Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7909

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/32463
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo / verzoek tijdelijke opheffing ongewenstverklaring om in persoon ter zitting te verschijnen / beroep Richtlijn 2004/38 (Unieburgerrichtlijn)

Verzoeker, verblijvende in Marokko en gehuwd met een Belgische, heeft verzocht om zijn ongewenstverklaring tijdelijk op te heffen, om bij de behandeling van het beroep inzake zijn verzoek de ongewenstverklaring op te heffen en zijn registratie in het (N)SIS te beëindigen in persoon aanwezig te kunnen zijn. Verzoeker doet daartoe een beroep op Richtlijn 2004/38. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, voor zover verzoeker aanspraak kan maken op het bepaalde in deze richtlijn - een oordeel waar de voorzieningenrechter uitdrukkelijk niet in treedt, nu dit in de voormelde beroepsprocedure zal worden beoordeeld -, het bepaalde in deze richtlijn geen plicht behelst verzoeker in persoon aanwezig te laten zijn op deze zitting. De voorzieningenrechter leidt uit de in artikel 31, vierde lid, van deze richtlijn neergelegde uitzonderingsgronden en artikel 32 van deze richtlijn af, dat de in de Richtlijn neergelegde plicht betrokkene niet te beletten zijn verdediging in persoon te voeren, niet geldt voor de procedure inzake het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring en beëindiging van de registratie in het (N)SIS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/32463

V-nr: *

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

verzoeker [naam], geboren [datum] in 1966, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker van 25 maart 2009 tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring bij besluit van 29 april 2009 afgewezen. Bij brief van 11 mei 2009 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij verzoekschrift van 8 september 2009 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt verweerder te gelasten de ongewenstverklaring tijdelijk op te heffen. Bij brief van dezelfde datum heeft verzoeker tevens een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 11 mei 2009 ingediend (AWB 09/32462). Bij besluit van 10 september 2009 heeft verweerder het bezwaar van 11 mei 2009 ongegrond verklaard. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit op bezwaar. Bij brief van 10 september 2009 heeft verzoeker de gronden van het beroep tegen dit besluit op bezwaar aangevoerd. Ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het verzoek om een voorlopige voorziening, indien dit verzoek is gedaan nadat bezwaar is gemaakt en op dit bezwaar wordt beslist, gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In het verzoekschrift geeft verzoeker aan dat het verzoek zeer spoedeisend is, nu verzoeker aanwezig wil zijn bij de zitting van 15 september 2009 van deze rechtbank, waarop zijn beroep inzake het verzoek zijn ongewenstverklaring op te heffen en zijn registratie in het (Nationaal) Schengeninformatiesysteem [(N)SIS] te beëindigen wordt behandeld. Volgens verzoeker heeft hij op grond van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (verder: de Richtlijn) het recht aldaar in persoon zijn belangen te bepleiten.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van spoedeisendheid, nu verzoeker aanwezig wil zijn bij de behandeling van zijn beroep in de hierboven vermelde procedure, dat op 15 september 2009 op zitting staat geappointeerd.

Verzoeker baseert het onderhavige verzoek op artikel 31 van de Richtlijn. Verzoeker leidt uit dit artikel af dat hij het recht heeft ten overstaan van de rechtbank waarbij de procedure met betrekking tot de opheffing van zijn ongewenstverklaring aanhangig is, in persoon zijn middelen tot verweer voor te dragen, tenzij redenen van staatsveiligheid zich hiertegen verzetten dan wel een ernstige verstoring van de openbare orde te verwachten is.

Nu de echtgenote van verzoeker een Unieburger is die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer, kan verzoeker aan deze richtlijn eveneens rechten ontlenen, aldus verzoeker.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, voor zover verzoeker aanspraak kan maken op het bepaalde in de Richtlijn - een oordeel waar de voorzieningenrechter uitdrukkelijk niet in treedt, nu dit in de procedure die wordt behandeld op de zitting van 15 september 2009 zal worden beoordeeld -, het bepaalde in deze richtlijn geen plicht behelst verzoeker in persoon aanwezig te laten zijn op deze zitting. De voorzieningenrechter acht hiertoe relevant dat in artikel 31, vierde lid, van de Richtlijn weliswaar is bepaald dat lidstaten de betrokkene niet mogen beletten zijn verdediging in persoon te voeren, maar dat hierop (onder meer) uitzondering wordt gemaakt wanneer het beroep of de herziening betrekking heeft op een weigering van de toegang tot het grondgebied. In artikel 32, eerste lid, van de Richtlijn is voorts – voor zover hier relevant - bepaald dat personen die zijn verwijderd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid na afloop van een redelijke termijn een aanvraag tot opheffing van dit besluit kunnen indienen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen gedurende de behandeling van deze aanvraag geen recht van toegang tot het grondgebied van de betrokken lidstaat hebben. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de in de Richtlijn neergelegde plicht betrokkene niet te beletten zijn verdediging in persoon te voeren, niet geldt voor de procedure die op 15 september 2009 wordt behandeld inzake het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring van verzoeker en beëindiging van zijn registratie in het (N)SIS.

Nu verzoeker voorts geen bijzondere belangen heeft gesteld op grond waarvan hij in persoon dient te verschijnen, noch andere belangen op grond waarvan zijn ongewenstverklaring tijdelijk moet worden opgeheven, wijst de voorzieningenrechter het onderhavige verzoek af. Met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb wordt beslist als hieronder vermeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.T.P. Scheers, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Conc: ES

Coll.: EW

D: B

VK

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.