Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9597

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/29672 en AWB 09/29674 (Verzoeken) en AWB 09/29670 en AWB 09/29673 (beroepen)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC / Afghanistan / herhaalde asielaanvraag / UNHCR Guidelines van juli 2009 / 15c Definitierichtlijn / beroep gegrond / motiveringsgebrek / rechtsgevolgen in stand laten

Uit het algemeen ambtsbericht van maart 2009 en de Guidelines van de UNHCR van juli 2009 blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan ten opzichte van de eerdere besluiten is verslechterd. Niet op voorhand is uit te sluiten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan de eerdere besluiten in zoverre die zien op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw 2000. Aldus is sprake van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden.

Verweerder is in de bestreden besluiten niet ingegaan op de passages uit het algemeen ambtsbericht en evenmin op de passages uit de Guidelines van de UNHCR. De bestreden besluiten ontberen derhalve een deugdelijke motivering. Besluiten vernietigen. Beroepen gegrond.

Uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Kabul in Afghanistan ten opzichte van de eerdere besluiten is verslechterd. Deze informatie wordt ondersteund door de Guidelines van de UNHCR, waar op bladzijden 41-43 is vermeld:

Afghanistan has experienced a significant worsening and widening of armed conflict related violence in 2008 and into 2009. (…) The conflict has spread from Afghanistan’s southern, south-eastern and eastern regions to areas that had been relatively stable in the recent past, including Kabul’s surrounding central provinces (…). 2008 was the most violent year in Afghanistan since 2001, with 31 percent more incidents than in 2007. (…) In the period January to May 2009 civilian deaths due to the conflict increased by 24 percent from the same period in 2008.”

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat in Afghanistan geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit het algemeen ambtsbericht en uit de Guidelines van de UNHCR weliswaar blijkt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan zorgelijk is, maar dat daaruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Hierbij is van belang dat de UNHCR heeft aangegeven niet in de positie te zijn om specifieke conflictgebieden in Afghanistan aan te wijzen waar sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt een reëel risico te lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 kan derhalve evenmin slagen.

Rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 09/29672 en AWB 09/29674 (verzoeken)

AWB 09/29670 en AWB 09/29673 (beroepen)

Datum uitspraak: 4 september 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer]

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

mede namens hun minderjarige kinderen:

[naam kind], geboren op [geboortedatum],

[naam kind], geboren op [geboortedatum],

[naam kind], geboren op [geboortedatum],

allen van Afghaanse nationaliteit,

verzoekers,

gemachtigde mr. B.A. Palm,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluiten van 17 augustus 2009 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers van 11 augustus 2009 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Deze besluiten zijn bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Ter Apel. Verzoekers hebben daartegen op 17 augustus 2009 beroep ingesteld. Verzoekers is meegedeeld dat zij de behandeling van het beroep niet in Nederland mogen afwachten. Bij verzoekschrift van 17 augustus 2009 hebben verzoekers verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van de verzoeken hebben plaatsgevonden ter zitting van 28 augustus 2009. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van hun gemachtigde, mr. S. Coenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.S. Schoot.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. De toetsing of de aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen, mondt uit in een beoordeling van het naar de gedane aanvraag verrichte onderzoek en de motivering van de afwijzing.

4. Op 1 oktober 2001 hebben verzoekers aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluiten van 2 april 2003 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Die besluiten staan na de uitspraak van de rechtbank van 13 april 2004 in rechte vast.

Onderhavige aanvragen zijn derhalve aanvragen in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

5. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt ingediend.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten en omstandigheden worden vermeld.

6. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:6 van de Awb (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 93-94) ziet die bepaling niet op de situatie dat het recht wordt gewijzigd. Indien het voor de aanvraag relevante recht wordt gewijzigd, kan ook zonder dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een nieuwe aanvraag worden ingediend, die op grond van de dan geldende bepalingen wordt beoordeeld. Hieruit vloeit voort dat een aanvraag waarin een beroep wordt gedaan op wijziging van het recht sinds de beslissing op een eerdere soortgelijke aanvraag, geen herhaalde aanvraag is in de zin van artikel 1, aanhef en onder f van de Vw 2000.

Hieruit volgt dat eerst dient te worden getoetst of sprake is van nieuw recht in die zin dat ten tijde van de in beroep bestreden besluiten ander recht gold dan ten tijde van de eerdere besluiten van 2 april 2003. Eerst wanneer is vastgesteld dat dit niet het geval is, is aan de orde de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

7. Verzoekers hebben zich bij wijze van nieuw recht beroepen op het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn).

Dit beroep kan niet slagen gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 juni 2009 (LJN BI 4791), waarin de Afdeling heeft overwogen dat voormeld artikel 15, aanhef en onder c niet kan worden aangemerkt als een wijziging van het recht.

8. Ter beoordeling staat derhalve of verzoekers aan de onderhavige aanvragen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag hebben gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen ná het nemen van de eerdere besluiten of die niet vóór het nemen van die besluiten konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere besluiten konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de eerdere besluiten en de overwegingen waarop die besluiten rusten.

9. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoekers ter zitting verklaard, dat de kopieën van de paspoorten van verzoekers, de diverse krantenartikelen en internetberichten, de schriftelijke verklaring van FAROE, de familievete en de medische situatie van verzoekster, niet beoogd zijn om als nova in het geding te brengen, zodat in zoverre een rechterlijk oordeel achterwege kan blijven.

10. Verzoekers hebben ter ondersteuning van hun herhaalde aanvraag als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen, doch in ieder geval in de provincie Kabul, is verslechterd ten opzichte van de eerdere besluiten. In dat verband hebben zij een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Verzoekers verwijzen in dit verband onder meer naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (het Hof van Justitie) van 17 februari 2009 in de zaak Elgafaji/Nederland, naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 2009 (het algemeen ambtsbericht) en naar het UNHCR-rapport van juli 2009 getiteld ‘UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of Asylum-Seekers from Afghanistan’ (de Guidelines van de UNHCR).

11. Uit het algemeen ambtsbericht van maart 2009 en de Guidelines van de UNHCR van juli 2009, die beide dateren van na de eerdere besluiten van 2 april 2003, blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan ten opzichte van de eerdere besluiten is verslechterd. Niet op voorhand is uit te sluiten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan de eerdere besluiten in zoverre die zien op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw 2000. Aldus is sprake van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden, zodat de voorzieningenrechter de bestreden besluiten kan toetsen voor zover die zien op de weigering verzoekers op deze gronden een verblijfsvergunning te verlenen.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten niet is ingegaan op de passages uit het algemeen ambtsbericht en evenmin op de passages uit de Guidelines van de UNHCR, waarnaar namens verzoekers reeds in de zienswijze is verwezen. Nu verweerder niet gemotiveerd op de stellingen van verzoekers in de zienswijze is ingegaan, ontberen de bestreden besluiten een deugdelijke motivering. De bestreden besluiten komen op deze grond voor vernietiging in aanmerking. De beroepen dienen gegrond te worden verklaard.

13. De voorzieningenrechter overweegt voorts als volgt.

14. Uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Kabul in Afghanistan ten opzichte van de eerdere besluiten is verslechterd. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar pagina 37, waar wordt vermeld dat de veiligheidssituatie in centraal Afghanistan gedurende de verslagperiode is verslechterd, en naar pagina 38, waar wordt vermeld dat in 2008 de veiligheidssituatie in de provincie Kabul is verslechterd en dat volgens de VN de situatie in de hele provincie thans instabiel is.

Deze informatie wordt ondersteund door de Guidelines van de UNHCR, waar op bladzijden 41-43 is vermeld:

Afghanistan has experienced a significant worsening and widening of armed conflict related violence in 2008 and into 2009. (…) The conflict has spread from Afghanistan’s southern, south-eastern and eastern regions to areas that had been relatively stable in the recent past, including Kabul’s surrounding central provinces (…). 2008 was the most violent year in Afghanistan since 2001, with 31 percent more incidents than in 2007. (…) In the period January to May 2009 civilian deaths due to the conflict increased by 24 percent from the same period in 2008.”

15. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in Afghanistan geen sprake is van een situatie waarin de mate van het willekeurig geweld dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoekers bij terugkeer naar hun land van herkomst, louter door hun aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico lopen slachtoffer te worden van dat willekeurige geweld.

16. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het algemeen ambtsbericht en uit de Guidelines van de UNHCR weliswaar blijkt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan zorgelijk is, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van het door verzoekers gestelde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij, louter door hun aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico lopen op ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat de UNHCR heeft aangegeven niet in de positie te zijn om specifieke conflictgebieden in Afghanistan aan te wijzen waar sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De voorzieningenrechter verwijst naar de Guidelines van de UNHCR, waarin, voor zover hier van belang, het volgende wordt vermeld:

“Due to the fluid and volatile nature of the conflict, lack of comprehensive monitoring and reporting from all conflict areas and variations in terms of numbers of civilian casualties reported, UNHCR is not in a position to designate specific conflict areas of Afghanistan in which there is a serious and indiscriminate threat to the life, physical integrity or freedom of Afghans as a result of generalized violence of events seriously disturbing public order”.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt een reëel risico te lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dit betekent voorts dat het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 evenmin kan slagen.

17. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat op voorhand vaststaat dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, geen besluiten zal nemen met een andere strekking dan de thans bestreden besluiten.

Dit vormt voor de voorzieningenrechter aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand te laten.

18. Op grond van het voorgaande zijn de beroepen gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. De bestreden besluiten zullen worden vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Gelet hierop dienen de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze is als volgt opgebouwd: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift voorlopige voorzieningen, en 1 punt voor de aanwezigheid ter terechtzitting.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de besluiten van 17 augustus 2009;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 322,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan verzoekers;

wijst de verzoeken een voorlopige voorziening te treffen af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Ruinaard, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M. Hietkamp-Jonker, griffier.

de griffier

de voorzieningenrechter?

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2009