Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0430

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
09/33713
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / binnentreden / woning in de zin van de Awbi / kamer

In geding is primair de vraag of de kamer waarin eiser zich bevond moet worden aangemerkt als een woning in de zin van de Awbi. Eiser heeft ter zitting verklaard dat in de woning (buiten de hoofdbewoner) vijf mensen wonen, die ieder een eigen kamer hebben. Elke kamer is voorzien van een bed, een kast en een televisietoestel. Eiser heeft verklaard dat hij in zijn afgesloten kamer lag te slapen, toen op deur werd geklopt. Nadat hij de deur had geopend, drongen verbalisanten onmiddellijk de kamer binnen en hielden hem staande. Eiser heeft verklaard dat de verbalisanten zich niet hebben gelegitimeerd.

Naar aanleiding van het betoog van eiser heeft de rechtbank verweerder nadere vragen gesteld. In het aanvullend proces-verbaal dat verweerder naar aanleiding daarvan heeft ingezonden worden de gestelde vragen niet afdoende beantwoord. De rechtbank gaat er daarom op grond van de verklaring van eiser van uit dat hij is staande gehouden in een in de woning gelegen aparte leefruimte voor gebruik met een privé-karakter, die als woning in de zin van de Awbi moet worden aangemerkt. Niet in geding is dat de ambtenaren van politie voor het binnentreden in de woning van eiser zonder zijn toestemming geen machtiging hadden, zodat zij ingevolge artikel 1, eerste en vierde lid, van de Awbi verplicht zich, voorafgaand aan het binnentreden van de woning van eiser, te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden en hem om toestemming te vragen.

Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding, noch uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten aan bedoelde verplichtingen hebben voldaan. Evenmin blijkt uit die processen-verbaal dat zich (een van) de uitzondering(en), neergelegd in artikel 1, tweede lid, van de Awbi hebben voorgedaan.

Verweerder heeft geen belangen gesteld, op grond waarvan het niet nakomen van de uit de Awbi voortvloeiende verplichtingen niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. Gelet hierop en op de belangen, ter bescherming waarvan de betrokken voorschriften strekken, is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.

Beroep gegrond + schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 09/33713

Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Sierra Leoonse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht,

raadsman mr. P.R. Hogerbrugge,

eiser;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

vertegenwoordigd door mr. K. Bijkerk,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Op 17 september 2009 is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000).

Op 17 september 2009 heeft eiser tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 oktober 2009. De behandeling is geschorst en hervat op 5 oktober 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 5 oktober 2009 geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken. Verweerder heeft bij brief van 6 oktober 2009 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 7 oktober 2009 hierop gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben verleend om het beroep zonder nadere behandeling ter zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Eiser stelt dat hij in zijn als woning aan te merken kamer is staandegehouden nadat verbalisanten in strijd met de uit de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi) voortvloeiende verplichtingen die kamer zijn binnengetreden. Hij betoogt dat daarom het binnentreden, de daaropvolgende staandehouding en de aansluitende inbewaringstelling onrechtmatig zijn.

In geding is primair de vraag of de kamer waarin eiser zich bevond moet worden aangemerkt als een woning in de zin van de Awbi.

Eiser heeft ter zitting verklaard dat in de woning (buiten de hoofdbewoner) vijf mensen wonen, die ieder een eigen kamer hebben. Elke kamer is voorzien van een bed, een kast en een televisietoestel. Eiser heeft verklaard dat hij in zijn afgesloten kamer lag te slapen, toen op deur werd geklopt. Nadat hij de deur had geopend, drongen verbalisanten onmiddellijk de kamer binnen en hielden hem staande. Eiser heeft verklaard dat de verbalisanten zich niet hebben gelegitimeerd.

Naar aanleiding van het betoog van eiser als hiervoor weergegeven en zijn hiervoor aangehaalde verklaring ter zitting, heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld de volgende vragen te (doen) beantwoorden:

- Kunt u de aard van het pand en de daarin gelegen kamers omschrijven?

- Hebben de in de woning gelegen kamers kenmerken van een ruimte voor privé-verblijf?

- Waar precies in de woning is eiser staande gehouden, en hoe is de staandehouding feitelijk verlopen?

Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op ambtseed op 6 oktober 2009 vermeldt, voor zover thans van belang:

De staandehouding vond plaats in de woning in de Sportlaan 69, zijnde de woning van dhr. C. Fonk. Het betreft een normale woning, in een rij. Genoemde Fonk vangt met regelmaat al dan niet uitgeprocedeerde asielzoekers op, die bij hem eten, slapen, verblijven.

In het aanvullend proces-verbaal worden de gestelde vragen niet afdoende beantwoord. De enkele vermelding dat de woning een “normale woning” is volstaat daartoe niet. De rechtbank gaat er daarom op grond van de verklaring van eiser van uit dat hij is staande gehouden in een in de woning gelegen aparte leefruimte voor gebruik met een privé-karakter, die als woning in de zin van de Awbi moet worden aangemerkt..

2.2 Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Awbi, voor zover thans van belang, is degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden.

Ingevolge het tweede lid gelden, indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, deze verplichtingen slechts, voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd.

Ingevolge het vierde lid vraagt de persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Awbi, voor zover thans van belang, is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

2.3 Niet in geding is dat de ambtenaren van politie voor het binnentreden in de woning van eiser zonder zijn toestemming geen machtiging hadden. Zij waren daarom ingevolge artikel 1, eerste en vierde lid, van de Awbi verplicht zich, voorafgaand aan het binnentreden van de woning van eiser, te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden en hem om toestemming te vragen.

Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding, opgemaakt op ambtseed op 17 september 2009, noch uit voormeld proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2009 blijkt dat de verbalisanten aan bedoelde verplichtingen hebben voldaan. Evenmin blijkt uit die processen-verbaal dat zich (een van) de uitzondering(en), neergelegd in artikel 1, tweede lid, van de Awbi hebben voorgedaan.

2.3 In de Awbi worden geen gevolgen verbonden aan het niet nakomen van uit die wet voortvloeiende verplichtingen. Dit brengt met zich dat de daaraan te verbinden gevolgen moeten worden bezien in het licht van de belangen, ter bescherming waarvan de betrokken voorschriften strekken.

De minister heeft geen belangen gesteld, op grond waarvan het niet nakomen van de uit de Awbi voortvloeiende verplichtingen niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. Gelet hierop en op de belangen, ter bescherming waarvan de betrokken voorschriften strekken, is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.

2.4 Het beroep zal gegrond worden verklaard en de opheffing van de bewaring zal worden bevolen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiser, in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om hem ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 80,-- per dag voor de dagen die eiser vanaf 18 september 2009 heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van € 2.160,-- zal worden toegekend.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 2.160,00 (eenentwintighonderdzestig);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R.D. Hemminga als griffier op 14 oktober 2009.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 2.160,00 (eenentwintighonderdzestig euro).

Aldus gedaan op 14 oktober 2009 door mr. J.F.M.J. Bouwman, fungerend voorzitter.