermalen hebben ontmoet. Voorts maakte verdachte [B] gebruik van de auto van verdachte [A]. De rechtbank onderscheidt de volgende fasen in de beschreven activiteiten. (i) Het overdragen van het eerste deel van het geld door verdachte [C] aan verdachte [B]. (ii) Het regelen en halen van het tweede deel van het geld door verdachte [B] via de Belgische route. (iii) De overdracht van het geld en (iv) de levering van de heroïne. Verdachte [B] heeft over het geld contact gehad met verdachte [A]. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte [A] kennelijk een rol heeft gespeeld bij de overdracht van het geld. Voor het moment van de overdracht van de big-shoppers door verdachte [D] heeft [D] verdachte [A] ontmoet. Daarbij was ook nog een onbekend gebleven derde persoon betrokken. Verdachte [A] ging met verdachte [D] - terwijl deze de big-shoppers droeg waarin later de heroïne werd aangetroffen - naar de auto waarin verdachte [D] de big-shoppers heeft geplaatst. Vervolgens haalde verdachte [A] verdachte [B] op en zijn zij gezamenlijk vertrokken. Kort daarop zijn zij aangehouden.

De rechtbank gaat ervan uit dat de overdracht van het geld en de heroïne zijn gevolgd en begeleid door een of meer onbekend gebleven derden. Zij leidt dat af uit de telefonische contacten die er zijn geweest over het geld, de aanwezigheid van personen in de Mercedes ML en de contacten die verdachte [C] heeft gehad nadat hij geen contact meer kon krijgen met verdachte [B] toen deze omstreeks 16.40 uur op 17 april 2009 was aangehouden.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij het vervoer van de heroïne. Voorts komt de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van de verdachten [A], [B] en[C] eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat sprake is van opzet op het medeplegen van de poging tot uitvoer, waarvoor de rechtbank redengevend acht dat verdachte [C] een deel van het geld meenam uit Groot-Brittannië en [verdachte B en A] hem tegemoet reden met de heroïne, kennelijk om het aan hem over te dragen, terwijl [verdachte C] weer terug zou gaan naar Groot-Brittannië. (26)

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1. hij in de periode van 7 april 2009 tot en met 17 april 2009 te Rotterdam en Den Haag, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 19.000 gram, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, immers hebben verdachte en zijn mededaders:

- (telefonische) afspraken gemaakt ten aanzien van de levering van een grote hoeveelheid heroïne bedoeld voor Groot Brittannië en

- vervolgens die heroïne vervoerd in de richting van een Ierse vrachtwagenchauffeur;

2. hij op 17 april 2009 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd, 19.000 gram, van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine), zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

7.2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot grensoverschrijdende handel in heroïne, het voorhanden hebben en het vervoer daarvan. Daarbij ging het om een zeer aanzienlijke hoeveelheid. Heroïne is een sterk verslavende drug die schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast leidt de handel in en het gebruik van deze drug tot allerlei vormen van criminaliteit en overlast en zorgt voor grote maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft geen oog gehad voor de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Hem ging het om het geld dat met de drugshandel kon worden verdiend. Voor een dergelijk ernstig misdrijf is in beginsel een langdurige gevangenisstraf passend en geboden.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij een leidende rol heeft gespeeld bij de bewezen verklaarde feiten. Uit de telefoongesprekken en ook uit verklaringen van medeverdachten blijkt dat verdachte de (mede-)initiator was van de aanname van drugsgeld en de aflevering van de drugs.

Daar staat tegenover dat verdachte niet eerder voor een dergelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, een gevangenisstraf opleggen van kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd.

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat de onder 2 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de in beslag genomen voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, aangezien het belang van de strafvordering zich daartegen niet langer verzet.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

Voorst zal de rechtbank de op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien

met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid;

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c, 45, 47, 55 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt de eendaadse samenloop van:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van poging opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen, te weten: 2 stuks telefoontoestel;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerpen, te weten: 3 stuks tassen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. H. Steenhuis, voorzitter,

J.J.P. Bosman en A.M.C. Boerwinkel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2009.

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een ambtsedig

proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, nummer

PL1509/2009/1359, doorlopend genummerd 1 tot en met 1040.

(2) Proces-verbaal 28-856429: Informatie over [verdachte A], p. 10

(3) Hoge Raad, 31 januari 2006, NJ 2006/365

(4) Proces-verbaal 090409. Tunnel. Coördinatiepv

(5) Op grond van het document "Afwijkend gebruik frequentieruimte"

(6) Proces-verbaal verhoor verdachte [C], p. 211

(7) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 16 april 2009, 2009-04-16.A, p. 559

Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 16 april 2009, OBS 038-2009, p. 719

(8) Proces-verbaal verhoor verdachte [C], p. 212, eerste vraag en bijbehorende noot

(9) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 16 april 2009, OBS 038-2009, p. 719

Verslag telefoongesprek d.d. 16 april 2009 te 19:28:14 uur, p. 132

(10) Proces-verbaal verhoor verdachte [C], p. 212

Proces-verbaal verhoor getuigen t.b.v. [verdachte A], verklaring bij de rechter-commissaris van [verdachte C]

(11) Verslag telefoongesprek d.d. 16 april 2009 te 19:56:55 uur, p. 133

(12) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 16 april 2009, 2009-04-16.A, p.560

(13) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 17 april 2009, 2009-04-17.AB, p. 706

(14) Verslag telefoongesprek d.d. 17 april 2009 te 11:34:08 uur, p. 582

(15) Verdachte [D] geïdentificeerd op grond van proces-verbaal 1509/2009/1359, Algemeen Dossier 1/OPV, p. 27

(16) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 17 april 2009, 2009-04-17.AB, p. 707

(17) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 17 april 2009, 2009-04-17.AB, p. 708

(18) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 17 april 2009, 2009-04-17.AB, p. 709

(19) Verslag telefoongesprek d.d. 17 april 2009 te 15:34:02 uur, p. 592

(20) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 17 april 2009, 2009-04-17.AB, p. 709

(21) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 17 april 2009, 2009-04-17.AB, p. 709

(22) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 17 april 2009, 2009-04-17.AB, p. 710

(23) Verslag telefoongesprek d.d. 17 april 2009 te 16:22:55 uur, p. 67

(24) Proces-verbaal van observeren, d.d. donderdag 17 april 2009, 2009-04-17.AB, p. 710

(25) Proces-verbaal, PL1509/2009/1359-N-2, p. 279-288

Aanvraag onderzoek Nederlands Forensisch Instituut, PL15J2/2009/1359-19, p. 291

Rapport, van het Nederlands Forensisch Instituut, PL15J2/2009/1359-19, p. 295

(26) Proces-verbaal verhoor verdachte [C], p. 218