Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7959

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/5582 en 08/5615
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwverordening Noordwijk 2004. Bouwvergunning verleend voor watertoren Noordwijk. Geen goede ruimtelijke onderbouwing; motiveringsgebrek wat betreft geluidshinder, parkeergelegenheid en openingstijden. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, enkelvoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 08/5582 WW44 en AWB 08/5615 WW44

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[A], [B], [C], [D] en [E], allen wonende te [plaats 1], eisers,

gemachtigde mr.dr. K. Heede

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, verweerder,

gemachtigde mr. R. Lever.

Derde partij: [F], wonende te [plaats 2] (Frankrijk), vergunninghouder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 15 augustus 2007, verzonden op 22 augustus 2007, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening Noordwijk 2004 aan vergunninghouder een bouwvergunning eerste fase verleend voor het verbouwen van de watertoren aan de Van Hardenbroekweg 18 te Noordwijk aan Zee, kadastraal bekend, gemeente Noordwijk, sectie A, nummer 3871.

Bij besluit van 11 juni 2008, verzonden op 16 juni 2009, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 10 december 2007, het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers [A], [B], [C] en [D] bij brief van 24 juli 2008, ingekomen bij de rechtbank op 25 juli 2008, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 08/5582 WW44. De gronden zijn daarna aangevuld.

Tegen dit besluit heeft eiser [E] bij brief van 25 juli 2008, ingekomen bij de rechtbank op 28 juli 2008, beroep ingesteld, ingekomen onder registratienummer AWB 08/5615 WW44. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn op 4 juni 2009 ter zitting behandeld. Eiser [D] is in persoon verschenen, bijgestaan door [F] en mr. dr. K. Heede, advocaat te Noordwijk.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lever en mr. C.H. Norde, beiden advocaat te Leiden. Vergunninghouder is eveneens in persoon verschenen.

II OVERWEGINGEN

Feiten

1.1. De voormalige watertoren van Noordwijk dateert uit 1917 en heeft een uitkijkruimte op de bovenste verdieping. De watertoren is in 1999 aangewezen als Rijksmonument. Sindsdien is de uitkijkruimte slechts éénmaal per jaar publiekelijk toegankelijk, tijdens de jaarlijkse openstelling van de watertoren op Open Monumentendag.

1.2. De gemeente Noordwijk, sinds februari 2000 eigenaar, heeft een nuttige nieuwe functie gezocht voor de watertoren, omdat het Rijksmonument de functie waarvoor het was ontworpen, heeft verloren. Verweerder heeft in 2002 een ideeënoproep gedaan, en aan de hand van door hem vastgestelde criteria de als gevolg daarvan ingediende plannen beoordeeld. Verweerder had daarbij een voorkeur voor sociaal-maatschappelijke functies, al dan niet in combinatie met een woonfunctie en een beperkte openstelling, en een niet te grote publiekstrekkende functie. Verweerder is van mening dat het door vergunninghouder ingediende plan het beste aan de criteria en de gebruiksvoorkeuren voldoet. Dat bouwplan behelst het creëren van een woning en publieke ruimte in de voormalige watertoren van Noordwijk. Publiekelijk toegankelijk blijft het uitkijkplateau op het zesde en zevende niveau (hoogte 20,10 meter), de expositieruimte op het vijfde niveau (hoogte 14,85 meter) en de traptoren. Op de eerste vier niveaus (hoogte tot 11,85 meter) komt de woning. Voor deze functiewijziging wordt het gevelbeeld gewijzigd: ter hoogte van het waterreservoir, nu een gesloten gevelvlak, worden glaswanden gemaakt en er komt een dubbele deur in de zuidwest gevel. Ook het interieur wordt sterk gewijzigd.

Wettelijk kader en relevant beleid

2.1. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om vrijstelling dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

2.2. Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Wow, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet ingevolge het tweede lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

2.3. In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

2.4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Oude Zeeweg en omgeving". Aan de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, is blijkens de bestemmingsplankaart de bestemming "Nutsgebouwen met bijbehorende erven (BNU)" gegeven. In artikel 20 van de planvoorschriften is bepaald dat de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd zijn voor gebouwen ten dienste van het openbaar nut, zoals transformatorgebouwtjes en een watertoren, met de daarbij behorende andere bouwwerken en tuinen. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten dienste van de bestemming worden opgericht.

2.5. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.6. Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

2.7. Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) beleid vastgesteld (verder: het vrijstellingsbeleid). Dit beleid was ten tijde van belang neergelegd in het besluit van 19 december 2006, kenmerk DRM/ARW/06/12581. Blijkens het vrijstellingsbeleid verlenen GS in een aantal limitatief opgesomde situaties op voorhand een verklaring van geen bezwaar, de zogeheten bijzondere verklaring van geen bezwaar. Deze situaties betreffen, voor zover hier van belang voor het "stedelijk gebied": het bouwen ten behoeve van de woonfunctie (woningen, woonzorgcentra, woonwagens etc.) - inclusief bij die functie behorende bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen (garages, carports, parkeerkelders, zwembaden, etc.) - en het omzetten van bestaande functies naar een woonfunctie, alsmede het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en het omzetten van bestaande functies in functies ten behoeve van voorzieningen van educatieve, medische, recreatieve, sociaal-maatschappelijke en levensbeschouwelijke aard (scholen, sportvoorzieningen, horeca, gezondheidscentra, kerken en dergelijke).

Bestreden besluit en beroepsgronden

3.1. Verweerder heeft vrijstelling van het geldende bestemmingsplan verleend op grond van artikel 19, tweede lid, WRO en met toepassing daarvan bouwvergunning verleend voor het bouwplan. Verweerder is van oordeel dat aan de hiervoor genoemde beleidscriteria voldaan is. Over de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder geoordeeld dat sprake is van een geringe inbreuk op het geldende planologische regime en dat sprake is van een uniek project.

3.2. Eisers wonen aan de [a-straat] en [b-straat], in de directe omgeving van de watertoren. Eisers hebben, kort samengevat en zakelijk weergegeven, bezwaren tegen het bouwplan in verband met privacy-, geluids-, zicht-, licht- en parkeerhinder.

3.3. De rechtbank zal hierna inhoudelijk ingaan op de gronden van het bestreden besluit in het licht van de beroepsgronden.

De beoordeling

4.1. De vrijstelling krachtens artikel 19 WRO

4.1.1. Naar niet in geschil is tussen partijen is zowel de voorgenomen woonfunctie als de expositiefunctie in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Anders dan verweerder meent is het huidige gebruik van het uitkijkgedeelte van de watertoren tijdens de jaarlijkse openstelling op Open Monumentendag ook in strijd met het bestemmingplan. Het gebruik als uitkijktoren is in de jaren '70 van de vorige eeuw beëindigd en eerst sinds 1999 zeer beperkt hervat, namelijk eenmaal per jaar. Bovendien voorziet het bestemmingsplan, dat door de raad van de gemeente Noordwijk is vastgesteld op 24 juni 1975, niet in een gebruiksovergangsrecht. Zelfs als dat wel het geval was geweest, geldt dat het gebruik als uitkijktoren al rond de inwerkingtredingsdatum is beëindigd. Het bouwplan is daarom ook in strijd met het geldende bestemmingsplan waar het voorziet in een structureel gebruik van de toren als uitkijkpunt, ook in de beperkte vorm waarin dit is voorzien, namelijk beperkt tot voornamelijk de weekeinden.

4.1.2. Vanwege de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend. Niet in geschil is dat verweerder voor dit geval zijn bevoegdheid daartoe kon ontlenen aan het vrijstellingsbeleid.

4.1.3. Volgens bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn de aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen minder zwaar, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op de bestaande planologische situatie geringer is. In dit licht overweegt de rechtbank als volgt. Aangezien het bouwplan zowel in strijd is met de doeleindenomschrijving als met de bebouwingsvoorschriften van de ter plaatse geldende bestemming "Nutsgebouwen met bijbehorende erven (BNU)", nu aldaar slechts gebouwen ten dienste van het openbaar nut, zoals de watertoren, zijn toegestaan, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een grote inbreuk op perceelsniveau. Bovendien voorziet het bestemmingsplan niet in gebouwen met een publieke functie op een hoogte van 15 tot 20 meter tussen de omliggende woonhuizen. In zoverre is dus ook sprake van een forse inbreuk op het planologisch regime voor de omgeving. Dit tezamen brengt de rechtbank tot het oordeel dat van een tamelijk zware inbreuk moet worden gesproken. De omstandigheid dat wonen als functie op zichzelf past in het bestemmingsplan, dat immers voor de directe omgeving voorziet in vrijstaande woningen, maakt dit niet wezenlijk anders omdat juist de boven de beoogde woning geprojecteerde publieke functies de zwaarste ruimtelijke effecten op de omgeving hebben. Dat betekent dat tamelijk hoge eisen aan de ruimtelijke onderbouwing worden gesteld. Bij de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder dan ook ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een geringe inbreuk op het geldende planologische regime.

4.1.4. In de ruimtelijke onderbouwing noch in het bestreden besluit is ingegaan op een toekomstige bestemming van het gebied of het perceel, zoals in artikel 19, eerste lid, WRO is voorgeschreven. Slechts heeft verweerder aangevoerd dat het bouwplan door zijn "uniciteit" niet kan worden getoetst aan algemene richtlijnen opgenomen in enig ruimtelijk beleid. Pas in het verweerschrift is gesteld dat het bouwplan past binnen het Beeldkwaliteitsplan Noordwijk aan Zee. Het Beeldkwaliteitsplan vermeldt dat de "Zuidelijke flank (B)" een woongebied is waarbij aan de zeezijde ruimte is voor een commerciële en een publieksfunctie, zodat het bouwplan daarin zou passen. De rechtbank constateert dat dit Beeldkwaliteitsplan op zichzelf geen betrekking heeft op de toekomstige bestemming van het gebied waarin het bouwplan is gelegen. Bovendien heeft verweerder niet gekozen voor een plan dat louter een commerciële/publieksfunctie omvat. Voor het overige is gesteld noch gebleken dat het bouwplan, dat ook een woonfunctie omvat, past in een door de gemeenteraad vastgesteld planologisch document. Er is dus ook geen objectiveerbaar aanknopingspunt dat de watertoren in de toekomst een bestemming zal (kunnen) krijgen die de beoogde woon-, expositie- én uitkijkfunctie toelaat. De enkele stelling van de zijde van verweerder dat herbestemming mogelijk en nodig is, is naar het oordeel van de rechtbank daartoe onvoldoende. Daarmee is immers niet gemotiveerd waarop de nu gekozen herbestemming ruimtelijk inpasbaar is. Voor zover hetgeen is gesteld over de "uniciteit" van het bouwplan, als rechtvaardiging voor het ontbreken van een motivering, oordeelt de rechtbank dat dit argument haar weliswaar feitelijk wel juist voorkomt, maar niet tot het rechtsgevolg kan leiden dat geen goede ruimtelijke onderbouwing gegeven hoeft te worden. De rechtbank vermag niet in te zien dat een bouwplan vanwege de uniciteit niet van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing voorzien zou kunnen worden.

4.1.5. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat, mede gelet op de tamelijk hoge eisen die in dit geval aan de ruimtelijke onderbouwing moeten worden gesteld, het bouwplan niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Het bestreden besluit ontbeert in zoverre een deugdelijke motivering ten aanzien van artikel 19, eerste en tweede lid, WRO in onderlinge samenhang. Het bestreden besluit is dus in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb en de beroepen zijn reeds om die reden gegrond.

4.1.6. De rechtbank betwijfelt of verweerder alsnog een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing aan de verleende vrijstelling ten grondslag kan leggen. Verweerder dient daarom zijn besluitvorming geheel te heroverwegen. Daarom draagt de rechtbank verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog daarop zal de rechtbank ook op andere beroepsgronden ingaan.

4.2. Geluidshinder

4.2.1. Op 30 januari 2008 heeft verweerder, naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 10 december 2007, Peutz bv (verder: Peutz) opdracht gegeven onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting die het gevolg zal zijn van verwezenlijking van het bouwplan, met name van de uitkijkfunctie. Daartoe heeft de Commissie geadviseerd op grond van de overwegingen dat, ondanks het feit dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, de ruimtelijke implicaties met betrekking tot het geluid dat de diverse functies met zich mee zullen brengen, onvoldoende zijn onderbouwd. Daarnaast achtte de Commissie van belang dat het aspect geluid een andere dimensie zal krijgen in de beoogde gebruiksfuncties, met name door de uitkijkfunctie, reden waarom afgewogen dient te worden of het gebruik als uitkijktoren voor het publiek past in de ruimtelijke omgeving.

Op 16 april 2008 heeft Peutz het gevraagde rapport uitgebracht (verder: het geluidrapport). Daarin adviseert Peutz om de geluidemissie van het stemgeluid vanuit de uitkijktoren naar de omliggende woningen te reduceren door binnen het overdekte gedeelte van de uitkijktoren alle wanden en het plafond te bekleden met geluidabsorberend materiaal.

4.2.2. In het bestreden besluit heeft verweerder het advies van Peutz niet opgevolgd. Naar het oordeel van verweerder is de mogelijke geluidsoverlast zo minimaal dat hij in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het verlenen van de vrijstelling, waarmee verweerder kennelijk bedoelt: zonder de door Peutz aanbevolen voorzieningen te verlangen.

4.2.3. Eisers stellen dat zij in strijd met het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb niet in staat zijn gesteld om over het onderzoek te worden gehoord. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 2 augustus 2007, registratienummer 06/4830, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2008, zaaknummer 200706644/1, stellen eisers dat het bestreden besluit reeds om die reden vernietigd dient te worden.

4.2.4. Vaststaat dat het hiervoor genoemde rapport na de hoorzitting en voor het nemen van de beslissing op bezwaar is uitgebracht. Uit het bestreden besluit blijkt dat dit rapport van aanmerkelijk belang is geweest voor de te nemen beslissing op bezwaar. Er blijkt immers uit dat de vrees voor toegenomen geluidshinder van eisers niet ongegrond kan worden geoordeeld en dus alsnog bij de aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag liggende belangenafweging betrokken diende te worden. Uit het beginsel van hoor en wederhoor volgt dat eisers, voordat de beslissing op de bezwaren werd genomen, in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld kennis te nemen van het geluidrapport en daarop desgewenst te reageren. Nu dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:9 van de Awb tot stand gekomen, zodat ook om deze reden het beroep gegrond moet worden verklaard. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanbevolen geluidwerende voorzieningen naar zijn oordeel achterwege kunnen blijven. Het bestreden besluit is in dit opzicht dus ook in strijd met artikel 7:13, zevende lid, Awb.

4.3. Parkeergelegenheid

4.3.1. Op grond van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Noordwijk 2004 moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Ingevolge artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening Noordwijk 2004 zijn burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in het eerste lid indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

4.3.2. Verweerder is op basis van de CROW-normen uitgegaan van een norm van twee parkeerplaatsen per woning, vermeerderd met 14 parkeerplaatsen voor de publieke functies. Verweerder is van mening dat zowel sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin, gelet op de aard van het bouwwerk en het (beperkte) gebruik, alsook dat op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Verweerder leidt uit de door hem in 2006 verrichte tellingen af in de omgeving van de watertoren voldoende ruimte is om de tengevolge van het bouwplan toegenomen parkeerdruk op te vangen. De twee voor de woonfunctie benodigde parkeerplaatsen worden misschien op eigen terrein aangelegd.

4.3.3. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de parkeerdruk in de omgeving van de watertoren zodanig is dat op andere wijze in de benodigde 14 of 16 parkeerplaatsen is voorzien. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door verweerder uitgevoerde verkeerstellingen, mede gelet op de in het dossier aanwezige e-mailberichten van de verkeerskundige van verweerder daaromtrent, onvoldoende zekerheid geven. Deze kunnen ook zo worden gelezen dat er juist niet voldoende parkeergelegenheid is op de tijdstippen waarop de publieke ruimtes van de toren in gebruik zullen zijn, helemaal als de twee voor de woonfunctie benodigde parkeerplaatsen (toch) niet op eigen terrein worden aangelegd. Aan het beperkte gebruik kan dus ook niet de betekenis worden gehecht die verweerder daaraan toekent. Ook staat onvoldoende vast dat op andere wijze dan op het onbebouwde terrein dat bij de watertoren behoort in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Het bestreden besluit is ook in dit opzicht onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

4.4. Nadere voorwaarden omtrent de openingstijden

4.4.1. Eisers hebben aangevoerd dat de door verweerder beoogde beperkingen van de openstelling van de publieke ruimten niet is gewaarborgd.

4.4.2. De openstelling van de expositie- en uitkijkfunctie is in het besluit van 15 augustus 2007 noch in het bestreden besluit gereguleerd. Verweerder heeft de watertoren op 14 april 2003 aan vergunninghouder verkocht. Artikel 16 van de koopovereenkomst, waarin de openstelling van de uitkijk- en expositieruimte is geregeld, bevat een regeling van de frequentie van openstelling en de openingstijden. In de functie als uitkijktoren wordt de watertoren maximaal 52 dagen in het jaar opengesteld: in de periode van april tot en met oktober elke zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur, in de periode van november tot en met maart eenmaal per maand, op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur. Vergunninghouder is verplicht de watertoren voor de expositiefunctie gedurende minimaal 40 dagen per jaar open te stellen. Beide verplichtingen zijn door middel van een kwalitatieve verplichting ook voor opvolgende zakelijk gerechtigden verzekerd.

4.4.3. De rechtbank is van oordeel dat deze privaatrechtelijke regeling geen waarborgen biedt voor derden, waaronder eisers, omdat zij geen rechten kunnen ontlenen aan deze overeenkomst. De rechtbank kan verweerder wel volgen in diens stelling dat artikel 56 van de Wow in de weg staat aan het verbinden van voorwaarden omtrent de openingstelling aan de bouwvergunning. De rechtbank ziet evenwel geen beletsel om dergelijke voorwaarden aan het vrijstellingsbesluit te verbinden. Ook in zoverre is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

4.5. Slotsom

4.5.1. De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 7:9 ,7:12, eerste lid, en 7:13, zevende lid, van de Awb.

4.5.2. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, Awb. De rechtbank zal hiervoor een termijn stellen, rekening houdend met de omstandigheid dat verweerder de bezwaarschriften zorgvuldigheidshalve nogmaals aan de Commissie voor de bezwaarschriften zal voorleggen. Ook moeten eisers desgewenst nog de gelegenheid krijgen om te reageren op het geluidrapport, eventueel door daartegen een contra-expertise over te leggen.

4.5.3. Verweerder wordt in de door eisers gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaken is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een bezwaarschrift, het verschijnen ter hoorzitting, het indienen van twee - nagenoeg - gelijkluidende beroepschriften en het verschijnen ter zitting) 4 punten worden toegekend. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, Awb, dient de gemeente Noordwijk dit bedrag aan eisers te vergoeden.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen veertien weken na het verzenden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Noordwijk aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten €290, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288.

Aldus vastgesteld door mr. J.L. Verbeek, in tegenwoordigheid van de griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.