Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9049

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/842
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding van extra bestede uren door rechtshulpverlener in bewerkelijke strafzaak zonder voorafgaande toestemming van de Raad voor Rechtsbijstand. Nu de artikelen 22 en 31 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand spreken van een begroting van de extra te besteden uren is het duidelijk dat het gaat om een raming vooraf, die ook vooraf ter beoordeling op noodzaak en doelmatigheid van de rechtshulp aan de Raad moet worden voorgelegd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/842 WRB

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

mr. [A], kantoorhoudende te [plaats 1], eiseres,

en

de Raad voor Rechtsbijstand [plaats 2], verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 22 april 2008 heeft verweerder aan eiseres een toevoeging (met nummer 3FF5908) als bedoeld in artikel 24 van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) verstrekt, die wordt getypeerd als "misdrijven, eerste aanleg enkelvoudig".

Op 21 mei 2008 heeft verweerder eiseres op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) een vergoeding toegekend van € 1.002,60.

Op 8 mei 2008 heeft eiseres verweerder laten weten dat de tijdsbesteding in de zaak uitgaat boven de 24 uren en heeft zij verzocht om uitbreiding van het aantal uren met 120 uren.

Bij besluit van 20 mei 2008 heeft verweerder toestemming verleend voor 50 uren extra (boven de forfaitaire tijdsbesteding) (besluit 1).

Op 24 juli 2008 heeft eiseres verzocht om toekenning van extra uren boven het reeds toegekende aantal van 50 over de tussenliggende periode van 22 mei 2008 tot 25 juli 2008.

Bij besluit van 5 september 2008 is vooralsnog toestemming verleend om met ingang van 25 juli 2008 500 uur aan juridische werkzaamheden aan deze zaak te besteden (besluit 2).

Bij besluit van 5 september 2008 heeft verweerder eiseres, desgevraagd, een aanvullende vergoeding toegekend van € 6.139,80, zijnde 50 x basisbedrag van € 103,19 en haar medegedeeld dat de verrichte werkzaamheden over de periode van 22 mei 2008 tot 25 juli 2008 niet voor vergoeding in aanmerking komen (besluit 3).

Tegen dat besluit alsmede tegen het besluit van 20 mei 2008 is bij brief van 15 september 2008 namens eiseres (voor zover noodzakelijk namens de maatschap) bezwaar gemaakt.

Op 12 december 2008 is de gemachtigde van eiseres door de Commissie voor Bezwaar gehoord.

Bij besluit van 17 december 2008, verzonden op 24 december 2008, heeft verweerder het bezwaar van eiseres, voor zover gericht tegen het besluit van 20 mei 2008 (besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover gericht tegen het besluit van 5 september 2008 (besluit 3), ongegrond verklaard, zulks overeenkomstig het advies van de Commissie voor Bezwaar van 12 december 2008. Voorts is het bezwaar, ingediend door de maatschap, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 februari 2009, ingekomen bij de rechtbank op 4 februari 2009, beroep ingesteld. Bij brief van 27 februari 2009 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en bij brief van

29 april 2009 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 19 augustus 2009 ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar kantoorgenoot mr. A.C. van der Bent.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B].

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank staat in dit beroep voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Verweerder heeft naar aanleiding van het aangevoerde in bezwaar tegen het besluit van 5 september 2008 (besluit 3) aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet bepalend is de datum waarop de toestemming voor het besteden van extra uren wordt verleend, maar wel de tijdigheid van het verzoek om toekenning van de extra uren, d.w.z. de aanvraag moet zijn ingediend voordat de extra uren zijn besteed.

3. Eiseres is van mening dat verweerder haar ten onrechte een vergoeding heeft onthouden over de periode van 22 mei 2008 tot 25 juli 2008. Daarbij heeft zij gewezen op het volgende:

a. een voorgaande toestemming is niet noodzakelijk:

- artikel 31, noch artikel 22 van het Bvr bepalen dat slechts die uren voor vergoeding in aanmerking komen waarvoor voorafgaande toestemming is verleend;

- het door verweerder gehanteerde beleid ziet (anders dan in dit concrete geval) op zaken waarin wordt verzocht om uitbreiding van het aantal uren, terwijl daarom niet eerder is verzocht;

- verweerder handelt in strijd met zijn eigen beleid door bij besluit van 5 september 2008 toestemming te verlenen voor extra uren voor de periode van 25 juli 2008 - 5 september 2008 en hieruit blijkt dat voorafgaande toestemming niet noodzakelijk is

b. bovendien is door eiseres wel degelijk voorafgaande toestemming gevraagd:

- namelijk met haar verzoek van 8 mei 2008.

4. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Bvr wordt, indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 6 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits de Raad de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

Artikel 14 van het Bvr bevat een bepaling over de toekenning van punten in strafzaken. In een bijlage is het aantal punten per rechtsterrein of soort zaak opgenomen.

Artikel 22, eerste lid, van het Bvr luidt als volgt:

Indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, wordt voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bureau de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van het Bvr dient de rechtsbijstandverlener na beëindiging van de verlening van de rechtsbijstand bij het bureau een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden.

Artikel 31 van het Bvr luidt als volgt:

1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bureau tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

2. Het bureau stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

3. Nadat de tijd waarmee het bureau heeft ingestemd is verstreken, dient de rechtsbijstandverlener een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de desbetreffende werkzaamheden en kan hij daarbij een begroting indienen met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

De vergoedingscriteria uit bovenvermelde wetsbepalingen zijn nader uitgewerkt in het beleid van de raden voor rechtsbijstand dat is neergelegd in het Handboek Vergoedingen, tweede druk, januari 2006 (hierna: Handboek).

Bladzijde 28 van het Handboek geeft aan dat, wanneer in een procedure de aan rechtsbijstand bestede tijd uitstijgt boven de tijd die gelijk is aan driemaal het aantal punten dat aan de betreffende zaakscategorie is toegekend, of in geval van advies boven de 24 uur, de vergoeding vanaf dat moment per uur wordt vastgesteld, mits van de Raad voorafgaand toekenning van extra uren is verkregen.

Bladzijde 29 van het Handboek geeft aan dat tijd die aan een zaak is besteed, doch waarvoor het verzoek tot toekenning van extra uren vooraf ontbreekt, buiten beschouwing wordt gelaten, zowel bij de vaststelling van de vergoeding als bij de beoordeling van een volgend (aanvullend) verzoek om toekenning van extra uren.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen het bewerkelijke karakter van de zaak niet in geschil is. Het gaat om een megastrafzaak, waarin eiseres haar cliënt bijstaat. Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de vergoeding van de door eiseres opgevoerde 256 (bij brief van eiseres van 14 augustus 2009 gecorrigeerd naar 177) gewerkte uren over de periode 22 mei 2008 tot 25 juli 2008 niet kan worden vastgesteld, nu een voorafgaand verzoek tot toekenning van die uren ontbreekt.

5.1 De rechtbank stelt verder vast dat eiseres tegen verweerders besluit van 20 mei 2008, waarbij haar toestemming is verleend voor 50 extra uren (welk aantal op 22 mei 2008 was bereikt), niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Ter zitting is gebleken dat een tijdig ingediend bezwaar is uitgebleven, omdat de administratie van het kantoor van eiseres de bewuste strafzaak toen nog niet als megazaak heeft ingeschat. Wat daarvan zij, de toekenning van de genoemde 50 extra uren staat thans in rechte vast.

Bij brief van 24 juli 2008, door verweerder ontvangen op 25 juli 2008, heeft eiseres opnieuw verzocht om uitbreiding van het aantal uren. Sedert 25 juli 2008 zijn, zoals uit de gedingstukken en ter zitting is gebleken, door verweerder met het kantoor van eiseres maatwerkafspraken gemaakt, die erin voorzien dat, in verband met het megakarakter van de in geding zijnde strafzaak, declaraties en aanvragen voor extra uren in blokken van 500 uren kan plaatsvinden, terwijl verweerders administratie signaleert wanneer het maximum van de eerder toegekende extra uren in zicht komt.

De in geding zijnde periode wordt aldus bepaald door de data 22 mei 2008 en 25 juli 2008. Het gaat om de door verweerder geweigerde vergoeding van de door eiseres in deze periode extra aan de zaak bestede 177 uren.

5.2 Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat geen voorafgaande toestemming van verweerder voor de besteding van extra uren aan een zaak nodig is. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat noch artikel 31 noch artikel 22 Bvr expliciet bepaalt dat slechts die uren voor vergoeding in aanmerking komen, waarvoor door verweerder voorafgaand toestemming is verleend. Verweerder beroept zich hier op zijn beleid, dat volgens eiseres slechts ziet op situaties waarin niet eerder om uitbreiding van het aantal te besteden uren is verzocht. Eiseres meent dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt welke doeleinden hij met zijn beleid nastreeft noch dat zijn beleid noodzakelijk een effectief is voor het bereiken van die doeleinden. Voorts meent eiseres dat verweerder gebruik had dienen te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, nu verweerders beleid voor eiseres volstrekt onredelijke en onaanvaardbare gevolgen heeft.

Eiseres heeft subsidiair aangevoerd dat, indien voorafgaande toestemming wel vereist is, zij bij haar brief van 8 mei 2008 wel degelijk om toestemming heeft verzocht. Dat verzoek had betrekking op 120 uren, waarvan maar 50 uren zijn toegestaan. Eiseres wijst er daarbij op dat, zoals blijkt uit verweerders besluiten, door hem in feite niet wordt uitgegaan van de voorafgaande toestemming voor het besteden van extra uren. Bepalend is veeleer de datum waarop om toestemming is verzocht. Strikt genomen is immers ook voor de periode 25 juli 2008 tot 5 september 2008 geen sprake van werkzaamheden waarvoor voorafgaand toestemming is verleend. Verweerders primaire besluit, waarin die uren zijn toegekend, dateert immers van 5 september 2008.

5.3 De artikelen 22 en 31 van het Bvr voorzien in een consistente regelingen voor de vergoeding van uren, besteed aan een bewerkelijke strafzaak (verder ook: strafzaak). Is van een dergelijke strafzaak sprake, dan moet de rechtshulpverlener, in afwijking van de in artikel 28 van het Bvr voorziene vergoeding na beëindiging van de verlening van de rechtsbijstand, tussentijds zijn declaratie indienen voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd wordt een begroting overgelegd met betrekking tot de tijdbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Deze begroting wordt beoordeeld op de noodzaak van de nog te verrichten werkzaamheden en de doelmatige verlening van rechtsbijstand. Indien deze beoordeling positief uitvalt, wordt geheel of gedeeltelijk met de begroting ingestemd.

Het moment voor indiening van declaratie en begroting wordt bepaald door het bereiken van driemaal het aantal punten voor de desbetreffende soort strafzaak. Voor de toekenning van extra te besteden uren geldt dan niet langer de forfaitaire vergoeding, maar wordt voor elk uur één punt toegekend.

Deze zelfde procedure geldt, indien na besteding van de eerder toegekende extra uren blijkt dat daarbinnen niet tot afronding van de rechtsbijstand kan worden gekomen en een verdere toekenning van extra uren nodig is.

Nu het begrip "begroting" in artikel 1 van de Wrb en artikel 1 van het Bvr niet wordt gedefinieerd, moet daaraan de betekenis worden gehecht die in het algemene spraakgebruik aan dat begrip toekomt. Het gaat dan in deze concrete situatie om een raming van het aantal nog aan de strafzaak te besteden uren. Het spreekt voor zich dat het daarbij gaat om een vooraf gemaakte inschatting van het noodzakelijke tijdbeslag voor de verdere behandeling van de strafzaak die ook vooraf ter beoordeling aan verweerder moet worden voorgelegd.

De hier gekozen systematiek heeft een dubbele doelstelling:

- verweerder de mogelijkheid te bieden tot beoordeling van noodzaak en doelmatigheid van de voort te zetten rechtsbijstand in - voor zover thans van belang - bewerkelijke strafzaken;

- de rechtshulpverlener eerder te vergoeden voor de reeds verleende rechtshulp en zicht te doen houden op de geraamde verdere rechtsbijstand.

Deze systematiek veronderstelt dat de rechtshulpverlener zelf de urenbesteding in een zaak nauwkeurig bijhoudt en bij het bereiken van de norm van driemaal de forfaitaire vergoeding voor de soort strafzaak in kwestie, neergelegd in artikel 22, eerste lid, van het Bvr, voor het eerst een aanvullende begroting indient.

5.4 De rechtbank is, in het licht van de voorgaande overweging, van oordeel dat reeds uit de tekst van de artikelen 22 en 31 van het Bvr duidelijk blijkt dat in de systematiek van tussen- tijdse declaratie en begroting van de verdere tijdbesteding aan de strafzaak is voorzien in voorafgaande beoordeling van en beslissing over de verdere tijdbesteding aan de zaak. Het moet in strijd met de wettelijke regeling van de gesubsidieerde rechtsbijstand worden geacht, indien een rechtshulpverlener zonder voorafgaande toestemming van verweerder aanspraak zou hebben op vergoeding van meer bestede uren boven de forfaitaire vergoeding per soort zaak zonder voorafgaande beoordeling als in de aangehaalde bepalingen voor bewerkelijke strafzaken voorzien.

Dat verweerder om praktische redenen uitgaat van de datum waarop het verzoek om toekenning van extra uren bij hem is ontvangen acht de rechtbank niet in strijd met de wettelijke systematiek. Door deze benadering worden aanvragende rechtshulpverleners immers niet benadeeld, maar naar de bedoeling van de systematiek, behoudens de inhoudelijke beoordeling van hun aanvraag, zoveel mogelijk gefaciliteerd.

Al hetgeen overigens door eiseres is aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit op goede gronden tot de slotsom is gekomen dat noch de Wrb, noch het Bvr steun biedt voor vergoeding van de door eiseres gemaakte kosten in de periode 22 mei 2008 tot 25 juli 2008 zonder voorafgaand door verweerder goedgekeurde begroting tot de gewerkte extra uren, zoals door haar verzocht. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.W.H.B. Sentrop, in tegenwoordigheid van de griffier H. Pop.

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.