Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7949

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/5610 en 5167
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Regeling aanmelding en selectie Hoger Onderwijs.

Ook indien de aanstaande student decentraal is geselecteerd, moet worden voldaan aan de vereisten van tijdige inzending van de cijferlijst. Beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nrs.: AWB 09/5610 en 5167 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep van

[A], wonende te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. [B],

ter zake van het besluit van 16 juli 2009 van de Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IBG), verweerster, waarbij het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 7 juli 2009 kennelijk ongegrond is verklaard. Bij besluit van 7 juli 2009 is eiseres medegedeeld dat haar aanmelding voor de opleiding B kunst en economie aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht voor het studiejaar 2009-2010 is ingetrokken.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (AWB 09/5167 BESLU). Voorts heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 09/5610 BESLU).

Het verzoek is op 3 september 2009 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C].

I OVERWEGINGEN

1. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb eveneens te beslissen in de hoofdzaak, nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1 Eiseres heeft zich aangemeld voor de opleiding B kunst en economie aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht voor het studiejaar 2009-2010.

Eiseres heeft in het jaar 2009 de vooropleiding VWO met goed gevolg afgelegd.

2.2 Bij brief van 1 mei 2009 heeft verweerster aan eiseres meegedeeld dat voor de opleiding waarvoor eiseres zich heeft aangemeld moet worden geloot. Voorts is medegedeeld dat de IBG een gewaarmerkte kopie van haar cijferlijst en diploma nodig heeft om haar in de tweede helft van juli 2009 de uitslag van de selectieprocedure te kunnen sturen en dat de IBG (één van) deze documenten nog niet heeft ontvangen. Bij deze brief is verwezen naar de brochure met de titel: "Aanmelden Studie: alles over opleidingen met een loting" (hierna: de brochure) op www.ib-groep.nl.

Eiseres dient volgens de brochure, nu zij dit jaar vwo met profiel examen doet, de gevraagde stukken voor 23 juni 2009 in te zenden.

2.3 Bij brief van 23 juni 2009 heeft verweerster eiseres medegedeeld dat nog geen kopie van zijn cijferlijst, diploma of een ander bewijsstuk van haar voltooide vooropleiding is ontvangen. Daarbij is eiseres verzocht om voor 5 juli 2009 het bedoelde bewijsstuk of de antwoordkaart 'Verlate inzending'op te sturen op straffe van intrekking van haar aanmelding.

2.4 Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het verweerster eiseres medegedeeld dat haar aanmelding voor de gevraagde opleiding is ingetrokken omdat het bewijsstuk van voltooide vooropleiding niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 juli 2009 bezwaar gemaakt.

2.5 Bij het thans bestreden besluit van 16 juli 2009 heeft verweerster het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerster niet inhoudelijk is ingegaan op haar bezwaar. Verweerster heeft ten onrechte geen ambtshalve toepassing gegeven aan artikel 23 van de Regeling aanmelding en selectie Hoger Onderwijs (hierna: de Regeling). Derhalve is het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond afgedaan.

Eiseres stelt dat zij de decentrale selectie met goed gevolg heeft afgelegd. Gezien artikel 31 van de Regeling had het voor de hand gelegen dat verweerster een bewijs van toelating had verstrekt. Nu zij reeds was toegelaten tot de betreffende opleiding, betrof het inzenden van de gevraagde stukken niet meer dan een formaliteit.

Tenslotte stelt eiseres dat verweerster niet heeft aangegeven waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 7, vierde lid, sub b en c, van de Regeling, waarin uitzonderingen zijn bepaald.

4.1 Verweerster heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de wettelijke bepalingen van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek en de daarop gebaseerde Regeling (de ministeriële regeling van 13 september 1999, kenmerk WJZ-1999/17155/4762, Uitleg Gele Katern van 29 september 1999, nr. 22) geen ruimte bieden voor afwijking van de stringente termijnen die, ook in geval van decentrale toelating, gelden voor het afgeven van een bewijs van toelating.

4.2 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerster zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat, nu eiseres beschikt over een vwo-diploma dat niet via het staatsexamen is behaald, de in artikel 7, vierde lid, onder a, van de Regeling bepaalde termijn van 5 juli op eiseres van toepassing is. Verweerster heeft op goede gronden de termijn van 1 september zoals neergelegd in artikel 7, vierde lid, onder b en c, van de Regeling buiten toepassing gelaten, nu deze van toepassing is op gegadigden met een andere vooropleiding.

4.3 In de via internet algemeen toegankelijke brochure, waarnaar in de brief van verweerster van 1 mei 2009 is verwezen, en in de brief van 23 juni 2009 staan de termijnen voor het inzenden van documenten duidelijk vermeld. In de brief van 23 juni 2009 zijn ook de gevolgen aangegeven van het niet in acht nemen van deze termijnen. Daarnaast is eiseres door de voorzitter van de Faculteit Kunst en Economie per e-mailbericht op 26 mei 2009 medegedeeld dat zij er voor dient zorg te dragen dat de IBG al haar gegevens compleet heeft, dat zij alle correspondentie van de IBG goed in de gaten dient te houden en dat de IBG de definitieve plaatsing uitvoert.

4.4 De uiterste termijn van 5 juli valt in 2009 op een zondag en verschuift volgens verweerster door de Algemene termijnenwet naar maandag 6 juli 2009. Eiseres heeft ter zitting medegedeeld dat zij wist dat zij de gevraagde stukken voor 5 juli 2009 diende in te zenden, maar dat zij dit door persoonlijke omstandigheden is vergeten. De gevraagde stukken zijn uiteindelijk op 9 juli 2009 overgelegd.

Aangezien de van eiseres verlangde bewijsstukken niet binnen de uiterste termijn van 6 juli 2009 zijn ontvangen heeft verweerster, gelet op de dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen, terecht geoordeeld dat de aanmelding voor het studiejaar 2009-2010 is komen te vervallen.

4.5 De opvatting van eiseres dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 23 van de Regeling kan niet worden gevolgd. Verweerster heeft terecht opgemerkt dat dit artikel eerst kan worden toegepast indien er sprake is van open plaatsen nadat alle uitgelote studenten een plaats hebben gekregen. Volgens verweerster is het aantal gegadigden voor de door eiseres gekozen opleiding vele malen hoger dan het aantal beschikbare plaatsen en zijn er nog steeds veel studenten uitgeloot.

4.6 De stelling van eiseres dat verweerster, gelet op het feit dat zij de decentrale selectie met goed gevolg heeft afgelegd, een bewijs van toelating had dienen te verstrekken kan evenmin worden gevolgd. Verweerster heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 oktober 2004 (200407821/1). Verweerster heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat, ook indien de aanstaande student decentraal is geselecteerd, voldaan moet worden aan de vereisten van tijdige inzending van de cijferlijst.

5. Het beroep is ongegrond.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding.

6. Er bestaat evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

II BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep (AWB 09/5167 BESLU) ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 09/5610 BESLU) af.

Aldus vastgesteld door mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.