Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0405

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/19317
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL9320, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft verweerder verzocht om vergoeding voor het doen instellen van een contra-expertise naar aanleiding van een proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee en een verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten van de IND. Eiser heeft die documenten ingediend ter onderbouwing van zijn herhaalde asielaanvraag.

Verweerder heeft de aanvraag om vergoeding van de kosten voor een contra-expertise afgewezen, nu deze kosten niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 17 van de Rva 2005.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van noodzakelijke kosten op de voet van artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005 komt het bevoegde bestuursorgaan gelet op de tekst van die bepaling geen beoordelingsvrijheid toe. De bestuursrechter dient zich daarover dan ook ten volle een eigen oordeel te vormen en is niet gebonden aan eventueel, in beleidsregels neergelegd dan wel anderszins geformuleerd, beleid van het bestuursorgaan.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser verzochte vergoeding geen noodzakelijke kosten in even bedoelde zin zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/488
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/19317

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

geboren op [1983],

naar zijn zeggen van Burundische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. G. Tuenter,

en

Het bestuur van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 16 maart 2009 om een vergoeding van de door hem verschuldigde kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise naar de authenticiteit van de door hem overgelegde documenten afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 september 2009, waar partijen, met voorafgaande schriftelijke kennisgeving, niet zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: Wet COA) is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid kan Onze minister het orgaan taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 12 kan Onze minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

Krachtens die bepaling heeft de minister de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) vastgesteld.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Rva 2005 omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval de volgende verstrekkingen:

(……)

g. betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van deze regeling, die hij heeft gemaakt.

Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

Ingevolge het derde lid worden buitengewone kosten slechts betaald voorzover vooraf door het orgaan aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming.

Ingevolge het vierde lid wordt de toestemming, bedoeld in het derde lid, uitsluitend verleend indien en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

2.2 Eiser heeft verweerder verzocht om vergoeding voor het doen instellen van een contra-expertise naar aanleiding van het proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee, gedateerd 18 juni 2008, opgemaakt op ambtseed door [naam A] en op ambtsbelofte door [naam B] (mutatienummer [nummer]) en de verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van 17 juli 2008. Eiser heeft die documenten ingediend ter onderbouwing van zijn herhaalde asielaanvraag van 11 juni 2008, die bij besluit van 4 mei 2009 is afgewezen.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag om vergoeding van de kosten voor een contra-expertise afgewezen, nu deze kosten niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 17 van de Rva 2005. In dit verband heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser in het voornemen tot afwijzing van zijn asielaanvraag niet de mogelijkheid is geboden om een contra-expertise tegen het documentenonderzoek te laten verrichten. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat de resultaten van de documentenonderzoeken vastgestelde feiten betreffen en dat die onderzoeken met de vereiste zorgvuldigheid zijn verricht en met de waarborgen zijn omkleed, zoals vastgelegd in IND-werkinstructie nummer 270A. Naar de mening van verweerder kan de rechter, zonder dat een contra-expertise is ingediend, toetsen of het onderzoek juist is verricht, of dat de vastgestelde feiten op juiste wijze tot stand zijn gekomen en of uit die vastgestelde feiten de juiste conclusie is getrokken. Indien de rechter de vreemdeling volgt, zal de IND opnieuw onderzoek moeten laten verrichten.

2.4 Ten aanzien van de vraag of sprake is van noodzakelijke kosten op de voet van artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005 komt het bevoegde bestuursorgaan gelet op de tekst van die bepaling geen beoordelingsvrijheid toe. De bestuursrechter dient zich daarover dan ook ten volle een eigen oordeel te vormen en is niet gebonden aan eventueel, in beleidsregels neergelegd dan wel anderszins geformuleerd, beleid van het bestuursorgaan.

2.5 De rechtbank stelt voorop dat in de toelichting op artikel 17, eerste en tweede lid, van de Rva 2005 (Stc. 3 februari 2005, nr. 24), voor zover thans van belang, is vermeld dat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen indien en voor zover zij voor betrokkene onontbeerlijk zijn. Daargelaten de vraag of verweerder in het onderhavige geval moet worden gevolgd in zijn standpunt dat de IND eiser in het onderhavige geval na uitreiking van het voornemen niet in de gelegenheid heeft gesteld om een contra-expertise te doen verrichten, doet die omstandigheid, zoals ook niet door verweerder is weersproken, niet af aan het zelfstandige recht van eiser om onderzoek dan wel een contra-expertise te laten verrichten, en maakt die omstandigheid niet dat de contra-expertise niet noodzakelijk is, mede in aanmerking genomen de uitleg die in de toelichting op artikel 17 van de Rva 2005 aan het begrip “noodzakelijk” is gegeven.

Het standpunt van verweerder, dat de resultaten van de documentenonderzoeken vastgestelde feiten betreffen en dat de rechter, zonder dat een contra-expertise is ingediend, kan toetsen of het onderzoek juist is verricht, of dat de vastgestelde feiten op juiste wijze tot stand zijn gekomen en of uit die vastgestelde feiten de juiste conclusie is getrokken, en dat daarom geen sprake is van noodzakelijke kosten, is in rechte niet houdbaar. Volgens vaste rechtspraak, waaronder een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 februari 2008 (JV 2008/142), dient van de juistheid van het op ambtseed onderscheidenlijk op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende proces-verbaal, waarvan in het onderhavige geval sprake is, te worden uitgegaan, tenzij door de vreemdeling tegenbewijs is geleverd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling over de waarde die de Staatssecretaris van Justitie aan deskundigenadviezen kan toekennen, mag de Staatssecretaris van Justitie bij de beoordeling van de asielaanvraag in beginsel uitgaan van de conclusies van een deskundigenadvies, waaronder voormelde verklaring van onderzoek van Bureau Documenten moet worden begrepen, indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, tenzij sprake is van concrete aanknopingspunten om aan de juistheid en volledigheid ervan te twijfelen. Eiser heeft onbetwist gesteld dat het advies is opgesteld op een in de vaste rechtspraak vereiste wijze. Van eiser moet daarom worden verlangd dat hij een tegenadvies laat opstellen en inbrengt, indien hij het deskundigenrapport van Bureau Documenten wenst aan te tasten. Eiser kan, zoals hij terecht heeft aangevoerd, niet volstaan met het plaatsen van kritische kantekeningen bij het rapport.

Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser verzochte vergoeding geen noodzakelijke kosten in evenbedoelde zin zijn.

2.6 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, daar het een deugdelijke motivering ontbeert. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7 Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is er aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer [nummer] ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak vermelde registratienummer.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 september 2009.