Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ8167

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
AWB 07/8760
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een naheffingsaanslag loonheffing kan aan een BV in oprichting worden opgelegd. Eiseres maakt niet aannemelijk dat identiteitsbewijzen van Poolse werknemers die bij haar in een (fictieve) dienstbetrekking werkzaam zijn geweest in de administratie aanwezig zijn geweest. Verweerder heeft daarom terecht loonheffing nageheven naar het anoniementarief. Eiseres maakt niet aannemelijk dat verweerder zou hebben toegezegd dat de Poolse werknemers als zzp-ers zouden worden aangemerkt. Omdat de Poolse werknemers bij eiseres tegen eenzelfde loon en onder gelijke omstandigheden dezelfde werkzaamheden verrichtten als Duitse arbeidskrachten, kon er bij eiseres redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat zij ook op het loon dat zij aan de Poolse werknemers loonheffing diende in te houden. Daarom is het aan het opzet van eiseres te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven en heeft verweerder eiseres terecht een vergrijpboete opgelegd. Beroep in zoverre gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/8760 LB/PVV

Uitspraakdatum: 6 augustus 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

Uitzendbureau [X] B.V. i.o., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak van 19 januari 2004 tot en met 18 oktober 2004 met dagtekening 28 april 2006 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer: [nummer]) opgelegd van € 156.326, vermeerderd met € 9.640 heffingsrente, alsmede bij beschikking een boete van € 78.163.

1.2. Eiseres heeft tegen voornoemde naheffingsaanslag en boetebeschikking bij brief van 26 mei 2006, ontvangen bij verweerder op 29 mei 2006, bezwaar aangetekend.

1.3. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft op 17 november 2006 een hoorgesprek plaatsgevonden. Op 23 februari 2007 heeft een tweede hoorgesprek plaatsgevonden. Hierbij was een nieuwe gemachtigde, [A], aanwezig.

1.4 Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 oktober 2007 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking verminderd tot € 36.998 respectievelijk € 18.449.

1.5 Eiseres heeft daartegen bij brief van 19 november 2007, ontvangen bij de rechtbank op 21 november 2007, beroep ingesteld.

1.6 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2009 te 's-Gravenhage. Namens eiseres is daar verschenen [A] en namens verweerder is verschenen mr. drs. [B].

1.8 Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan eiseres.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1De activiteiten van eiseres bestaan volgens de opgave in het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 9 december 2004 uit het drijven van een uitzendbureau. Volgens deze opgave wordt de onderneming sinds 29 januari 2004 door eiseres gedreven. [X], geboren op [datum] 1973 te [plaats 1] (Polen), is sinds laatstgenoemde datum geregistreerd als bedrijfsleidster met volledige volmacht.

2.2 Eiseres bemiddelt tussen uit Polen afkomstige arbeidskrachten met Duitse of Poolse nationaliteit en diverse opdrachtgevers in onder meer de agrarische, de vleesverwerkende en de bakkerijsector.

2.3 Eiseres beschikt in ieder geval in september 2004 over een Ondernemersrekening Starters bij ABN Amro Bank te Vlissingen. Deze bankrekening staat op naam van Uitzendbureau [X] B.V. i.o. Op 9 februari 2004 gaat Uitzendbureau [X] B.V. i.o., vertegenwoordigd door mevrouw [X], met ABN Amro Bank te Vlissingen een "overeenkomst verpakt storten/disponeren" aan.

2.4 Op 3 september 2004 sluit [X] Uitzendbureau BV i.o., vertegenwoordigd door mevrouw [X], een huurovereenkomst bedrijfsruimte met [C] Verhuur te [plaats 2].

2.5 Op 5 april 2004 en 15 september 2004 zendt mevrouw [X] facturen aan een inlener, [D] BV te [plaats 2]. De facturen zijn gedrukt op briefpapier dat de naam [X] Uitzendbureau BV i.o. vermeldt.

2.6 Op 12 februari 2004 respectievelijk 2 september 2004 correspondeert mevrouw [X] met (potentiële) opdrachtgevers Uitzendbureau [E] te [plaats 3] en [F] BV te [plaats 4], eveneens op briefpapier dat de naam [X] Uitzendbureau BV i.o. vermeldt.

2.7 Op 1 december 2004 dient mevrouw [X] een op haar naam uitgereikt aangiftebiljet loonbelasting/premie volkszekeringen over het tijdvak van 29 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 in. Onder het kopje "Ruimte voor correcties van naam, adres" vermeldt zij: "[X] uitzendbureau BV i.o., [a-straat 1], [postcode] [Z]". Op dezelfde datum dient zij een eveneens op haar naam uitgereikt aangiftebiljet omzetbelasting over de periode van 29 januari 2004 tot en met 30 september 2004 in. In het blok dat ruimte biedt voor wijzigingen vermeldt zij: "[X] uitzendbureau BV i.o., [a-straat 1], [postcode] [Z]".

2.8 Op 17 februari 2005 heeft verweerder bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffing over het tijdvak van 29 januari 2004 tot en met 31 december 2004.

2.9 De bevindingen hiervan zijn vastgelegd in het controlerapport d.d. 24 maart 2006, opgesteld door [J]. Een afschrift van dit rapport behoort tot de gedingstukken. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

"2.3 Opneming in de administratie Belastingdienst

In het jaar 2004 is belastingplichtige (lees: [X]) een regelmatige bezoeker van de klantendienst van de Belastingdienst kantoor [P]. Bij de klantendienst vraagt belastingplichtige voor Poolse personen sofi-nummers aan. Op 2 juli 2004 vraagt belastingplichtige om inlichtingen voor een vriend, een Poolse man. Deze heeft zich laten inschrijven bij de gemeente. Hij is voornemens om zich te laten inschrijven in het handelsregister van de kamer van koophandel. Deze vriend is voornemens zich te vestigen als zelfstandig ondernemer. Belastingplichtige vraagt om [in]formatie over de juridische problemen die mogelijk kunnen spelen. Aan belastingplichtige wordt meegedeeld dat een Poolse ondernemer, die zich heeft laten inschrijven bij de gemeente, zich kan laten opnemen in het handelsregister van de kamer van koophandel. Verder is belastingplichtige geïnformeerd over het feit dat voor Poolse ondernemers dezelfde criteria worden aangehouden als voor Nederlandse ondernemers. Bij dit bezoek overlegt belastingplichtige een visitekaartje met daarop vermeld:

[X] Uitzendbureau b.v.

[a-straat 1], [postcode] [Z].

(...)

2.4 Verloop en aard van de bedrijfsactiviteiten

Op 14 januari 2005 komt binnen via de Belastingdienst [regio], een opgaaf startende ondernemer ten name van Uitzendbureau [X] B.V. i.o..

Blijkens het bijgevoegde uittreksel uit de kamer van koophandel is Uitzendbureau [X] B.V. i.o. gevestigd op 19 januari 2004 op het adres [a-straat 1] te [Z].

Bestuurder van de B.V. i.o. is [X], geboren [datum] 1973.

De feitelijke uitlening van personeel door het uitzendbureau is (volgens de administratie) gestart ingaande week 15 van 2004.

Vervolgens blijkt uit een recenter uittreksel dat de inschrijving van de onderneming Uitzendbureau [X] B.V. i.o. per 16-09-2004 is opgeheven. De adviseur heeft meegedeeld dat vanaf week 42 van het jaar 2004 [X] Uitzendorganisatie B.V. i.o. (de eenmanszaak) geen enkele activiteit meer verricht en dat ingaande week 43 van het jaar 2004 (18 oktober 2004) alle uitzendactiviteiten zijn voortgezet in [G] Beheer B.V..

(...)

Volgens het ingevulde formulier 'opgave startende ondernemer' bestaan de bedrijfsactiviteiten uit: Bemiddeling, detachering en uitzenden van personeel.

(...)

3.2 Registratie arbeidsuren

Belastingplichtige heeft in de onderhavige periode werknemers in loondienst. Verder heeft belastingplichtige arbeidskrachten die onder dezelfde condities en omstandigheden in naam van belastingplichtige arbeid verrichten bij derden/inleners.

(...)

3.3.1Loonbelastingverklaringen

Belastingplichtige heeft niet van alle werknemers kopie-loonbelastingverklaringen overlegd.

(...)

3.3.2 Identificatieplicht werknemers

Tijdens de controle werden geen kopie-identiteitsbewijzen aangetroffen in de door de adviseur aangereikte administratie. Ondernemer en haar adviseur zijn herhaaldelijk gevraagd de volledige administratie te overleggen.

Op 25 augustus 2005 zijn belastingplichtige en haar adviseur schriftelijk verzocht de volledige administratie, daarbij inbegrepen de kopie-ID-bewijzen, te overleggen.

Op 30 augustus 2005 is aan belastingplichtige, op haar verzoek, uitstel verleend omdat de gestelde termijn te kort was om gevraagde bescheiden bijeen te brengen en te overleggen.

Op 2 september 2005 is een bezoek gebracht aan de adviseur. Hierbij verklaarde hij dat hij niet verwacht dat zijn cliënt een volledige set kopie-ID-bewijzen van alle medewerkers kan overleggen.

Op 23 januari 2006 is belastingplichtige voor de laatste maal verzocht de ontbrekende kopie-ID-bewijzen te overleggen.

Op 27 januari 2006 bericht de adviseur dat zijn cliënt de ID-bewijzen en de LB-verklaring onder haar berusting zijn en dat deze ná 18 februari 2006 zullen worden verstrekt omdat zij eerder niet aanwezig is.

Op 28 januari 2006 doet belastingplichtige aangifte bij de Politie wegens diefstal uit haar woning. Bij de diefstal zijn overeenkomsten met 'ZZP-ers' weggenomen alsmede oude administraties van personeel in loondienst.

Op 20 februari 2006 wordt de Belastingdienst door de adviseur in kennis gesteld van deze diefstal.

(...)

4.2 Tewerkstellingsvergunningen

(...)

Niet gebleken is dat belastingplichtige tewerkstellingsvergunningen heeft aangevraagd voor personen die zijn tewerkgesteld bij de verschillende opdrachtgevers (inleners).

(...)

5.1.1Chronologisch verloop overstap personeel in loondienst naar 'ZZP-ers'

Bij aanvang van de onderneming, april 2004, zijn alle medewerkers, ongeacht hun nationaliteit, aangemerkt als personeel en opgenomen in de loonadministratie.

(...)

Vanaf week 29 zijn er twee soorten medewerkers werkzaam voor belastingplichtige:

-personeel in loondienst die beschikken over een EU-document of een TWV en

-personeel met de status van zelfstandige zonder personeel, met en zonder OB-nummer of inschrijving Kamer van Koophandel.

Na week 29 neemt het aantal medewerkers in loondienst, die beschikken over een Duits paspoort af. Alle nieuw geworven medewerkers beschikken als regel over de Poolse nationaliteit. Alle nieuw geworven medewerkers worden door belastingplichtige aangemerkt als zelfstandige zonder personeel.

(...)

5.3 Conclusies

(...)

In het oog houdend welke belangen er spelen bij de opzet van de administratieve organisatie van belastingplichtige in het voldoende aannemelijk dat er bij de beoogde ZZP-ers geen sprake [is] van reëel zelfstandig ondernemerschap. Aannemelijk is veeleer dat belastingplichtige zich van een "zelfstandigenconstructie" bedient om regelgeving betreffende het recht op vrij verrichten van arbeid te ontgaan.

(...)

Uit vorenstaande feiten, omstandigheden en het onderzoek, (...), blijkt dat de arbeidsverhouding tussen de arbeidskrachten met de status 'ZZP-er' en belastingplichtige aan te merken zijn als een (echte) dienstbetrekking ingevolge artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964.

Meer specifiek merk ik de arbeidsverhouding aan als een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW), meer algemeen als een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 7:610 van het BW.

(...)

Aan alle kenmerken van een dienstbetrekking in de zin van de loonbelastingwetgeving is voldaan. Daarom wordt belastingplichtige aangemerkt als werkgever en inhoudingsplichtige voor alle door haar uitgezonden personeel, met inbegrip van de door haarzelf gekwalificeerde 'ZZP-ers'."

2.10 Bij brief van 10 april 2006 deelt verweerder eiseres mede dat aan haar een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen alsmede een vergrijpboete zal worden opgelegd. Over de in de naheffingsaanslag opgenomen correcties is in deze brief het volgende vermeld:

"De naheffingsaanslag betreft de volgende correcties:

tabel 1

"

(...)

2.11Bij uitspraak op bezwaar d.d. 22 oktober 2007 heeft verweerder de naheffingsaanslag verminderd tot € 36.998. Over de aard en omvang van de gehandhaafde correcties vermeldt de uitspraak op bezwaar het volgende:

(...)

"Recapitulatie correcties

tabel 2

"

(...)

2.12 De gemachtigde van eiseres, de heer [A], was tot 1 februari 2005 als controlemedewerker werkzaam bij de Belastingdienst [regio].

3. Geschil

3.1In geschil is of de naheffingsaanslag en de heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen aan eiseres zijn opgelegd respectievelijk in rekening zijn gebracht. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag aan de juiste (rechts)persoon is opgelegd en of, indien dat het geval is, terecht en volgens het juiste tarief loonheffing is nageheven over het loon dat aan de Poolse arbeidskrachten is betaald. Ten slotte is in geschil of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2 Eiseres stelt zich primair op het standpunt de naheffingsaanslag niet aan haar had mogen worden opgelegd nu het op grond van de wet niet mogelijk is een naheffingsaanslag aan een BV i.o. op te leggen. Subsidiair stelt eiseres dat zij mocht vertrouwen op de mededeling die de heer [A] in zijn hoedanigheid van controleambtenaar van de belastingdienst aan haar heeft gedaan, inhoudende dat de Poolse arbeidskrachten als zelfstandigen zonder personeel (hierna: zzp-ers) zouden worden beschouwd en dat aan hen een VAR-wuo kon worden afgegeven. Meer subsidiair stelt eiseres dat de naheffingsaanslag ten onrechte is berekend met toepassing van het anoniementarief nu zij uiteindelijk van alle zzp-ers een kopie van het identiteitsbewijs heeft aangeleverd. Ten aanzien van de boete stelt eiseres zich op het standpunt dat deze, nu de naheffingsaanslag in de bezwaarfase aanzienlijk is verminderd, dient te vervallen.

3.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat ook aan een BV i.o. een naheffingsaanslag kan worden opgelegd zodat de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd. Voorts stelt verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de belastingdienst vertrouwen is gewekt dat de arbeidskrachten als zzp-ers zouden worden beschouwd. Ten aanzien van de toepassing van het anoniementarief stelt verweerder dat dit terecht is toegepast nu de kopieën van de identiteitsbewijzen van de arbeidskrachten op wie de naheffingsaanslag betrekking heeft niet bij de administratie aanwezig waren. Met betrekking tot de boete stelt verweerder zich op het standpunt dat deze wegens overschrijding van de redelijke termijn ten hoogste met 10% dient te worden verminderd aangezien een gedeelte van de opgelopen vertraging voor rekening van eiseres dient te komen.

3.4 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslag tot op € 6.619 en vernietiging van de boetebeschikking.

3.5 Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, handhaving van de naheffingsaanslag en vermindering van de boetebeschikking met ten hoogste 10%.

4. Beoordeling van het geschil

Schending hoorplicht

4.1Ingevolge artikel 7:5, eerste lid, onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt het horen in de bezwaarfase door een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of door meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest.

4.2 Niet is in geschil dat eiseres in de bezwaarfase is gehoord door een tweetal medewerkers van de belastingdienst van wie er één, de heer [J], betrokken is geweest bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Dit heeft tot gevolg dat het horen mogelijk niet conform de vereisten van artikel 7:5 van de Awb heeft plaatsgevonden. Nu eiseres de rechtbank echter ter zitting heeft verzocht uitspraak te doen over de onderhavige kwestie, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien.

Tenaamstelling naheffingsaanslag

4.3 Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) kan de inspecteur, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting naheffen. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel geschiedt de naheffing bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend.

4.4 Ten aanzien van de primaire stelling van eiseres dat aan een BV in oprichting geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat bij eiseres reeds in de voorperiode werknemers in dienst waren ten aanzien van wie zij inhoudingsplichtig was. Voorts staat vast dat eiseres zich in haar contacten met de bank en de verhuurder van bedrijfsruimte alsmede in contacten met haar opdrachtgevers steeds heeft gepresenteerd als "[X] Uitzendbureau BV i.o." dan wel als "Uitzendbureau [X] BV i.o.". Ook aan verweerder presenteerde eiseres zich als "[X] Uitzendbureau BV i.o.": op de ten name van [X] uitgereikte aangiftebiljetten omzetbelasting en loonbelasting/premie volksverzekeringen is, in de ruimte die bedoeld is voor correcties, als tenaamstelling "[X] Uitzendbureau BV i.o." vermeld. Ingeval een inhoudingsplichtige werkgever zich, zoals in de onderhavige situatie, aanduidt als "BV in oprichting", mogen de aan die werkgever op te leggen naheffingsaanslagen ten name van de "BV in oprichting" worden gesteld (vgl. HR 16 december 1998, 34 419, LJN: AA2578). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan Uitzendbureau [X] BV i.o. is opgelegd. Dat, zoals eiseres heeft gesteld, de onderneming feitelijk werd gedreven door de administrateur van eiseres, de heer [H], maakt dit oordeel, indien eiseres haar stelling op dit punt aannemelijk zou maken, niet anders. Nu de naheffingsaanslag op goede gronden aan Uitzendbureau [X] BV i.o. is opgelegd, is immers niet van belang door wie de onderneming feitelijk werd gedreven. Voor zover eiseres ter zitting bedoeld heeft een getuigenbewijsaanbod te doen, inhoudende dat de heer [H] daarover als getuige kan worden gehoord, gaat de rechtbank daaraan voorbij nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Correcties loonverantwoording en aansluiting uren-loonstaten

4.5 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat tussen partijen geen geschil bestaat over de correcties met betrekking tot de loonverantwoording (€ 1.731) en de aansluiting tussen de uren- en de loonstaten (€ 4.888) en evenmin over de boete voor zover die op deze correcties betrekking heeft.

Arbeidsverhouding Poolse arbeidskrachten

4.6 Vast staat dat eiseres in de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft arbeidskrachten met de Poolse nationaliteit tewerkgesteld heeft zonder dat zij op de aan deze arbeidskrachten betaalde arbeidsbeloningen loonbelasting/premie volksverzekeringen heeft ingehouden. Zoals ter zitting is gebleken is tussen partijen niet (langer) in geschil dat sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking tussen genoemde Poolse arbeidskrachten en eiseres. Het geschil op dit punt beperkt zich thans tot de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat van de zijde van verweerder vertrouwen is gewekt dat deze arbeidskrachten als zzp-ers zouden worden aangemerkt waardoor eiseres op de aan deze arbeidskrachten betaalde arbeidsbeloningen geen loonbelasting/premie volksverzekeringen hoefde in te houden.

4.7 Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de conclusie rechtvaardigt dat door verweerder het vertrouwen is gewekt dat de Poolse arbeidskrachten zouden worden aangemerkt als zzp-ers en dat aan hen een zogenaamde VAR-wuo kon worden afgegeven. Eiseres baseert haar stelling immers uitsluitend op een, door verweerder weersproken, toezegging die haar huidige gemachtigde, de heer [A], destijds in zijn hoedanigheid van controlemedewerker van de Belastingdienst [regio] op dit punt zou hebben gedaan. Dat de heer [A] een dergelijke toezegging heeft gedaan wordt echter door enige andere verklaring noch door enig schriftelijk stuk ondersteund. Met zijn enkele verklaring is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat door verweerder is toegezegd dat op de lonen die aan de Poolse arbeidskrachten werden betaald geen loonbelasting/premie volksverzekeringen hoefde te worden ingehouden.

4.8 Uit de stukken van het geding en de verklaringen van partijen is voorts niet gebleken dat er omtrent de positie van de Poolse arbeidskrachten enig ander contact is geweest tussen eiseres en verweerder waaraan eiseres het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat op de aan de Poolse arbeidskrachten betaalde arbeidsbeloning geen loonbelasting/premie volksverzekeringen hoefde te worden ingehouden. Voor zover bedoeld is te verwijzen naar de onder 2.3 genoemde inlichtingen die in de loop van 2004 door mevrouw [X] bij verweerder zijn ingewonnen, geldt dat deze een zodanig algemeen karakter hebben dat daaraan geen vertrouwen kan worden ontleend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Toepassing anoniementarief

4.9 Ingevolge artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) is de inhoudingsplichtige gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels de identiteit van de werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen. Artikel 66, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bepaalt dat de inhoudingsplichtige voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer, dan wel voor de aanvang van de werkzaamheden de identiteit van de werknemer vast en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie. Ingevolge artikel 26b van de Wet bedraagt de belasting 52 procent van het loon ingeval de identiteit van de werknemer niet is vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet.

4.10 Vast staat dat van de Poolse arbeidskrachten op wie de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft ten tijde van het boekenonderzoek door verweerder geen afschriften van de identiteitsbewijzen bij de loonadministratie van eiseres zijn aangetroffen. Ook daarna zijn deze afschriften, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder daartoe, niet overgelegd. Pas in de beroepsfase zijn de betreffende afschriften als bijlage bij het beroepschrift overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat, nu artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet jo. artikel 66, eerste lid van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 eist dat de identiteit van de werknemer voor aanvang van de werkzaamheden wordt vastgesteld, eiseres met het in de beroepsfase alsnog overleggen van de afschriften van de identiteitsbewijzen niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op grond van de Wet op haar rustten (vgl. Hof Amsterdam, 27 mei 2002, 00/1509, LJN: AE7509). Dat eiseres, zoals zij stelt en verweerder betwist, ten tijde van het boekenonderzoek wel over genoemde afschriften beschikte, maar dat deze bij een inbraak in de woning van mevrouw [X] zijn ontvreemd is niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt de rechtbank dat genoemde inbraak volgens het proces-verbaal van aangifte op 29 of 30 december 2005 heeft plaatsgevonden terwijl verweerder eiseres reeds in augustus 2005, derhalve ruimschoots voordat de inbraak plaatsvond, heeft verzocht de bedoelde afschriften over te leggen. Uit het feit dat eiseres dit, ondanks meerdere verzoeken van verweerder daartoe, niet heeft gedaan leidt de rechtbank af dat eiseres ten tijde van het boekenonderzoek niet over de afschriften beschikte.

Heffingsrente

4.11Ingevolge artikel 30f, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Awr wordt, voor zover hier van belang, heffingsrente berekend indien een naheffingsaanslag loonbelasting wordt vastgesteld vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven, tenzij die naheffingsaanslag het gevolg is van een vrijwillige verbetering van de aangifte, welke wordt gedaan binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. De heffingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag ná het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet (artikel 30f, derde lid, onderdeel b, 2°, van de Awr). Aangezien geen sprake is van een vrijwillige verbetering in voormelde zin, is terecht heffingsrente in rekening gebracht.

Vergrijpboete

4.12 Op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting, die op aangifte moet worden afgedragen, niet dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan verweerder een boete kan opleggen van ten hoogste 100 procent van het niet betaalde bedrag.

4.13 De rechtbank is van oordeel dat eiseres een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij heeft verzuimd - met toepassing van het anoniementarief - loonbelasting/premie volksverzekeringen in te houden op het aan de arbeidskrachten met Poolse nationaliteit betaalde loon. Door onderscheid te maken tussen arbeidskrachten die over de Duitse nationaliteit beschikten en arbeidskrachten die in het bezit waren van de Poolse nationaliteit en eerstgenoemde groep in de loonadministratie op te nemen terwijl laatstgenoemde groep door haar als zzp-ers werd aangemerkt, heeft eiseres zich bediend van een constructie die er slechts op gericht was de verplichtingen die ingevolge de Wet Arbeid Vreemdelingen op haar rustten te ontgaan. Nu de arbeidskrachten met de Poolse nationaliteit echter tegen eenzelfde loon en onder gelijke omstandigheden dezelfde werkzaamheden verrichtten als de arbeidskrachten die over de Duitse nationaliteit beschikten, kon er bij eiseres redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat zij ook op het loon dat zij aan de arbeidskrachten met de Poolse nationaliteit betaalde loonbelasting/premie volksverzekeringen diende in te houden. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook aan het opzet van eiseres te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Dat de naheffingsaanslag in de bezwaarfase aanzienlijk is verminderd doet daaraan niet af. De boete is als gevolg daarvan immers evenredig verminderd. De rechtbank acht een boete van 50% van de verschuldigde belasting dan ook passend en geboden.

4.14 Eiseres stelt ten slotte dat de boete wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel dient te worden vernietigd en verwijst daartoe naar de uitspraak van Rechtbank Arnhem d.d. 2 augustus 2007 (AWB 07/2076, LJN: BB1949). In deze uitspraak wordt in het kader van een voorlopige voorziening geoordeeld dat er, gezien het feit dat de verplichting om voor werknemers met de Poolse nationaliteit over een tewerkstellingsvergunning te beschikken per 1 mei 2007 is vervallen, twijfel bestaat omtrent de rechtmatigheid van de boete die wegens een overtreding van die verplichting die in 2006 heeft plaatsgevonden is opgelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat de situatie in genoemde uitspraak niet vergelijkbaar is met de onderhavige situatie zodat geen sprake is van gelijke gevallen. In de onderhavige procedure gaat het immers om een vergrijpboete die ingevolge artikel 67f van de Awr is opgelegd wegens het niet (geheel) betalen van de verschuldigde belasting terwijl in de procedure voor Rechtbank Arnhem een boete welke was opgelegd wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen aan de orde was. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Redelijke termijn

4.15 De rechtbank overweegt dat voor de berechting van een zaak in eerste aanleg waarbij een fiscale boete in het geding is als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn, als bedoeld in onder meer artikel 6, eerste lid, Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de belastingplichtige een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Wordt de zaak niet binnen een redelijke termijn berecht, dan behoort dit tot gevolg te hebben dat de boete wordt verminderd (vgl. HR 19 december 2008, nr. 42 763, LJN: BD0191).

4.16 Het opleggen van de onderhavige boete is, naar de rechtbank aanneemt, bij eiseres voor het eerst aangekondigd in de brief van verweerder d.d. 10 april 2006. Derhalve kan worden aangenomen dat eiseres vanaf 10 april 2006 of een kort daarna gelegen datum kon verwachten dat verweerder haar de boete zou opleggen, terwijl de rechtbank eerst op 6 augustus 2009 uitspraak doet over de rechtmatigheid van die boete. Weliswaar is, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, naar het oordeel van de rechtbank de vertraging voor een niet te verwaarlozen deel aan (de handelwijze van) eiseres te wijten, doch daarin kan niet een rechtvaardiging worden gevonden voor een zodanig lange duur. Nu ook van overige bijzondere omstandigheden die een dergelijk lange duur voor de berechting van de zaak rechtvaardigen niet is gebleken, moet worden geoordeeld dat de berechting van de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal de boete daarom verminderen met 10% tot op € 16.604 (€ 18.449 minus € 1.845).

5. Proceskosten en griffierecht

Nu het beroep enkel gegrond wordt verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen ongegrond;

-verklaart het beroep met betrekking tot de boetebeschikking gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het betreft de boetebeschikking;

- vermindert de bij beschikking opgelegde boete tot € 16.604 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Vink, mr. I. Obbink-Reijngoud en mr. E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.