Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7652

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-05-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
337658/FARK 09-3814 en 337659/KG ZA 09-622
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

ongegrond verklaring beroep en afwijzing voorlopige voorziening ikv Wet tijdelijk huisverbod; sprake van gokverslaving, en signalen van excessief gebruik van alcohol en drugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Voorzieningenrechter

Rekestnummers: FA RK 09-3814 (voorlopige voorziening) en KG ZA 09-622 (hoofdzaak) Zaaknummers: 337658 (voorlopige voorziening) en 337659 (hoofdzaak)

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in de gedingen tussen

[[verzoeker]] tevens eiser (hierna: [verzoeker]),

wonende te [[plaats A]]

thans woonplaats kiezende ten kantore van mr.C.R.D. Kommer te 's-Gravenhage

gemachtigde mr. C.R.D. Kommer te 's-Gravenhage

en

de burgemeester van de gemeente [plaats A] verweerder,

zetelende te [plaats A]

in welke zaken belanghebbende is:

[belanghebbende]

hierna: de vriendin,

wonende te[[plaats A]

Feiten en procesverloop

Verzoeker, zijn vriendin en hun minderjarige kind [B] geboren op [datum] 2007, zijn woonachtig te [plaats A]

Op 8 mei 2009 heeft verzoekers vriendin op het politiebureau te [plaats A] aangifte gedaan van mishandeling en vernieling door verzoeker jegens haar. Op diezelfde dag is belanghebbende naar het politiebureau te [plaats A] teruggekeerd omdat zij de aangifte wilde intrekken. Op 9 mei 2009 heeft verzoeker zich vrijwillig, na telefonisch te zijn ontboden, op het politiebureau te [plaats A] gemeld, alwaar hij is aangehouden ter zake van bedreiging (geweld binnenshuis).

Op diezelfde dag heeft verweerder aan verzoeker een tijdelijk huisverbod opgelegd, te weten van 9 mei 2009 om 21.00 uur tot 19 mei 2009 om 21.00 uur.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 12 mei 2009, ingekomen op 13 mei 2009, beroep ingesteld, waarbij hij heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

Voorts heeft verzoeker bij brief van 12 mei 2009, ingekomen op 13 mei 2009, de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het huisverbod zal worden opgeheven, dat aan verzoeker onmiddellijk toegang tot de woning zal worden verschaft en dat verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Verweerder heeft bij faxbericht van 14 mei 2009 de volgende stukken in het geding gebracht:

- het proces-verbaal van aanhouding van 9 mei 2009;

- drie processen-verbaal van bevindingen van 9 mei 2009;

- het Risicotaxatie instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG);

- het bestreden besluit van 9 mei 2009.

Bij separaat faxbericht van 14 mei 2009 heeft de rechtbank het proces-verbaal van verhoor aangever van 9 mei 2009 ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft - met gesloten deuren - plaatsgevonden op 15 mei 2009. Aanwezig waren: verzoeker met zijn gemachtigde, mr. A.C. Chin namens verweerder en verzoekers vriendin.

Het bestreden besluit

Blijkens het bestreden besluit hebben de volgende feiten en omstandigheden aanleiding gegeven tot het huisverbod en de motivering van het besluit.

A. De Pleger van huiselijk geweld:

Gooit met huisraad dwingt slachtoffer dingen te doen, verbaal schreeuwen.

B. Verloop van het geweldsincident:

Er ontstond discussie om het huishoudgeld, waarvan slachtoffer bang was dat pleger dit meenam om te gokken, daarna werd pleger vervelend en bleef slachtoffer lastig vallen.

C. De gezinsachtergronden:

Man, vrouw, kind: samenwonend.

Belangenafweging:

Slachtoffer kwam met een open lijn bureau binnenlopen om aangifte in te trekken. Deze werd ontdekt door politie. Bleek [verzoeker] te zijn, die wilde dat slachtoffer aangifte introk, anders kreeg slachtoffer kind niet meer terug. Geweld wordt heftiger en kans op herhaling aanwezig.

Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat het huisverbod ten onrechte aan hem is opgelegd. Hij voert daartoe aan dat hij geen fysiek geweld tegen zijn vriendin heeft gebruikt. Bij het afhandig maken van een mobiele telefoon, heeft hij enkel haar wang aangeraakt. Bovendien is sprake van een eenmalig incident. Verzoeker betoogt voorts dat zijn vriendin op aandringen van maatschappelijke instanties aangifte tegen hem heeft gedaan. Verzoeker heeft via een derde vernomen dat zij later tevergeefs de aangifte heeft willen intrekken. Ten slotte stelt verzoeker dat het niet in het belang van de minderjarige is dat hij van zijn vader wordt gescheiden. Hij wenst met zijn vriendin en hun minderjarige kind een hecht gezin te vormen.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421; hierna: Wth) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Uit feiten en omstandigheden is gebleken dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de medebewoners, in dit geval zijn vriendin en hun minderjarige zoon. De door verweerder genoemde risicofactoren rechtvaardigen deze conclusie. Daarbij is met name van belang dat sprake is van problemen in de relatie tussen verzoeker en zijn vriendin, waarbij al langere tijd sprake is van (verbaal) geweld door verzoeker tegen zijn vriendin en incidenteel geweld tegen goederen, veelal in aanwezigheid van hun minderjarige zoon. In dit verband wordt gewezen op de inhoud van de aangifte van verzoekers vriendin van 8 mei 2009 en het proces-verbaal van bevindingen van 9 mei 2009 waarin de registraties (HKS) en de mutaties geweld met betrekking tot verzoeker staan vermeld. Op 8 mei 2009 heeft er opnieuw een geweldsincident tussen verzoeker en zijn vriendin plaatsgevonden, als gevolg van een op 7 mei 2009 ontstane ruzie over huishoudgeld, waarbij verzoeker verbale agressie tegen zijn vriendin heeft geuit, spullen heeft vernield en de telefoon uit de handen van zijn vriendin heeft gerukt. De dreigende en agressieve houding van verzoeker blijkt voorts uit het feit dat hij zijn vriendin diezelfde dag telefonisch is blijven lastigvallen en heeft aangedrongen op het intrekken van de eerder op die dag door haar gedane aangifte van mishandeling en vernieling. Verder is van belang dat aan de zijde van verzoeker sprake is van een gokverslaving en dat er signalen zijn die wijzen op (excessief) gebruik van alcohol en drugs.

De omstandigheid dat verzoeker bij genoemd incident geen fysiek geweld zou hebben gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het voorgaande blijkt dat in elk geval sprake is geweest van psychisch geweld, één van de in de afweging te betrekken omstandigheden, terwijl dit incident vooraf is gegaan door eerdere incidenten waarbij melding is gemaakt van zowel fysiek als psychisch geweld.

Dat de minderjarige volgens verzoeker en zijn vriendin niet aanwezig was bij het conflict op 8 mei 2009, maakt het voorgaande evenmin anders, nu hij wel degelijk deelgenoot is (geweest) van de gespannen situatie binnenshuis en daaruit voortgekomen incidenten.

Op grond van genoemde feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om een huisverbod op te leggen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorts niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat voormeld ernstig en onmiddellijk gevaar intussen is geweken. Hoewel het hulpverleningstraject inmiddels in gang is gezet en verzoeker heeft verklaard daaraan zijn medewerking te zullen verlenen, kan niet worden aangenomen dat de aanwezige problemen thans zijn opgelost. De omstandigheid dat verzoekers vriendin ermee instemt dat verzoeker weer zijn intrek neemt in de woning dan wel omgang heeft met de minderjarige, levert, mede gelet op de belangen van de minderjarige, evenmin grond op voor een ander oordeel.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. De voorzieningenrechter ziet voorts geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M. Kramer, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bos als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval verzoeker wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak - voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak - hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.