Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9777

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 13387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het COA heeft per 1 maart 2009 een ander beleid ten aanzien van het vergoeden van de kosten van een contra-expertise bij een taalanalyse. Sinds die datum worden de kosten van een zogenoemde eerste fase niet langer als noodzakelijk aangemerkt. De bedoeling was klaarblijkelijk deze beleidswijziging reeds per 1 februari 2009 te hebben laten plaatsvinden. Voorafgaande aan die beleidswijziging is er door de Taalstudio echter een tariefsverhoging per 1 februari 2009 doorgevoerd voor de totale kosten van een contra-expertise eerste en tweede fase. Het Coa heeft besloten die tariefsverhoging niet te betalen. Slechts de kosten van een contra-expertise eerste en tweede fase tot het bedrag van voor die tariefsverhoging heeft het Coa als noodzakelijke kosten aangemerkt. De rechtbank heeft de weigering van het Coa om dat verhoogde tarief voor de aanvraag van de betrokkene in deze zaak – ingediend in de periode van 1 februari 2009 tot 1 maart 2009 - ongemotiveerd geacht en het bestreden besluit vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 09 / 13387

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. [naam gemachtigde],

tegen

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij fax van 15 april 2009 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2009. Bij dit besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres, strekkend tot het vergoeden van de aan het door De Taalstudio laten uitvoeren van een contra-expertise taalanalyse verbonden kosten, deels afgewezen. Bij schrijven van

15 april 2009 heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend.

1.2. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

1.3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

24 september 2009. Aldaar is namens eiseres haar voornoemde gemachtigde verschenen. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA ) is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel kunnen aan het COA taken, als bedoeld in het eerste lid, worden opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

2.2. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA kunnen regels worden gesteld met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3 voornoemd. Krachtens artikel 12 is, voor zover thans relevant, de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) 2005 vastgesteld.

2.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Rva 2005, draagt het COA zorg voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005 bepaalt dat de opvang betaling van buitengewone kosten omvat.

2.4. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 kan een vreemdeling een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid aanhef en onder g, die hij heeft gemaakt. Onder buitengewone kosten worden blijkens het tweede lid van die bepaling verstaan noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald. Buitengewone kosten worden ingevolge het derde lid van artikel 17 slechts betaald voor zover vooraf door het COA aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming. De toestemming wordt blijkens het vierde lid van artikel 14 verleend, voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

2.5. Verweerder heeft bij het bestreden besluit eiseres een vergoeding toegekend ad EUR 1.701,70 (inclusief BTW) in verband met het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse eerste en tweede fase. Die contra-expertise wordt verricht door de Taalstudio. Met ingang van 1 februari 2009 hanteert De Taalstudio blijkens de stukken echter een prijs van EUR 1.740,97 (inclusief BTW) voor het verrichten van een contra-expertise. Blijkens het bestreden besluit wenst het COA echter geen medewerking te verlenen aan die verhoging. In het door verweerder ingediende verweerschrift is dit standpunt nader toegelicht.

2.6. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat de sterke stijging van de kosten per verrichte contra-expertise alsmede het sterk stijgende totale aantal aangevraagde vergoedingen aanleiding zijn geweest om gedachten te ontwikkelen over welke kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise noodzakelijk te achten zijn en over de hoogte van het te vergoeden bedrag. In het vervolg hierop is een aanscherping ingevoerd van de regeling met betrekking tot de vergoeding van de kosten van contra-expertises op taalanalyses. Deze aanscherping komt, kort gezegd aldus verweerder, neer op het verstrekken van een vergoeding voor alleen die kosten die op grond van artikel 17 van het Rva 2005 als noodzakelijk zijn te beschouwen en het stellen van een maximumbedrag.

Kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise zijn noodzakelijke kosten. Aldus het verweerschrift. Kosten die niet samenhangen met de daadwerkelijke kosten zijn echter geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen omdat die niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 17 van de Rva 2005.

2.7. Per 1 maart 2009 heeft het COA als uitvloeisel van het vorenstaande besloten slechts een bedrag van EUR 800,00 (exclusief BTW) te vergoeden omdat , zo begrijpt de rechtbank, slechts die kosten nog langer als redelijkerwijs noodzakelijke kosten worden beschouwd voor het laten verrichten van een contra-expertise. Kennelijk is het COA, zo blijkt uit het verweerschrift, voornemens geweest die beleidswijziging per 1 februari 2009 te laten plaatsvinden, maar is dat niet gelukt. Aangezien De Taalstudio, met wie kennelijk overleg heeft plaatsgevonden over de hoogte van tarieven en wijzigingen van de vergoedingen, per 1 februari 2009 haar tarief wenste te verhogen, zou de beleidswijziging van verweerder in dat geval gelijk zijn gevallen met de tariefsverhoging door De Taalstudio. Vervolgens heeft het COA, nog steeds volgens het verweerschrift, gevonden dat in de periode van 1 februari 2009 tot 1 maart 2009 de nieuwe vergoeding van EUR 800,00 niet toegepast kon worden maar dat het wel redelijk was om voor aanvragen in die periode een vergoeding conform het oude tarief toe te kennen. Nu eiseres verder, ook nadat haar om een opgave van het gewenste vergoedingsbedrag was gevraagd, niet heeft aangegeven voor welk bedrag de vergoeding werd gewenst, heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.

2.8. De rechtbank overweegt als volgt.

2.9. Eiseres heeft blijkens de stukken aangegeven dat er nog geen exact bedrag voor de kosten van de contra-expertise kon worden gegeven omdat pas een opdracht kan worden verstrekt na verkregen toestemming van verweerder. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting aangegeven dat feitelijk gezien slechts via De Taalstudio contra-expertises worden verricht. Anders dan verweerder heeft gesteld, zijn die gemachtigde geen andere instanties bekend die contra-expertises kunnen verrichten en waarbij – kort gezegd – voldoende kwaliteitswaarborgen voorhanden zijn én die ook door de Staatssecretaris van Justitie in asielkwesties worden aanvaard.

2.10. Wat daarvan ook moge zijn, uit de gedingstukken blijkt dat verweerder ter dege op de hoogte is van de tarieven die voor de kosten van een contra-expertise eerste en tweede fase verschuldigd zijn. In zoverre acht de rechtbank het niet aangeven van de exacte hoogte van de gewenste vergoeding voor de zaak van eiseres irrelevant.

2.11. Het nieuwe beleid van verweerder ten aanzien van welke kosten wel en niet noodzakelijk worden geacht is verder met ingang van 1 maart 2009 ingevoerd voor aanvragen van op of na die datum. Aan die wijziging ligt ten grondslag, zo is de rechtbank ambtshalve uit andere zaken bekend, dat de kosten van de zogenoemde eerste fase van een taalanalyse niet meer worden vergoed, omdat die niet langer als noodzakelijk worden gezien. De onderhavige aanvraag dateert echter van 25 februari 2009. Tevens blijkt uit het bestreden besluit en de toelichting door verweerder in het verweerschrift dat in de zaak van eiseres ook de eerste fase nog wordt vergoed. Verweerder wenst echter kennelijk de verhoging per 1 februari 2009 van de tariefstelling voor die eerste en tweede fase niet te betalen.

2.12. Verweerder heeft in dit verband niet meer gesteld dan dat zij dit redelijk acht. Anders dan verweerder, vermag de rechtbank de redelijkheid daarvan echter niet in te zien. Het enkele feit dat verweerder kennelijk niet in staat is geweest een gewenste beleidswijziging per 1 februari 2009 door te voeren, zoals aanvankelijk de bedoeling was, brengt in elk geval niet met zich dat het redelijk is om dan voor een periode dat men het beleid wel had willen wijzigen, maar niet heeft gewijzigd, af te wijken van een tot dan toe bestendig beleid, zijnde dat de kosten vaneen contra-expertise eerste en tweede fase integraal werden vergoed. Relevant is immers slechts de vraag of de bedoelde kosten noodzakelijk zijn of niet. Nu verweerder echter volstrekt niet heeft gemotiveerd waarom voor aanvragen in de periode van 1 februari 2009 tot 1 maart 2009 slechts de kosten van vóór de tariefsverhoging als noodzakelijke kosten worden gezien, terwijl voordien die kosten integraal werden vergoed en ook al eerder tariefswijzingen hebben plaatsgevonden vanwege indexeringen, zoals door de gemachtigde van eiseres onbestreden ter zitting is gesteld, dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit, gelet op het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb, wegens een motiveringsgebrek te worden vernietigd.

2.13. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van EUR 322,= per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

2.14. Met inachtneming van de aan de gemachtigde van eiseres gerichte brief van de griffier van 16 april 2009 en gelet op de omstandigheid dat tot op heden toezending van een toevoeging is uitgebleven, gaat de rechtbank ervan uit dat aan gemachtigde van eiseres geen toevoeging is verstrekt. Derhalve dient het bedrag van de proceskosten aan eiseres te worden vergoed.

2.15. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op EUR 644,= (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2009

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 5 oktober 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.