Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9599

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/6493
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om hem een aanbod te doen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet. Eiser heeft nimmer een asielaanvraag ingediend. Eiser stelt zich – onder meer - op het standpunt dat verweerder in strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) onderscheid maakt tussen vreemdelingen die asiel hebben aangevraagd en vreemdelingen die dat niet hebben gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 november 2008 (JV 2009/13) geschetste redenen voor het relevante onderscheid, tevens dat voor dat onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat als bedoeld in de jurisprudentie over artikel 26 van het IVBPR. Van strijd met dat artikel is dus geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

registratienummer: AWB 09/6493

Datum uitspraak: 8 oktober 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer]

van Marokkaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. A.C.M. Nederveen,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij brief van 6 januari 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om hem een aanbod te doen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (hierna: de Regeling).

Bij brief van 22 januari 2009 heeft eiser verweerder verzocht om toezending van een afschrift van de minuut in het kader van de Regeling.

Bij besluit van 16 februari 2009 is het bezwaar van 6 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit is op 26 februari 2009 beroep ingesteld.

Bij brief van 14 mei 2009, verzonden op 18 mei 2009, is voornoemde beschikking op bezwaar van 16 februari 2009 ingetrokken. Tegelijkertijd is bij besluit van 14 mei 2009, tevens verzonden op 18 mei 2009, het bezwaar van 6 januari 2009 ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 juli 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. Wiering, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. N. Hamzaoui.

De beoordeling

1. Allereerst overweegt de rechtbank dat het besluit van 14 mei 2009 een besluit betreft zoals bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Dat besluit komt niet geheel aan het beroep tegemoet, zodat het onderhavige beroep ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 14 mei 2009.

Met laatstgenoemd besluit moet het besluit van 16 februari 2009 geacht worden te zijn ingetrokken. Met betrekking tot het beroep tegen dat besluit overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat eiser een afzonderlijk belang heeft bij beoordeling van dat besluit. Mitsdien moet het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk worden verklaard. Wel ziet de rechtbank aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

2. Ten aanzien van het besluit van 14 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) overweegt de rechtbank als volgt.

3. Verweerder heeft geweigerd eiser ambtshalve een aanbod te doen op grond van de Regeling en heeft deze beslissing, kort samengevat, gebaseerd op de navolgende overwegingen. Eiser heeft niet aangetoond en niet gebleken is dat hij een asielaanvraag vóór 1 april 2001 heeft ingediend, dan wel dat hij zich reeds vóór 1 april 2001 bij de IND of vreemdelingenpolitie heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat geen sprake is van een relevant onderscheid tussen hem en vreemdelingen, die anders dan hij, voor 1 april 2001 wel om toelating als vluchteling hebben verzocht. De Nederlandse overheid heeft erkend dat de opvang van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend een taak van de overheid is. Deze taak is inmiddels ook in verband met de Europese Unie erkend (richtlijn 2003/9/EG van de Raad van Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten). Een dergelijke verplichting bestaat niet ten aanzien van andere vreemdelingen die geen asielaanvraag hebben ingediend. Verweerder ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Awb. Een beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt evenmin, nu deze bepaling buiten het ambtshalve beoordelingskader van de Regeling valt. Eiser dient op reguliere wijze een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.

4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Verweerder maakt ten onrechte onderscheid tussen vreemdelingen die asiel hebben aangevraagd en vreemdelingen die dat niet hebben gedaan. Eiser heeft lange tijd in onzekerheid verkeerd over de uitkomst van zijn vóór 1 april 2001 ingediende reguliere aanvraag. Er is sprake van willekeur en het maken van een onderscheid dat objectief niet gerechtvaardigd is. De voorwaarde dat sprake moet zijn van een asielaanvraag is in strijd met artikel 94 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 8 van het EVRM (recht op privé-leven). Verwezen wordt naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 4 september 2008 (AWB 09/9919).

Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat het toepassingsgebied van artikel 26 van het IVBPR onbegrensd is en een breder bereik heeft dan artikel 1 van de Grondwet (Gw). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 10 november 2008 (LJN: BG5060) slechts geoordeeld dat het onderscheid niet in strijd is met artikel 1 van de Gw en heeft daarbij veel belang gehecht aan de verplichting van opvang. Echter, velen die nauwelijks dan wel niet zijn opgevangen zijn in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de pardonregeling, zodat de verplichting van opvang niet als een rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid in de zin van artikel 26 van het IVBPR kan gelden. Verwezen wordt naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juni 2001 (JB 2001/184), waarin is geoordeeld dat het gemaakte onderscheid op basis van status niet gerechtvaardigd kon worden geacht.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. In artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is bepaald dat Onze Minister bevoegd is ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen. Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid van dit artikel worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

In artikel 3.17a, aanhef en onder b, Voorschrift Vreemdelingen 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat als beperking bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb 2000 wordt aangewezen de beperking verband houdende met de afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

7. In het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: WBV) 2007/11, thans neergelegd in paragraaf B14/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), is het volgende opgenomen:

“In het Coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV van 7 februari 2007 is besloten om de nalatenschap van de Vw (oud) af te wikkelen. Daartoe is een regeling getroffen waarbij onder voorwaarden een verblijfsvergunning wordt verleend aan vreemdelingen die onder de Vw (oud) een asielaanvraag hebben ingediend en die nog immer in Nederland zijn.

(…) Op grond van deze regeling wordt een vergunning gegeven aan de vreemdeling:

a. wiens eerste asielaanvraag vóór 1 april 2001 is ingediend, dan wel die zich reeds vóór 1 april 2001 bij de IND of vreemdelingenpolitie heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag; (…).”

8. Ingevolge artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet en hebben allen zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale en maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

9. Niet in geschil is dat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend vóór 1 april 2001. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het door verweerder gemaakte onderscheid tussen diegenen die vóór 1 april 2001 om toelating als vluchteling hebben verzocht en diegenen die om toelating hebben verzocht om een andere reden, in strijd is met artikel 26 van het IVBPR.

10. General Comment 18 van het VN-Mensenrechtencomité, aangehaald in de noot onder de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2006 (JV 2006/277) maakt duidelijk dat de vraag of een gemaakt onderscheid discriminatie oplevert, ervan afhangt of ‘‘the criteria for such differentiation are reasonable and objective and if the aim is to achieve a purpose which is legitimate under the Covenant’’. Zoals de Afdeling in die uitspraak heeft geoordeeld moet dus sprake zijn van een redelijke en objectieve rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid, hetgeen ook voortvloeit uit de door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB van 26 juni 2001 waarin wordt gesproken van een ‘toereikende rechtvaardiging’.

11. De Afdeling is in haar uitspraak van 10 november 2008 (JV 2009/13) ingegaan op het onderscheid tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die op andere gronden verzocht hebben om een verblijfsvergunning. De Afdeling heeft daarbij geoordeeld dat, omdat sprake is van een onderscheid in de verantwoordelijkheden die de overheid heeft voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die dat niet hebben gedaan en daarnaast ten aanzien van vreemdelingen behorend tot die eerste groep, die een asielaanvraag hadden ingediend onder de Vreemdelingenwet (oud), problemen waren ontstaan waarvoor een oplossing moest worden gezocht, niet gezegd kan worden dat geen sprake is van een relevant onderscheid.

12. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door de Afdeling geschetste redenen voor het relevante onderscheid, tevens dat voor dat onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat als bedoeld in de jurisprudentie over artikel 26 van het IVBPR. Van strijd met dat artikel is dus geen sprake.

13. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op privé-leven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt getoetst aan artikel 8 EVRM bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de pardonregeling. Toetsing of artikel 8 van het EVRM noopt tot het verlenen van een verblijfsvergunning kan desgewenst plaatsvinden naar aanleiding van een aanvraag tot verblijf voor dat doel. Aldus is de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden gewaarborgd.

14. Ten aanzien van het betoog dat in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende. Met betrekking tot het horen in bezwaar is uitgangspunt de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte algemene regel dat er voor het bestuur een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake indien, aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Het bezwaarschrift bood geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder had moeten verwachten dat tijdens een hoorzitting nog andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht zouden worden die tot gegrondverklaring van het bezwaar hadden kunnen leiden. Verweerder heeft derhalve terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afgezien.

15. Derhalve is het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 14 mei 2009 ongegrond. Voor een verdergaande proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep tegen het besluit van 16 februari 2009 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen het besluit van 14 mei 2009 ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrag van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan eiser;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiser € 145,- te betalen ter vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H.J. Baarsma-Reuchlin, griffier.

de griffier

de rechter

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009

?