Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7699

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/29685
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbreken toegangsweigering leidt niet tot opheffing bewaring

Met betrekking tot het ontbreken van de toegangsweigering overweegt de rechtbank dat uit de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van 5 maart 2009 en 8 maart 2009 genoegzaam blijkt dat aan eiser op de daartoe gebruikelijke wijze de toegang tot Nederland is geweigerd. Reeds daarom faalt het betoog van eiser dat de maatregel - in weerwil van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 maart 2009 (AWB 09/8966) alwaar is geoordeeld dat de maatregel rechtmatig is opgelegd - opgeheven dient te worden omdat er geen sprake is van een toegangsweigering. Anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, volgt uit de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage, zittingplaats Haarlem, van 30 januari 2006 (LJN AV 2215) overigens niet dat de toegangsweigering zich in het dossier dient te bevinden, en dat bij gebreke daarvan het ervoor moet worden gehouden dat de toegang niet is geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/29685

V-nr: *

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], geboren op [datum] 1986, van (gestelde) Sierra Leoonse nationaliteit,

gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.S. Mol, werkzaam bij de Immigratie en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Ten aanzien van eiser is op 8 maart 2009 de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel, laatstelijk bij uitspraak van 16 juli 2009, ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 17 augustus 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 3 september 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

1. Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Er bevindt zich geen kopie van de toegangsweigering in het dossier. Volgens een uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage, zittingplaats Haarlem, van 30 januari 2006 (LJN AV 2215) dient de toegangsweigering zich in het dossier te bevinden. Nu aan eiser de toegang niet is geweigerd, had de maatregel niet kunnen worden opgelegd.

Het onderzoek naar de identiteit/nationaliteit van eiser richt zich voorts thans weer op Sierra Leone. Verweerder werkt niet met ‘due diligence’ aan het vertrek van eiser. Verweerder heeft geen taalanalyse afgenomen om te achterhalen of eiser uit Sierra Leone komt. Tot slot meent eiser dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Uit de door verweerder verstrekte gegevens blijkt dat er geen zicht op uitzetting is omdat er geen lp’s worden afgegeven. Zicht op uitzetting speelt in een artikel 6-maatregel weliswaar geen rol, maar de situatie met Sierra Leone kan wel meegenomen worden in de belangenafweging.

2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Uit het dossier blijkt dat de toegang aan eiser is geweigerd en hier is reeds over geoordeeld in een eerder beroep tegen de oplegging van de maatregel. Eiser is tweemaal eerder gepresenteerd. In 2006 is eiser bij de autoriteiten van Nigeria gepresenteerd. Voornoemde autoriteiten hebben eiser geen lp verstrekt. Op 20 november 2006 is er een lp-traject gestart bij de autoriteiten van Sierra Leone. Eiser is toen niet gepresenteerd omdat de bewaring werd opgeheven op last van de rechtbank. Met betrekking tot informatie omtrent het aantal afgegeven lp’s kan verweerder mededelen dat er 64 nationaliteitsverklaringen zijn afgegeven als gevolg van de presentatie van 110 vreemdelingen aan een zogeheten “task force” in januari 2009. Dit heeft tot op heden nog niet geresulteerd in de verstrekking van lp’s. Verder wil verweerder benadrukken dat eiser in het kader van artikel 6 in bewaring is gesteld en dat op hem een vertrekplicht rust. Van eiser mag worden verwacht dat hij zijn volledige medewerking verleent. In het vertrekgesprek van 18 augustus 2009 zegt hij echter letterlijk dat hij niets gaat doen. Het vereiste van voortvarend handelen speelt niet in 6-zaken.

Tot slot zit eiser nog geen zes maanden in bewaring. Bovendien betreft het hier een artikel 6-maatregel en werkt eiser niet mee aan zijn vertrek.

De rechtbank overweegt het volgende.

3. Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoordelen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.

4. Met betrekking tot het ontbreken van de toegangsweigering overweegt de rechtbank dat uit de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van 5 maart 2009 (gedingstuk 101c) en 8 maart 2009 (gedingstuk 101a) genoegzaam blijkt dat aan eiser op de daartoe gebruikelijke wijze de toegang tot Nederland is geweigerd. Reeds daarom faalt het betoog van eiser dat de maatregel - in weerwil van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 maart 2009 (AWB 09/8966) alwaar is geoordeeld dat de maatregel rechtmatig is opgelegd - opgeheven dient te worden omdat er geen sprake is van een toegangsweigering. Anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, volgt uit de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage, zittingplaats Haarlem, van 30 januari 2006 (LJN AV 2215) overigens niet dat de toegangsweigering zich in het dossier dient te bevinden, en dat bij gebreke daarvan het ervoor moet worden gehouden dat de toegang niet is geweigerd.

5. Met betrekking tot de vraag of verweerder met de vereiste “due diligence” aan eisers vertrek werkt, overweegt de rechtbank dat het primair aan eiser is om aan zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen teneinde zijn vertrek mogelijk te maken. Eiser heeft dit tot op heden nagelaten. Verweerder heeft op 3 april 2009 een lp-aanvraag naar de autoriteiten van Sierra Leone verzonden en eiser zal bij deze autoriteiten gepresenteerd worden. In deze omstandigheden kan niet gesteld worden dat het enkele feit dat er geen taalanalyse is afgenomen, betekent dat er niet met de vereiste voortvarendheid aan het vertrek van eiser wordt gewerkt.

6. De bewaring duurt bijna zes maanden. Aan de door de Rechtseenheidskamer in de uitspraak van 21 augustus 1997 (AWB 97/4849 VRWET) geformuleerde criteria bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel, kan ook bij de beoordeling van een maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 niet iedere betekenis worden ontzegd. De rechtbank is van oordeel dat ook na ommekomst van een periode van zes maanden vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw 2000 er sprake kan zijn van een omslagpunt in de weging van de in aanmerking komende belangen. Echter, anders dan in voornoemde uitspraak, waarbij sprake was van bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 en het zicht op uitzetting dan ook een centrale rol speelde, is in het onderhavige geval sprake van vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw 2000 en staat dan ook de vraag voorop of de vreemdeling voldoende medewerking heeft verleend aan zijn vertrekplicht, met name door het geven van informatie over identiteit, nationaliteit en reisroute, en het overleggen van documenten. Bovendien speelt het belang van grensbewaking een belangrijke rol. Uit het voorgaande vloeit voort dat na het verstrijken van de termijn van zes maanden de belangen in deze situatie weliswaar niet snel in het voordeel van de vreemdeling zullen doorslaan, maar dat na ommekomst van deze periode de door de rechtbank uit te voeren weging - bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of verweerder zich in toereikende mate van haar faciliteringsplicht heeft gekweten - indringender zal moeten zijn.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de maatregel in redelijkheid kunnen laten voortduren. Vaststaat dat eiser geen pogingen onderneemt om aan zijn vertrekplicht te voldoen. Dat de autoriteiten van Sierra Leone tot op heden nog niet zijn overgegaan tot het verstrekken van lp’s aan voornoemde 64 Sierra Leoonse vreemdelingen, betekent niet dat verweerder aan eisers plicht om Nederland te verlaten thans redelijkerwijs niet meer gewicht heeft kunnen toekennen. Gelet op het voorgaande dient de belangenafweging vooralsnog in het voordeel van verweerder uit te vallen.

8. De rechtbank concludeert dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

9. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van D. Bokma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2009.

Afschrift verzonden op:

Conc.: DBo

Coll: RB

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.