Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9028

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
AWB 07/4796
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1052, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Landbouwvrijstelling. Eiser verkoopt zijn tuinbouwbedrijf, bestaande uit grond en opstallen, en betaalt een gouden handdruk aan een werknemer die daarvoor moest worden ontslagen. De inspecteur stelt dat de gouden handdruk in aanmerking moet worden genomen bij het vaststellen van de landbouwvrijstelling. De rechtbank oordeelt dat de gouden handdruk onmiskenbaar een negatief bestanddeel is van de directe opbrengstwaarde van het bedrijf als geheel, maar niet van de directe opbrengstwaarde van de grond. De gouden handdruk vertegenwoordigt geen waardeverandering van de grond en dient daarom bij de bepaling van het bedrag van de landbouwvrijstelling buiten beschouwing te worden gelaten. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/63.1.3
FutD 2009-2100
NTFR 2009/2323 met annotatie van Mr. J.A.G. van Es
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07/4796 IB/PVV

Uitspraakdatum: 14 september 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna; IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.160,-.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 juni 2007 de aanslag verminderd tot een, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.174,-.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 17 augustus 2007, ontvangen bij de rechtbank op 20 augustus 2007, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2009 te 's-Gravenhage.

Namens eiser is drs. [A] daar verschenen, bijgestaan door [B] en [C]. Namens verweerder is [D] verschenen, bijgestaan door [E].

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.6 Eiser is gehuwd met [Y]. Eiser en zijn echtgenote waren in 2004 de maten van de maatschap [XY] (hierna: de Maatschap). De Maatschap was in 2004 de beherende vennoot in de commanditaire vennootschap [X] C.V. (hierna: de CV). De CV exploiteerde een tuinbouwbedrijf met 14.288 m² grond met daarop 11.853 m² glasopstanden. De teelt bestond uit chrysanten, euphorbia's en zonnebloemen.

1.7 In 2004 heeft de CV alle grond en opstallen van het bedrijf verkocht. Tengevolge van deze verkoop is het tuinbouwbedrijf gestaakt, daarbij heeft de CV, na aftrek van kosten, een stakingswinst behaald van in totaal € 785.573,-, waarvan € 750.571,- kan worden toegerekend aan de grond en € 35.002, aan de opstallen en de inventaris.

1.8 Voor de heffing van IB heeft eiser voor het jaar 2004 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 28.160. In dit inkomen is onder meer de in 1.7 genoemde stakingswinst begrepen. Daarbij heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de stakingswinst, voor zover die is toe te rekenen aan de grond en voor zover dat gedeelte uitgaat boven de vrijval van een vervangingsreserve van € 189.778,- onder de landbouwvrijstelling valt. Eiser heeft daarom een vrijstelling geclaimd van € 560.793,-, welk bedrag als volgt kan worden gespecificeerd:

tabel 1

1.9 Op 6 juni 2006 heeft verweerder een rapport uitgebracht van een boekenonderzoek dat hij bij de CV heeft doen uitvoeren. Doel van het onderzoek was de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en loonbelasting van de CV en de aangiften IB voor de jaren 2002 tot en met 2004 van eiser en zijn echtgenote. Paragraaf 2.4 van dit controlerapport luidt als volgt:

"In het jaar 2004 is een gouden handdruk verstrekt ad. € 50.000 aan werknemer [E] i.v.m. staking van het bedrijf.

Deze uitkering dient aan de transactie toegerekend te worden.

Deze transactie geeft een onbelaste winst.

Winstcorrectie 2004 € 50.000

[X] € 25.000

[Y] € 25.000"

1.10 De uitkomsten van het 1.9 vermelde boekenonderzoek waren voor verweerder aanleiding van de door eiser ingediende aangifte af te wijken. Verweerder heeft de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.160,-, welk bedrag als volgt kan worden gespecificeerd:

tabel 2

1.11Na daartegen door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder de aanslag verminderd tot een, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.174,-, welk bedrag als volgt kan worden gespecificeerd:

tabel 3

Geschil

1.12.1In geschil is of de aan de werknemer uitgekeerde gouden handdruk voor een deel moet worden toegerekend aan dat gedeelte van de stakingswinst dat onder de landbouwvrijstelling valt en mitsdien op het vrij te stellen bedrag in mindering moet worden gebracht, wat verweerder stelt en eiseres bestrijdt.

1.12.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de gouden handdruk aan eiser en zijn echtgenote ieder voor de helft moet worden toegerekend. Ook is niet in geschil dat, als moet worden geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van eiser is, het aangegeven belastbare inkomen daardoor met € 8.923,- moet worden verminderd. De andere in 1.11 vermelde correcties zijn evenmin in geschil.

1.13 Ter motivering van zijn standpunt heeft eiser - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

- gouden handdrukken worden ook toegekend als werknemers worden ontslagen om andere redenen dan het staken van de onderneming. In een dergelijk geval is de gouden handdruk geheel aftrekbaar. Het is in strijdt met het gelijkheidsbeginsel en de redelijkheid en billijkheid dat een gouden handdruk die op een eerder moment wordt toegekend geheel aftrekbaar is en een gouden handdruk die samenvalt met de verkoop van grond niet;

- de gouden handdruk behoort tot de personeelskosten die zijn gemaakt voor de teelt en verkoop van bloemen en staan dus niet in verband met de bij de staking behaalde vrijgestelde winst, maar met in de voorbije jaren behaalde en belaste winst;

- de landbouwvrijstelling ziet op de waardeverandering van gronden, terwijl de gouden handdruk ziet op het schadeloosstellen van een ontslagen werknemer.

1.14 Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken en - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

- de gouden handdruk is een rechtstreeks gevolg van het staken van de onderneming en behoort daarom tot de stakingswinst. Omdat de stakingswinst voor een deel is vrijgesteld, dient de gouden handdruk voor evenredig gedeelte aan het vrijgestelde gedeelte van de stakingswinst te worden toegerekend;

- het staken van de onderneming, met het toekennen van de gouden handdruk, heeft geleid tot een verkoopopbrengst van de grond die voor een deel onder de landbouwvrijstelling valt. Omdat de landbouwvrijstelling geen bruto vrijstelling, maar een netto vrijstelling is, moet het deel van de gouden handdruk dat is toe te rekenen aan de verkoop van de grond, op de vrijstelling in mindering worden gebracht.

1.15 Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.251,- (€ 37.174,- -/- € 8.923,-).

1.16 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

II OVERWEGINGEN

2.1Op grond van artikel 3.12, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) behoren voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden niet tot de winst, voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf. De in dit artikellid bedoelde waardeveranderingen zijn de veranderingen van de waarde in het economische verkeer bij (voortgezette) agrarische bestemming (hierna: WEVAB). De WEVAB is de waarde die bij aanbieding ten verkoop op de voor de grond meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde, die voornemens is de grond in het kader van een landbouwbedrijf te gebruiken, voor de grond zou zijn betaald.

2.2 Uit de gedingstukken en uit hetgeen partijen voor het overige over en weer hebben aangevoerd, kan, naar het oordeel van de rechtbank, geen andere conclusie worden getrokken dan dat de gouden handdruk een direct gevolg is van het staken van de onderneming. De gouden handdruk dient daarom te worden aangemerkt als behorend tot de winst die met het staken van de onderneming is behaald. Dat wil echter nog niet zeggen dat de gouden handdruk om die reden voor een deel moet worden toegerekend aan dat gedeelte van de stakingswinst dat onder de landbouwvrijstelling valt. Uit de tekst van artikel 3.12, eerste lid, van de Wet, blijkt dat die bepaling strekt tot het vrijstellen van voordelen die de in dat artikellid genoemde kenmerken hebben. De omstandigheden waaronder die voordelen worden behaald zijn niet belang. Voor de toepasselijkheid van de landbouwvrijstelling is dus wel van belang of en in hoeverre een voordeel bestaat uit waardeveranderingen gronden, maar is niet van belang of dat voordeel is behaald tijdens de normale gang van de onderneming of ter gelegenheid van de gehele of gedeeltelijke staking daarvan. Wel is de landbouwvrijstelling - verweerder heeft daar terecht ook op gewezen - een netto vrijstelling. Dit houdt in dat bij het bepalen van het bedrag dat onder de landbouwvrijstelling valt, rekening moet worden gehouden met de op het in aanmerking te nemen voordeel drukkende kosten, dat wil zeggen alleen voor de kosten die bij de vervreemding van landbouwgrond onver-mijdbaar zijn of daarmee in een zodanig nauw verband staan, dat ze een neerwaarts effect hebben op de directe opbrengstwaarde van de grond.

2.3 De gouden handdruk is - kennelijk - betaald om een werknemer, die in verband met de staking van het bedrijf moest worden ontslagen, schadeloos te stellen. Als zodanig kan de gouden handdruk, naar het oordeel van de rechtbank, bezwaarlijk worden gezien als de realisatie van een waardeverandering van grond. De feiten en omstandigheden van het geval nopen, naar het oordeel van de rechtbank, ook niet tot een ander oordeel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat volgens de akte van levering, die in kopie tot de gedingstukken behoort, de grond is verkocht voor € 895.000,-. Dat deze prijs afwijkt van de WEVAB ten tijde van de verkoop, is gesteld noch gebleken. Bij de verkoopovereenkomst, waarvan de schriftelijke vastlegging eveneens in kopie tot de gedingstukken behoort, was onder meer het volgende overeengekomen:

"Bij [de CV] zijn met betrekking tot het verkochte werknemers met een vast dienst-verband werkzaam. [De CV] zal zelf zorg dragen voor de benodigde ontslagvergunning.

[De CV] vrijwaart de koper dan ook voor alle gevolgen, welke mogelijk voortvloeien uit de werking van artikel 7:662 e.v. van het Burgerlijk Wetboek."

De akte van levering bevat geen ontbindende of opschortende voorwaarde, noch een bepaling tot aanpassing van koopprijs, voor het geval de CV de uit dit beding voortvloeiende verplichting niet of niet volledig zou nakomen. Gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de gouden handdruk onmiskenbaar een negatief bestanddeel is van de directe opbrengstwaarde van het bedrijf als geheel, maar niet van de directe opbrengstwaarde van de grond. De gouden handdruk vertegenwoordigt mitsdien geen waardeverandering van de grond en dient bij de bepaling van het bedrag van de landbouwvrijstelling buiten beschouwing te worden gelaten. Het gelijk is dus aan eiser. Wat eiser heeft aangevoerd aangaande het gelijkheidsbeginsel en de redelijkheid en billijkheid, behoeft daarmee geen bespreking.

2.4 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard, de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd en de aanslag te worden verminder tot een, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € € 28.251,-.

Proceskosten

2.5 De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.251,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39,- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen.

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.