Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9657

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/492
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door eiser in 2006 van emissiehuis ontvangen vergoeding van schade die eiser in verband met het debacle van een in 2002 gestaakte film-CV heeft geleden, is belastbaar als nagekomen jaarwinst. De schadevergoeding heeft voldoende causaal verband met eisers medegerechtigdheid in het vermogen van de CV. DIt wordt niet anders ingeval het emissiehuis zou zijn tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens de participanten voorafgaande aan de totstandkoming van de CV.

Van overbrenging van de vordering op het emissiehuis naar privé in verband met de staking van de CV in 2002 is geen sprake nu de waarde daarvan bij het staken niet voldoende kon worden bepaald. De ontvangen vergoeding vormt geen stakingswinst omdat de vergoeding niet is ontvangen bij of met de staking van de ondernemening. Ook eisers beroep op het vertrouwens-en het gelijkheidsbeginsel faalt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/7.19 met annotatie van Redactie
FutD 2009-2180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/492 IB/PVV

Uitspraakdatum: 23 september 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

I.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een (nadere) voorlopige aanslag (aanslagnummer [nummer 1]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.111 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.309. Daarnaast heeft verweerder aan eiser voor dat jaar een voorlopige aanslag (aanslagnummer [nummer 2]) inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd.

I.2. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 10 december 2007 de voorlopige aanslagen gehandhaafd.

I.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 17 januari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 18 januari 2008, beroep ingesteld.

I.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

I.5. Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

I.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009.

I.7. Namens eiser zijn daar verschenen mr. [A], bijgestaan door [B] en [C]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [D] en mr. [E].

I.8. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

II FEITEN

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

II.1. Eiser heeft als commanditaire vennoot deel genomen in de commanditaire vennootschap [F] C.V. (hierna: de C.V.). De C.V. is een vennootschap die zich heeft toegelegd op de vervaardiging van een film, te weten: [F].

II.2. Bij de oprichting van de C.V. werd beoogd een commanditair kapitaal in te zamelen van in totaal f. 71.760.000 in participaties van f. 10.0000. Deelname met meerdere participaties was mogelijk. Voor het bijeenbrengen van het commanditair kapitaal trad als emissiehuis [G] N.V. ( hierna; [G]) op. In de tweede helft van 2000 zijn 3.750 participaties geplaatst van f. 10.000.

II.3. Als gevolg van het niet tijdig bijeenkrijgen van de benodigde financiële middelen is de film niet tot stand gekomen. In 2002 is uiteindelijk definitief besloten de productie van de film te beëindigen en de daarmee verbandhoudend activiteiten stil te leggen.

II.4. De Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen [plaats] is namens -onder meer- verweerder als coördinerende inspecteur (hierna: de coördinerende inspecteur) opgetreden en heeft uit dien hoofde met de C.V. een zogenaamde winstvaststellingsovereenkomst gesloten. Als gevolg daarvan heeft de coördinerende inspecteur voor de jaren 2000 tot en met 2002 fiscale jaaropgaven verstrekt waarin de in aanmerking te nemen fiscale winst voor deze jaren waren weergegeven.

II.5. De fiscale jaaropgave voor het jaar 2002 vermeldt onder meer:

"Berekening fiscale winst 2002 bij 1 participatie

tabel 1

II.6. In verband met het afbreken van de activiteiten van de C.V. heeft eiser de Stichting Claim [F] ( hierna: de Stichting) gemachtigd om namens hem op te treden in een procedure tegen [G] om een vergoeding te bewerkstelligen van geleden schade. Het optreden van de Stichting heeft geleid tot het in maart 2006 sluiten van een overeenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

"f) De Stichting meent dat [G] in haar verplichtingen uit haar adviesrelatie voorafgaande aan het aangaan van de commanditaire vennootschap jegens de participanten, is tekortgeschoten en houdt [G] en haar bestuurders voor de gevolgen van dit tekortschieten en van dit debacle voor de Participanten aansprakelijk. Zij heeft daartoe tegen [G] een procedure aangespannen bij de Rechtbank te Amsterdam (hierna: "het geschil").

g) [G] bestrijdt haar aansprakelijkheid, maar is bereid een vergoeding te betalen in het kader van de bestendiging van de klantrelatie met de participanten, mits haar de (eventuele) vorderingen van de Participanten op derden betrokken bij de film "[F]" worden overgedragen.

h) Tussen partijen gevoerd overleg heeft geleid tot een regeling van het geschil in der minne.

i) Partijen wensen de inhoud van deze regeling vast te leggen in deze vaststellingsovereenkomst.

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

(...)

3. [G] zal vervolgens aan ieder van de Participanten van wie op de voet van het bepaalde in artikel 2 het aantal Participaties is vastgesteld, dan wel hun rechtsopvolgers, een vergoeding betalen van € 1.288,- per Participatie, onder de opschortende voorwaarde dat de Participant zijn in Bijlage II bij deze overeenkomst nader omschreven vorderingen overdraagt aan [G]."

In Bijlage II bij de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

o "Door middel van ondertekening van deze overeenkomst draagt ondergetekende over aan [G], welke overdracht [G] hierbij aanvaardt, al zijn/haar vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de investering in het [F]-project, waaronder eventuele aanspraken uit hoofde van wanprestatie of onrechtmatige daad, al dan niet uit hoofde van prospectusaansprakelijkheid, jegens [door [G] te noemen (rechts) personen]. [G] zal de melding ter zake van deze cessie verzorgen aan de schuldenaar . Deze mededelingen geschieden voor rekening en risico van [G]. Indien en voor zover de mededeling om enige reden niet gedaan kan worden of niet effectief blijkt, kan dit leveringsgebrek niet aan de ondergetekende worden tegengeworpen. Ondergetekende heeft geen bezwaar tegen ter handstelling van kopie van deze overeenkomst aan de schuldenaar op zijn verzoek als bewijs van de cessie."

De uitvoering van deze overeenkomst heeft er toe geleid dat [G] aan eiser in 2006 rechtstreeks een schadevergoeding heeft betaald van € 1.288.

III GESCHIL

III.1. In geschil is of de van [G] ontvangen schadevergoeding bij eiser als winst belastbaar is.

III.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.823 alsmede tot vernietiging van de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

III.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

III.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

IV OVERWEGINGEN

IV.1. Partijen hebben gesteld dat verweerder nog geen uitspraak heeft gedaan op het bezwaarschrift gericht tegen de definitieve aanslag voor het onderhavige jaar. Daarom is eiser ontvankelijk in zijn beroep inzake de voorlopige aanslag voor dat jaar. Eiser heeft gesteld dat door de gecoördineerde aanpak de coördinerende inspecteur, in feite zowel de aanslag heeft opgelegd als de uitspraak op het bezwaarschrift heeft gedaan. Omdat verweerder onweersproken heeft gesteld dat de aanslag uitsluitend met behulp van geautomatiseerde hulpmiddelen tot stand is gekomen en dat de coördinerende inspecteur zich strikt heeft beperkt tot het verstrekken van advies, oordeelt de rechtbank dat de uitspraak op het bezwaarschrift door een daartoe bevoegde functionaris en niet in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb, is gedaan.

IV.2. Eiser stelt dat de door [G] betaalde schadevergoeding geheel buiten de C.V. om is ontvangen en is toegekend in verband met de toerekenbare tekortkoming van [G] in het functioneren als emissiehuis. Hij verwijst daarvoor naar de in II.6. vermelde vaststellings- overeenkomst. Daarom kan de schadevergoeding niet worden aangemerkt als winst die hij als medegerechtigde tot het vermogen van de C.V. heeft genoten. Subsidiair stelt eiser dat deze bate is terug te voeren op gebeurtenissen die duidelijk voor de totstandkoming van de C.V. zijn gelegen en als gevolg daarvan buiten zijn optreden als commanditaire vennoot moeten worden geplaatst. Eiser heeft aangeboden de gestelde gang van zaken bij betwisting met getuigenbewijs en documenten te staven.

Verweerder heeft eisers stellingen gemotiveerd weersproken.

IV.3. Artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 luidt:

"Belastbare winst is mede: a. de winst die de belastingplichtige, anders dan als ondernemer of aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen van een ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2);".

Eiser heeft aangevoerd dat de positie van de commanditaire vennoot bij de invoering van de Wet is gewijzigd en dat, als gevolg daarvan doorslaggevend is of de betreffende bate is opgekomen uit de medegerechtigdheid tot het vermogen van de onderneming, in dit geval dus de onderneming van de C.V. Anderzijds kan worden gezegd dat de tekst van de wettelijke bepaling meebrengt dat, nu eiser deelneemt in een commanditaire vennootschap, daarop het ruime winstbegrip van artikel 3.2 van de Wet IB 2001 van toepassing is.

IV.4. Omdat de geciteerde wettelijke bepaling op verschillende wijzen kan worden uitgelegd, kent de rechtbank betekenis toe aan de bedoeling van de wetgever op dit punt. In de Tweede Nota van Wijzigingen, Kamerstukken II 1999/2000, 26, nr. 26 727, nr. 19, pagina 28 is het volgende opgenomen:

"Voorts merken wij op dat, net als onder de jurisprudentie van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de subjectieve onderneming van een medegerechtigde meer kan omvatten dan enkel de directe medegerechtigdheid. Gedacht kan worden aan een door de belastingplichtige - als commanditaire vennoot- binnen het kader van zijn onderneming gegeven borgstelling, bijvoorbeeld ten behoeve van een beherende vennoot. Deze borgstelling kan tot het vermogen van de onderneming van de commanditaire vennoot behoren. Indien de borgstelling dan tot betaling zou leiden, zal de overbrenging van de geldmiddelen vanuit zijn privé-vermogen naar zijn ondernemingsvermogen met het doen van deze betaling als een kapitaalinbreng in zijn onderneming moeten worden aangemerkt. Dit aspect is van belang voor de bepaling van het maximumverlies volgens artikel 3.2.2.1a.".

De rechtbank leidt uit deze passage af dat de wetgever voor ogen heeft gestaan om de in de heffing te betrekken voordelen niet te beperken tot uitsluitend de voordelen uit de medegerechtigdheid tot de commanditaire vennootschap, maar ook de voordelen die daar mee samenhangen. Op grond van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat een beperkte uitleg van de wetsbepaling zoals eiser die voorstaat niet juist is, als gevolg waarvan het voormelde ruime winstbegrip van toepassing is.

IV.5. Het vorenstaande brengt mee dat dient te worden onderzocht of de door eiser ontvangen schadevergoeding voldoende causaal verband heeft met diens medegerechtigdheid in het vermogen van de C.V. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de in II.6. geciteerde passages uit de vaststellingsovereenkomst en de bijlage daarbij kan worden afgeleid dat eiser zijn vorderingen op derden die zijn betrokken bij de totstandkoming van de film [F] aan [G] heeft overgedragen. Reeds om deze reden oordeelt de rechtbank dat voldoende causaal verband bestaat tussen de ontvangen schadevergoeding en eisers medegerechtigdheid in het vermogen van de C.V.

Dit wordt niet anders indien zou komen vast te staan dat [G] is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit haar adviesrelatie jegens de participanten voorafgaande aan hun deelname in de C.V. (vergelijk HR 19 oktober 1955, nr. 12 454, LJN: AY2572).

De rechtbank wijst het in dit verband gedane aanbod om nadere documenten in geding te brengen af, omdat eiser daartoe reeds voldoende in de gelegenheid is gesteld. Ook het getuigenaanbod wijst de rechtbank af omdat eiser het probandum (wat bewezen moet worden) onvoldoende heeft gespecificeerd.

IV.6. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat, in verband met de staking in 2002, zijn vordering op [G] in dat jaar is overgegaan naar zijn privévermogen. Verweerder heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden. De rechtbank oordeelt dat van overbrenging van de vordering op [G] geen sprake kan zijn omdat de waarde daarvan bij het staken van de onderneming niet voldoende kon worden bepaald als gevolg waarvan etikettering van de vordering als privévermogen in strijd komt met de redelijkheid (vergelijk HR 9 november 1960, nr. 14 347, LJN: AX8124). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het, gelet op de destijds door eiser gemaakt keuze als ondernemer te investeren, niet juist is om de onzekere financiële gevolgen daarvan buiten de winstsfeer af te wikkelen.

IV.7. Eiser heeft voorts gesteld dat indien de ontvangen vergoeding als winst moet worden geduid, sprake is van stakingswinst en dat op deze vergoeding het bepaalde in artikel I, onderdeel Da, van de Invoeringswet IB 2001 van toepassing is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de onderneming van de C.V. weliswaar in 2002 is gestaakt, doch dat de ontvangen vergoeding niet het gevolg is van de realisatie van stille reserves of het vrijvallen van fiscale reserves, zodat de vergoeding niet is ontvangen bij of met de staking van de onderneming. De ontvangen vergoeding dient als nagekomen jaarwinst van eiser te worden aangemerkt. Als gevolg hiervan behoeven eisers overige stellingen inzake de stakingswinst geen verdere behandeling.

IV.8. Eiser heeft vervolgens nog gesteld dat verweerder bij hem het rechtens te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat de ontvangen schadevergoeding niet in de heffing zou worden betrokken. Hij heeft daarvoor gewezen op de onder II.5. bedoelde fiscale jaaropgave en heeft gesteld dat het contact met de coördinerende inspecteur heeft geleid tot een toezegging dat de schadevergoeding niet zou worden belast.

De rechtbank is echter van oordeel dat de fiscale jaaropgave niet ziet op de van [G] ontvangen schadevergoeding en dat eiser aan deze opgave niet het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat verweerder het standpunt had ingenomen dat de schadevergoeding van [G] niet tot de belastbare winst behoorde. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser zijn door verweerder weersproken stelling dat tijdens het overleg tussen de coördinerende inspecteur en vertegenwoordigers van de Stichting een toezegging is gedaan niet aannemelijk heeft gemaakt. Derhalve faalt eisers beroep op het vertrouwens- beginsel.

IV.9. Ten slotte heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft gesteld dat door [G] in 2003 aan de participanten in de C.V. een (lagere) schadevergoeding is aangeboden die door een meerderheid van de participanten is geaccepteerd en dat deze schadevergoedingen (hierna: schadevergoedingen 2003) niet in de belastingheffing zijn betrokken. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat heffing achterwege is gebleven en, zo dat al het geval zou zijn, dat dit zou zijn gebaseerd op beleid op dit punt. Hij heeft in dat verband onweersproken gesteld dat renseignering van de in 2006 betaalde schadevergoedingen (hierna: schadevergoedingen 2006) is geschied nadat vertegenwoordigers van de Stichting de coördinerende inspecteur op 13 november 2006 zouden hebben aangekondigd dat zij de ontvangers van de schadevergoedingen 2006 zou adviseren deze niet aan te geven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ontvangers van de schadevergoedingen 2003 en de ontvangers van schadevergoedingen 2006 niet kunnen gelden als gelijke gevallen. Voorts oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder een beleid heeft gevoerd om de schadevergoedingen 2003 niet te belasten. Voorts is gesteld, noch aannemelijk gemaakt dat belastingheffing over de schadevergoedingen 2006 in een meerderheid van de gevallen achterwege is gebleven. De rechtbank wijst er in dat verband op dat de bewijslast met betrekking tot toepassing van het gelijkheidsbeginsel, anders dan eiser veronderstelt, rust op degene die zich op de schending beroept (vergelijk HR 19 januari 1983, LJN: AW9001). Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft.

IV.10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

V PROCESKOSTEN

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

VI BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.P.F. Slijpen en mr. D.J. de Korte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.C. Stroebel.

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.