Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9956

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/32567 en 09/32564
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft gemotiveerd uiteengezet dat hij, gelet op de huidige situatie in Afghanistan, bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder onder andere in strijd met artikel 7:12 Awb heeft gehandeld door in het bestreden besluit te volstaan met de stelling dat het tijdsverloop sinds de vorige beoordeling van het 3 EVRM-risico niet aanmerkelijk is en dat de laatste toetsing aan artikel 3 EVRM stand houdt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treft deze beroepsgrond doel. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering. Daarbij is van belang dat aanmerkelijk tijdsverloop geen absoluut criterium is, maar moet worden bezien in het licht van de ontwikkelingen in het land van herkomst sinds de laatste toetsing aan artikel 3 EVRM. Verweerder heeft de recente aangevoerde ontwikkelingen in Afghanistan op geen enkele wijze in de beoordeling betrokken.

Verzoeker heeft in beroep voorts aangevoerd dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering mist met betrekking tot hetgeen is aangevoerd omtrent artikel 8 EVRM, nu dit artikel niet alleen op de toelatingsvraag ziet maar ook op de vraag of uitzetting in strijd is met dit artikel. In dit verband is gewezen op de beleidswijziging ten aanzien van gezinsleden van zogenoemde 1F-ers.

Naar het oordeel van de voorzieningrechter treft deze beroepsgrond eveneens doel en is het bestreden besluit ook op dit punt in strijd met artikel 7:12 Awb.

Beroep gegrond, Vovo hangende het bezwaar met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb toegewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/494

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 09 / 32567 (voorlopige voorziening) AWB 09 / 32564 (beroep)

mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2009

in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, met toepassing van artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb), gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2009;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het beroep af;

- wijst met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb, de voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) te betalen aan verzoeker in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 322,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1) in verband met het beroep;

- draagt de Staat der Nederlanden op € 150,- aan verzoeker te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening en € 150,- voor het beroep.

Overwegingen

Verzoeker heeft op 8 april 2009 bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting van verzoeker. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 11 augustus 2009 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 8 september 2009 beroep ingesteld. Verzoeker heeft op 8 september 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Verweerder is voornemens verzoeker op maandag 5 oktober 2009 uit te zetten.

Verzoeker heeft gemotiveerd uiteengezet dat hij, gelet op de huidige situatie in Afghanistan, bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder onder andere in strijd met artikel 7:12 Awb heeft gehandeld door in het bestreden besluit te volstaan met de stelling dat het tijdsverloop sinds de vorige beoordeling van het 3 EVRM-risico niet aanmerkelijk is en dat de laatste toetsing aan artikel 3 EVRM stand houdt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treft deze beroepsgrond doel. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering. Daarbij is van belang dat aanmerkelijk tijdsverloop geen absoluut criterium is, maar moet worden bezien in het licht van de ontwikkelingen in het land van herkomst sinds de laatste toetsing aan artikel 3 EVRM. Verweerder heeft de recente aangevoerde ontwikkelingen in Afghanistan op geen enkele wijze in de beoordeling betrokken.

Verzoeker heeft in beroep voorts aangevoerd dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering mist met betrekking tot hetgeen is aangevoerd omtrent artikel 8 EVRM, nu dit artikel niet alleen op de toelatingsvraag ziet maar ook op de vraag of uitzetting in strijd is met dit artikel. In dit verband is gewezen op de beleidswijziging ten aanzien van gezinsleden van zogenoemde 1F-ers.

Naar het oordeel van de voorzieningrechter treft deze beroepsgrond eveneens doel en is het bestreden besluit ook op dit punt in strijd met artikel 7:12 Awb. Verweerder dient de ontwikkelingen ten aanzien van de verblijfsrechterlijke positie van het gezin van verzoeker naar aanleiding van het gewijzigde beleid met betrekking tot gezinsleden van 1F-ers bij zijn beoordeling te betrekken.

In het licht van vorenstaande heeft verweerder niet van het horen van verzoeker kunnen afzien. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:2 van de Awb.

Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

Waarvan proces-verbaal.

griffier

rechter

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze betreft de hoofdzaak en de getroffen voorlopige voorziening hangende het bezwaar nu deze onderdeel uitmaakt van de hoofdzaak, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze betreft de voorlopige voorziening hangende het beroep, geen hoger beroep open.