Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9806

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/22431
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM4650, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte verblijfsvergunning asiel onthouden / zelf voorzien / verlening verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en onbepaalde tijd

Uit de uitspraak waarin het eerste beroep van eiser gegrond is verklaard, volgt dat er voor eiser, als voormalig lid en bij de Turkse autoriteiten bekende aanhanger van de Kaplanbeweging, een real risk bestaat op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM. De in deze uitspraak aangehaalde informatie uit het algemeen ambtsbericht is ook te vinden in het ambtsbericht dat ziet op de periode waarin eiser zijn aanvraag heeft ingediend. Gelet hierop heeft verweerder eiser ten onrechte een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met als ingangsdatum de datum van zijn aanvraag onthouden. Nu de maximale termijn waarvoor de vergunning kan worden verleend is verstreken, is de aanvraag ingevolge het beleid van verweerder (Vc C21/2.1) tevens opgevat als een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Nu niet is gebleken dat zich een afwijzingsgrond voor deze vergunning voordeed en verweerder heeft aangegeven niet bekend te zijn met een dergelijke afwijzingsgrond, was verweerder gehouden eiser een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen. Nu geen andere beslissing mogelijk is, voorziet de rechtbank zelf in de zaak en bepaalt dat verweerder deze vergunningen aan eiser dient te verlenen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vreemdelingenwet 2000 44
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.105
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/486

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/22431

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], geboren [datum] in 1963, van Turkse nationaliteit,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 27 december 2001 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 12 april 2007 (AWB 06/18903) gegrond verklaard, waarbij het voormelde besluit is vernietigd.

Bij besluit van 13 juni 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser opnieuw afgewezen. Op 20 juni 2008 heeft de rechtbank het tegen dit besluit gerichte beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

1. Eiser heeft verklaard aanhanger te zijn van de Kaplanbeweging oftewel de kalifaatstaat (Hilavet Devleti) en voorganger te zijn geweest in de Mevlana-moskee in Augsburg, Duitsland. Eiser is in Duitsland veroordeeld tot twee jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf in verband met opruiing. Eiser heeft in zijn wekelijkse gebed in de Mevlana-moskee in Augsburg te Duitsland opgeroepen tot de dood van dhr. Ibrahim Halil Sofu, die daarna door onbekenden in mei 1997 is vermoord. Aansluitend is eiser op 9 september 1997 gearresteerd en gedetineerd. Eiser heeft zijn straf uitgezeten en stond op het punt door de Duitse autoriteiten op grond van zijn veroordeling en zijn politieke overtuiging – sinds 12 december 2001 is de organisatie kalifaatstaat in Duitsland verboden omdat zij in strijd handelt met de Duitse grondwet en een gevaar vormt voor de binnenlandse veiligheid – te worden uitgezet. Eiser heeft zich, vanwege zijn gestelde vrees dat hij bij terugkeer naar Turkije wordt vervolgd in verband met zijn lidmaatschap van de Kaplanbeweging en zijn rol daarin, onttrokken aan een verwijdering door de Duitse autoriteiten en hier te lande een asielaanvraag ingediend.

2. Bij uitspraak van 12 april 2007 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, onder meer het volgende overwogen:

“(…) Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunten onder meer een rapport overgelegd van Amnesty International Deutschland van 31 juli 2005. Daarin is vermeld dat folteringen en mishandelingen nog steeds wijdverbreid zijn in Turkije. Over de Kaplanbeweging en Metin Kaplan en zijn aanhangers wordt in het rapport opgemerkt dat de aanklacht in Turkije tegen Metin Kaplan voor een belangrijk deel is gebaseerd op belastende verklaringen van (voormalige) aanhangers die daarover zelf hebben verklaard dat zij onder druk van folteringen die verklaringen hebben afgelegd. Daarover zijn ook doktersverklaringen opgemaakt die tijdens het proces tegen Metin Kaplan zijn ingebracht.

In het algemene ambtsbericht Turkije van de Minister van Buitenlandse Zaken van november 2003 wordt vermeld dat:

“Personen die worden verdacht van lidmaatschap van [..] militante islamitische organisaties of personen die worden verdacht van het verlenen van steun of onderdak aan één van deze organisaties worden overgebracht naar de antiterreureenheid van de politie, die bij hetzelfde hoofdbureau is ondergebracht. Bij de antiterreureenheid van de politie is onderwerping van de verdachte aan foltering of mishandeling niet uit te sluiten.”

(…) Gelet op de algemene situatie in Turkije met betrekking tot leden en aanhangers van de Kaplanbeweging bestaat er voor eiser als (voormalig) lid en bij de Turkse autoriteiten bekende aanhanger van een verboden beweging een “real risk” op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM. Het lidmaatschap van de Kaplanbeweging van eiser is al een bijzonder kenmerk dat hem onderscheidt van anderen. Van eiser kan in deze situatie niet worden verwacht dat hij daarbij nog meer concrete feiten aanvoert.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende daadkrachtig gemotiveerd waarom eiser niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hem bij terugkeer naar Turkije een behandeling wacht die in strijd is met artikel 3 EVRM. (…)”

3. In een individueel ambtsbericht van 11 december 2007 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot het asielverzoek van eiser, staat onder meer vermeld dat eiser wordt gezocht door de politie. Pas indien betrokkene in Turkije wordt opgespoord zal zijn zaak aan een Officier van Justitie worden toegewezen en kan een proces tegen hem worden opgestart. Eiser wordt beschuldigd van lidmaatschap van de verboden radicale islamitische ICCB (Unie van Islamitische Verenigingen en Gemeenten, ofwel de Kaplanbeweging) en van activiteiten die namens deze in het buitenland tegen Turkije zijn verricht. Deze organisatie wordt als een gewapende organisatie aangemerkt, wat door de Turkse Hoge Raad is bevestigd. Dit betekent dat eiser en andere leden van deze organisatie krachtens artikel 314 van het Turkse Wetboek van Strafrecht strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Afhankelijk van de bewijzen die tijdens de berechting aan de orde kunnen komen, kan betrokkene krachtens genoemd wetsartikel een straf worden opgelegd van maximaal zes jaar en drie maanden of worden vrijgesproken. De veroordeling in Duitsland is bekend bij de Turkse autoriteiten. Eiser wordt niet in het strafproces in Turkije tegen Metin Kaplan met naam genoemd, zijn naam wordt echter wel genoemd met betrekking tot de Kaplanbeweging als zijnde lid en één van de organisatoren van de beweging in Duitsland.

3. Standpunten partijen

1. Verweerder stelt zich - zakelijk weergegeven - op het volgende standpunt.

Op grond van eisers verklaringen en de informatie uit het individueel ambtsbericht acht verweerder het aannemelijk dat de rol van eiser binnen de Kaplanbeweging bekend is bij de Turkse autoriteiten, alsmede dat eiser bij terugkeer naar Turkije in staat van beschuldiging zal worden gesteld wegens het ondersteunen van een gewapende organisatie. De stelling van eiser dat hij in Turkije zal worden veroordeeld tot de doodstraf acht verweerder echter, gelet op de informatie in dit ambtsbericht, niet geloofwaardig.

Verweerder neemt aan dat eiser te vrezen heeft voor strafvervolging wegens verdenking van het plegen van een commuun delict, te weten lidmaatschap van en activiteiten voor een verboden organisatie, maar acht niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden onderworpen aan vluchtelingrechtelijke vervolging. De strafbepaling op grond waarvan eiser strafrechtelijk zal worden vervolgd kan niet worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Gelet op het gewelddadige karakter van de Kaplanbeweging, met als doel het ontwrichten van de Turkse staat, afgezet tegen het belang van de Turkse autoriteiten dat is gediend met het bewaren van de openbare orde teneinde burgers te beschermen tegen geweld, hebben de Turkse autoriteiten legitieme redenen om de Kaplanbeweging tot een verboden gewapende organisatie te verklaren en de leden ervan strafrechtelijk te vervolgen. Als vooraanstaand aanhanger neemt verweerder aan dat eiser niet alleen staat achter de doelstellingen maar tevens achter de gewelddadige middelen van deze beweging. Dat eiser geweld niet schuwt blijkt ook uit de veroordeling in Duitsland wegens het oproepen tot moord. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser, als orthodox moslim, voor hetzelfde strafbare feit anders wordt gestraft dan anderen, noch dat er sprake is van een situatie waarin een algemene openbare ordebepaling enkel wordt toegepast ten aanzien van een bepaalde categorie personen.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De informatie waarop de rechtbank zich in de uitspraak van 12 april 2007 heeft gebaseerd is inmiddels gedateerd en de beschreven situatie komt niet langer overeen met de huidige situatie in Turkije. Uit recente publicaties van diverse vooraanstaande instellingen en organisaties blijkt dat de mensenrechtensituatie in Turkije is verbeterd. Bij de beoordeling van een asielaanvraag dient de situatie te worden beoordeeld naar de stand van zaken op het moment dat de beslissing wordt genomen, aldus verweerder.

2. Eiser voert - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aan.

Verweerder miskent dat het eisers overtuiging is dat de doelstelling van de Kaplanbeweging op vreedzame wijze bewerkstelligd moet worden. De vervolging van eiser heeft derhalve enkel betrekking op zijn religieuze overtuiging. Het feit waarvoor eiser in Duitsland is veroordeeld is naar Nederlands recht niet meer dan opruiing. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Turkije daarom niet alleen strafrechtelijk, maar ook vluchtelingrechtelijk zal worden vervolgd.

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op een behandeling die een schending oplevert van artikel 3 van het EVRM. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft reeds onherroepelijk beslecht dat er sprake is van een dergelijk risico, zodat het bestreden besluit in strijd is met deze uitspraak.

Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet op grond van artikel 44 van de Vw 2000 heeft beoordeeld of eiser op de datum van de aanvraag of nadien aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voldeed, maar zich heeft beperkt tot een beoordeling van de situatie op dit moment. Nu eiser in ieder geval op het moment van zijn aanvraag en op het moment van het door deze uitspraak vernietigde besluit een dergelijk risico liep, had hij vanaf drie jaar na de datum van zijn aanvraag, te weten in december 2004, recht op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser voert meer subsidiair aan dat uit verschillende recente rapportages blijkt dat juist sprake is van een verslechtering van de mensenrechtensituatie in Turkije. Er is sprake van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht en verweerder trekt bovendien te vergaande conclusies uit dit ambtsbericht. Ter illustratie van het risico dat eiser loopt overlegt eiser twee minuten met betrekking tot de risico’s die actieve Koerden, een groep die voor dit doel kan worden vergeleken met leden van de Kaplanbeweging, lopen. Tot slot stelt eiser dat er sprake is van een overschrijding van de wettelijke beslistermijnen, op grond waarvan eiser de rechtbank verzoekt verweerder te veroordelen tot vergoeding van de als gevolg hiervan geleden immateriële schade.

4. Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2. In artikel 28, tweede lid, van de Vw 2000, zoals dit luidde ten tijde van de aanvraag van eiser, is bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste drie achtereenvolgende jaren.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan – voor zover hier van belang – een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

4. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5. Artikel 32, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur kan worden afgewezen indien:

a. de vreemdeling onjuiste gegevens dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;

b. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

c. de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen;

d. de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

6. Ingevolge artikel 33, aanhef en onder a, van de Vw 2000, is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

7. Artikel 34 van de Vw 2000, zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag van eiser, bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, slechts kan worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

8. Artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

9. Ingevolge artikel 3.105 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, zoals dit luidde ten tijde van de aanvraag van eiser, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, verleend voor drie jaar, tenzij bij dit besluit gevallen zijn aangewezen waarin de verblijfsvergunning wordt verleend voor minder dan drie achtereenvolgende jaren.

10. Paragraaf C21/1.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“Overgangsregeling

Het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de duur van vijf jaar geldt voor aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend op en na de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging (1 september 2004). Voor aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd welke zijn ingediend vóór 1 september 2004 blijft het oude recht gelden, volgens hetwelk de verblijfsvergunning wordt verleend voor drie jaren. In die gevallen dient, waar vijf jaren staat, steeds drie jaren te worden gelezen.”

11. Paragraaf C21/2.1 van de Vc 2000 luidt - voor zover van belang - als volgt :

“In het geval de totale asielprocedure meer dan vijf jaar in beslag heeft genomen en alsnog wordt besloten tot inwilliging van de aanvraag, wordt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend die, indien de vreemdeling aan de voorwaarden daarvoor voldoet, wordt omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.”

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de weigering eiser een vergunning als verdragsvluchteling te verlenen

12. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser lid is van een beweging die streeft naar het bereiken van de Kalifaatstaat door middel van gewelddadige omverwerping van het seculiere staatsbestel in Turkije. Dat eiser stelt zelf onderscheid te maken tussen het doel en de gewelddadige middelen waarmee deze beweging dit doel wil bereiken en stelt afstand te

nemen van de gewelddadige middelen, doet niet af aan het feit dat eiser de beweging desondanks is blijven ondersteunen. Gelet hierop en gelet op het feit dat eiser in Duitsland is veroordeeld voor een delict dat naar Nederlands recht wordt gekwalificeerd als opruiing tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, heeft verweerder in redelijkheid zijn gestelde vredelievendheid in twijfel kunnen trekken. De rechtbank volgt eiser reeds om deze reden niet in zijn betoog dat hij wordt vervolgd omwille van zijn religieuze overtuiging en dat er derhalve sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gevreesde strafrechtelijke vervolging van eiser in Turkije, gelet op de gewelddadige middelen waarmee de Kaplanbeweging zijn doelstelling wil bereiken, een vervolging is in verband met een commuun delict.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de weigering eiser een vergunning op grond van artikel 3 van het EVRM te verlenen

13. Zoals deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 12 april 2007 heeft overwogen, bestaat er, gelet op de algemene situatie in Turkije met betrekking tot leden en aanhangers van de Kaplanbeweging, voor eiser, als (voormalig) lid en bij de Turkse autoriteiten bekende aanhanger van een verboden beweging, een “real risk” op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, diende het besluit van 13 juni 2008 te worden genomen in overeenstemming met hetgeen de rechtbank in die uitspraak heeft geoordeeld. Verweerder was aldus gehouden om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag, met inachtneming van de rechtsoordelen welke aan de in die uitspraak neergelegde vernietiging van het eerdere besluit ten grondslag zijn gelegd. Uit de uitspraak van 12 april 2007 volgt dat verweerder eiser in het eerste bestreden besluit ten onrechte een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 3 van het EVRM (artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000) heeft onthouden.

14. Op grond van artikel 44 van de Vw 2000 heeft eiser met ingang van de datum waarop hij heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen, recht op verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. In de uitspraak van

12 april 2007 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, is geoordeeld dat, gelet op de algemene situatie in Turkije met betrekking tot leden en aanhangers van de Kaplanbeweging, waarvoor de rechtbank verwijst naar een rapport van Amnesty International van 31 juli 2005 en het algemeen ambtsbericht Turkije van november 2003, er voor eiser als (voormalig) lid en bij de Turkse autoriteiten bekende aanhanger van een verboden beweging een “real risk” bestaat op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank constateert dat de in deze uitspraak aangehaalde informatie uit het algemeen ambtsbericht van november 2003 ook te vinden is in het algemeen ambtsbericht van januari 2002 (DPV/AM-740430), dat ziet op de periode waarin eiser zijn aanvraag heeft ingediend. Immers, ook hierin wordt vermeld dat, bij verdenking van activiteiten voor de PKK of andere verboden organisaties, de kans bestaat dat het na de overdracht aan de anti-terreureenheid van de politie aldaar komt tot mishandeling of foltering. Verweerder heeft zich ook niet op het standpunt gesteld dat deze gevaarlijke situatie pas na de aanvraag zou zijn ontstaan. Verweerder heeft enkel betoogd dat de situatie in Turkije na voornoemde uitspraak zou zijn verbeterd. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verweerder eiser ten onrechte een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met als ingangsdatum de datum van de aanvraag van eiser, heeft onthouden.

15. Verweerder had eiser daarom, met inachtneming van de rechtsoordelen in de uitspraak van 12 april 2007, een vergunning moeten verstrekken met ingang van de datum van de aanvraag van eiser van 27 december 2001, waarna eiser, na gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf te hebben genoten (vanaf 27 december 2004), een aanvraag had kunnen indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft uitgemaakt in de uitspraak van 24 juni 2008, AWB 07/30472, LJN: BD7250, moet paragraaf C21/2.1 van de Vc 2000 zo worden begrepen dat, indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt ingewilligd nadat de maximale termijn waarvoor die kan worden verleend is verstreken, deze aanvraag tevens wordt opgevat als een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat in de omstandigheden van dit geval eiser tevens een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft ingediend. Deze aanvraag kon door verweerder op grond van het toenmalige artikel 34, eerste lid, van de Vw 2000 slechts worden afgewezen als zich een grond als bedoeld in artikel 32 van de Vw 2000 voordoet (de intrekkingsgronden). Nu verweerder ter zitting heeft aangegeven niet bekend te zijn met dergelijke intrekkingsgronden, was verweerder ten tijde van het bestreden besluit gehouden deze verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen.

16. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu geen andere beslissing mogelijk is zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en bepalen dat verweerder de door eiser verzochte verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 dient te verlenen met ingang van 27 december 2001 en dat verweerder aan eiser op grond van artikel 33, eerste lid, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd dient te verlenen met ingang van 27 december 2004.

Ten aanzien van de vraag of in de onderhavige zaak de redelijke termijn is overschreden

17. Blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 3 december 2008, nr. 200704652/1, LJN: BG5910, vloeit uit het rechtszekerheidsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag ligt, voort, dat ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen een geschil binnen een redelijke termijn moet worden beslecht en dat bij overschrijding van die termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.

18. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuur en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, LJN: AN6601 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, LJN: AX7382).

19. In zaken die bestaan uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties heeft de AbRS overwogen dat in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de bovengenoemde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen mag niet meer dan drie jaar duren en een vertraging bij één van de behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling (AbRS 24 december 2008, nr. 200802629/1, LJN: BG8294).

20. Vernietiging van een besluit op bezwaar door een rechterlijke instantie die leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, vormt geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen, zo volgt uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 25 maart 2009, 06/5855, LJN: BH9991 en de hiervoor vermelde uitspraak van de AbRS van 24 december 2008. Ook volgt uit deze uitspraken dat de overschrijding van de redelijke termijn in een dergelijk geval in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure één of meerdere keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. In de onderhavige zaak is geen sprake geweest van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, zodat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend.

21. De rechtbank is van oordeel dat in asielzaken zoals deze, waarin geen bezwaarschriftprocedure wordt gevolgd, maar wel een voornemenprocedure, de behandeling van het geschil een aanvang neemt met de indiening van een zienswijze tegen het voornemen tot afwijzing van de aanvraag. In het onderhavige geval is op 25 november 2003 een zienswijze ingediend tegen het voornemen tot afwijzing van de aanvraag en zal het geschil worden beëindigd met de bij deze uitspraak bepaalde verlening van de verblijfsvergunning. De totale duur van de behandeling van het geschil ligt derhalve tussen de vijfeneenhalf en zes jaar.

22. De rechtbank sluit zich voor wat betreft de berekening en de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding aan bij de jurisprudentie van de AbRS en gaat derhalve uit van een vergoeding van een bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven zal worden afgerond. Uitgaande van het vorenstaande en gelet op de totale overschrijding van de redelijke termijn met tweeëneenhalf tot drie jaar (afgerond naar boven in totaal 6 keer een half jaar), wordt het totaal van de schadevergoeding vastgesteld op € 3.000,-. Dit bedrag dient door verweerder aan eiser te worden voldaan.

23. De rechtbank zal verweerder op na te melden wijze in de kosten veroordelen.

5. Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/22431,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 13 juni 2008;

- bepaalt dat verweerder eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te verlenen met ingang van 27 december 2001;

- bepaalt dat verweerder eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd dient te verlenen met ingang van 27 december 2004;

- draagt verweerder op eiser binnen 2 weken in het bezit te stellen van deze verblijfsvergunningen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 juni 2008;

- bepaalt dat verweerder aan eiser dient te vergoeden wegens overschrijding van de redelijke termijn, een bedrag vastgesteld op € 3.000,- (zegge: drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van gehele voldoening;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, en mrs. J.P. Smit en C.I.H. Kerstens-Fockens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.T.P. Scheers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc..: ES

Coll.: SH

D: B

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.