Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7645

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/11583
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vierde vernietiging afwijzing asielaanvraag / motiveringsgebrek / nieuwe motivering afwijzing / niet voldaan opdracht rechtbank in eerdere uitspraak

Dit is de vierde afwijzing van eisers eerste asielaanvraag. In de eerste twee uitspraken van deze rechtbank is overwogen dat de twee taalanalyses dragende overwegingen vormden van de eerste twee besluiten. Ook overweegt de rechtbank in die uitspraken dat verweerder zich er dan ook van had dienen te vergewissen dat hij zijn besluitvorming (in hoofdzaak) op die taalanalyse kan baseren. Die uitspraken staan in rechte vast. Verweerder heeft bovendien ter zitting van 9 maart 2006, blijkens het proces-verbaal van die zitting, zelf gesteld dat de conclusie van de taalanalist voor deze zaak van doorslaggevend belang was.

In het derde besluit stelt verweerder dat eiser tegenstrijdige en vage verklaringen heeft afgelegd en dat zijn asielrelaas om die reden ongeloofwaardig is. In de uitspraak ten aanzien van het beroep gericht tegen dat derde besluit heeft deze rechtbank overwogen dat een uitleg ontbreekt van het feit dat de rapporten van taalanalyse bij de derde afwijzing geen rol meer spelen. De rechtbank heeft verweerder opgedragen dit nader te motiveren. Ook die uitspraak staat in rechte vast.

In het thans voorliggende vierde besluit stelt verweerder opnieuw dat eiser tegenstrijdige en vage verklaringen heeft afgelegd en dat zijn asielrelaas om die reden ongeloofwaardig is. Verweerder is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd afdoende te verklaren om welke reden de vermeende tegenstrijdigheden en vaagheden nu wel – en eerder kennelijk niet – op zichzelf het standpunt kunnen dragen dat eisers relaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Verweerder heeft dan ook niet voldaan aan de motiveringsopdracht van deze rechtbank, zoals gegeven in de vorige uitspraak van 19 december 2008. De rechtbank vernietigt het betreden besluit wegens een motiveringsgebrek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/11583

V-nr: *

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], geboren [datum] in 1971, van Angolese nationaliteit,

gemachtigde: mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2009 heeft verweerder laatstelijk de aanvraag van eiser van 4 februari 2002 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen. Op 1 april 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig E.J. Nyembo Katumbwe, tolk in de Lingala taal.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Asielrelaas

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser is geboren in Cabinda, Angola. In 1973 is eiser met zijn ouders in de Democratische Republiek Congo (DRC) gaan wonen nadat zijn ouders Angola ontvluchtten. Vanaf 1984 reisde eiser heen en weer tussen de DRC en Angola en in 1996 is eiser weer definitief in Angola gaan wonen waar hij werkzaam was als fotograaf in zijn eigen fotozaak/studio. Eiser was sympathisant/lid van het Frente de Libertação do Enclave de Cabinda (FLEC) en hij heeft voor de FLEC in zijn zaak pamfletten gekopieerd en op straat opgehangen. Op 7 november 2001 is eiser door de politie opgepakt. Eiser heeft drie dagen in detentie verbleven en is toen geslagen. Daarna heeft eiser wederom pamfletten verspreid. Op 3 januari 2002 is eiser door de militairen van de Forças Armadas Angolanas (FAA) opgepakt. Eiser is daarbij in elkaar geslagen en zijn fotozaak is vernield. Eiser is ervan beschuldigd dat hij onderdak had gegeven aan rebellen en de haat tegen het bewind had aangewakkerd. Eiser is ondervraagd, bedreigd met een revolver en vervolgens voor een aantal weken in een cel opgesloten. Op 25 januari 2002 heeft eiser na betaling van $1.500 de soldaten kunnen omkopen en is hij vrijgelaten. Eiser heeft met behulp van een groep priesters Angola kunnen verlaten en is via Congo-Brazzaville naar Nederland gereisd, alwaar hij op 29 januari 2002 is aangekomen. In de zienswijze heeft eiser verklaard dat zijn vader soldaat was bij het FLEC en om die reden is vermoord. Tevens is eisers moeder mishandeld door soldaten van de FAA en dientengevolge overleden.

3. Standpunten van partijen

Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en daartoe het volgende overwogen. Eisers relaas ontbeert, ook zonder de taalanalyses, positieve overtuigingskracht en is dan ook niet geloofwaardig.

Eiser heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent zijn verblijf. Tijdens het eerste gehoor heeft eiser gesteld niet buiten Angola te hebben gewoond. Tijdens het nader gehoor verklaart eiser ook in Boma (DRC) te hebben verbleven.

Eiser heeft vage en summiere verklaringen afgelegd omtrent zijn werkzaamheden als eigenaar van een fotostudio annex kopieerwinkel.

Eiser heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent zijn lidmaatschap van de FLEC. Eiser heeft eerst gesteld enkel sympathisant te zijn en later dat hij lid was. Tijdens het nader gehoor van 26 april 2002 in antwoord op de vraag of hij lid of aanhanger was van een politieke partij, heeft eiser expliciet verklaard dat hij enkel sympathisant was. Dit impliceert dat eiser wel degelijk het verschil weet tussen sympathisant zijn of lid zijn van een partij. Ook verklaart hij tegenstrijdig over de aard van zijn werkzaamheden voor de partij. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij pamfletten kopieerde en ophing en in de correcties en aanvullingen stelt hij dat hij de pamfletten zelf begon te maken. Ook heeft hij tegenstrijdig verklaard door eerst te stellen dat de pamfletten werden opgehangen aan bomen en in de gronden van beroep van 29 oktober 2007 te stellen dat pamfletten nooit aan bomen werden opgehangen. In de zienswijze wordt uitgelegd dat er verschillende pamfletten waren, die op verschillende manieren werden verspreid, maar eiser neemt hiermee niet de tegenstrijdigheden weg rondom de verklaringen. Eisers verklaringen rondom de FLEC-FAC, de FLEC-Renovada en de FLEC original zijn vaag en summier. Eisers verwijzing naar zijn verklaringen hieromtrent in het nader gehoor is onvoldoende om tot een andere overweging te komen.

Gezien het ontbreken van positieve overtuigingskracht is het asielrelaas en daarmee ook de detentie van eiser niet geloofwaardig en heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt dat hij hierom te vrezen heeft voor vervolg dan wel een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Reeds driemaal eerder is in rechte komen vast te staan dat het asielrelaas van eiser, zonder de rapporten van taalanalyse, niet als ongeloofwaardig kan worden aangemerkt. Verweerder komt thans kennelijk wel zonder de bevindingen van de taalanalyse tot de conclusie dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Verweerder heeft tot tweemaal toe ontkennend geantwoord op de vragen van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amsterdam en Haarlem, of het asielrelaas ook zonder taalanalyse als ongeloofwaardig kon worden aangemerkt. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom thans in redelijkheid een geheel ander standpunt kan worden ingenomen. Dit is in strijd met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 december 2008 (AWB 07/37532) Reeds daarom komt de beschikking voor vernietiging in aanmerking.

In het bestreden besluit is verweerder niet ingegaan op hetgeen gesteld is in de zienswijze met betrekking tot de gestelde tegenstrijdigheid van eisers verklaringen omtrent het om en om verblijven in Boma en Cabinda. Verweerder heeft ook niet weersproken dat tegenstrijdigheden tussen het eerste en nader gehoor niet kunnen worden tegengeworpen.

Ook is in het bestreden besluit niet gereageerd op het gestelde met betrekking tot de verklaringen over het fototoestel en de kopieermachine.

Over de betrokkenheid bij de FLEC heeft eiser verklaard dat hij altijd sympathisant is geweest en pas in 1996 actief lid is geworden. Dit is niet tegenstrijdig.

Met betrekking tot de gestelde tegenstrijdigheden betreffende zijn werkzaamheden stelt eiser dat correcties en aanvullingen naar hun aard bedoeld zijn om correcties en aanvullingen aan te brengen op het eerste en nader gehoor. Het gestelde kan niet als tegenstrijdig met de gehoren worden aangemerkt.

Verweerder kan evenmin tegenstrijdigheden tussen de eerdere gronden van het beroep en verklaringen in het nader gehoor tegenwerpen. De gronden van het beroep richten zich tot een bepaalde overweging aan de beschikking en zijn geen verklaringen op grond waarvan de geloofwaardigheid van het asielrelaas kan worden beoordeeld.

Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt wat er dan vaag en summier is aan eisers verklaringen over de verschillen tussen de FLEC-FAC en FLEC Renovada.

In ieder geval is niet in geschil dat eiser een regressado is uit de regio Cabinda, behorend tot de Mayombe. Verweerder is niet ingegaan op het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM op grond van zijn stamafkomst, de onbetwist onveilige situatie in Cabinda, het feit dat hij regressado is en het feit dat zijn vader actief was voor de FLEC. Eiser legt een fax over afkomstig van Vluchtelingenwerk, waarin samenvattingen zijn opgenomen van twee rapporten van Freedom House van juni 2005 resp. september 2007 en een samenvatting van een rapport van Human Rights Watch van maart 2005.

3. In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende gesteld.

In de eerdere besluiten hebben ook andere factoren een belangrijke rol gespeeld, die geleid hebben tot de conclusie dat het relaas ongeloofwaardig is. Zowel in de besluitvorming van 2003 als die van 2005 is uitgebreid ingegaan op de vele tegenstrijdige verklaringen en dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij fotograaf was.

Eiser heeft meermalen tegenstrijdig verklaard omtrent zijn werkzaamheden bij de FLEC. Zowel in het nader gehoor, als in de correcties en aanvullingen als in de gronden van het beroep heeft eiser tegenstrijdig verklaard. Verweerder meent dat eisers verklaringen, die in de gronden van het beroep kenbaar worden gemaakt, wel degelijk kunnen worden betrokken bij de beoordeling.

In het bestreden besluit is duidelijk aangegeven wat eiser heeft aangevoerd in de zienswijze. Verweerder is op die standpunten ingegaan, maar die hebben niet geleid tot een ander oordeel.

4. Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

3. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

4. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Beoordeling van het geschil

5. Thans ligt ter beoordeling voor het vierde beroep tegen het vierde afwijzende besluit op de eerste asielaanvraag van eiser.

6. Ten eerste is in geding of verweerder heeft voldaan aan de opdracht als gegeven door deze rechtbank in de uitspraak van 19 december 2008. De rechtbank heeft in die uitspraak het volgende overwogen:

“In het bestreden besluit stelt verweerder zich echter wederom op het standpunt dat eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert en daarom ongeloofwaardig moet worden geacht. Een uitleg van het feit dat de rapporten van taalanalyse hierbij thans geen rol meer spelen ontbreekt. Verweerder heeft weliswaar argumenten naar voren gebracht op basis waarvan hij tot het ontbreken van positieve overtuigingskracht en ongeloofwaardigheid van het asielrelaas concludeert. Dit verklaart echter niet dat hij in zijn eerdere beschikkingen niet zonder een van de rapporten van taalanalyse tot die conclusie kon komen en kennelijk die argumenten op zich zelf beschouwd onvoldoende had geacht. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.”

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. De uitspraak staat in rechte vast.

7. Verweerder stelt wel te hebben voldaan aan die opdracht. In het voornemen van 19 januari 2009, dat in het besluit is ingelast, heeft verweerder gesteld dat ook in de vorige procedures eiser naast de resultaten van de taalanalyses al is tegengeworpen dat hij tegenstrijdige en vage verklaringen heeft afgelegd.

De rechtbank stelt het volgende vast. In de eerste twee besluiten van 7 februari 2003 en van 27 oktober 2005 is aan eiser, naast de resultaten van de taalanalyses, tegengeworpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn verblijf in Boma in de Democratische Republiek Congo (DRC) alsmede dat bevreemding wekt dat eiser niet concreter weet te verklaren over welk type apparatuur hij gebruikt in zijn fotostudio. In het derde besluit van 4 september 2007 is eiser eveneens het voorgaande tegengeworpen en daarnaast dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn lidmaatschap van de FLEC en omtrent zijn detentie.

8. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verweerder in het laatste voornemen van 19 januari 2009 het volgende heeft gesteld: “Buiten de resultaten van de taalanalyses droegen de tegenstrijdige verklaringen omtrent zijn verblijfsgeschiedenis alsmede de vage en weinig concrete verklaringen omtrent zijn werkzaamheden bij aan het oordeel dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeerde. Hoewel de taalanalyses weliswaar een bijdrage hebben geleverd aan het oordeel, is het oordeel dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert in belangrijke mate gevormd op basis van de tegenstrijdige en vage verklaringen. Dit is ook tegengeworpen aan betrokkene in de eerdere besluiten.”

In het verweerschrift heeft verweerder hieromtrent nog het volgende gesteld: “Zowel in de besluitvorming van 2003 als in die van 2005 is daarnaast uitgebreid ingegaan op de vele tegenstrijdige verklaringen in het relaas en het feit dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij als fotograaf werkzaam was. Niet blijkt uit de besluitvorming dat zonder de taalanalyses niet tot de conclusie kon worden gekomen dat het relaas geen positieve overtuigingskracht bezit.”

9. Voor zover verweerder hiermee bedoelt te betogen dat die genoemde vage en tegenstrijdige verklaringen op zichzelf reeds de eerdere afwijzingen van eisers asielaanvraag konden dragen, is dit in strijd met hetgeen verweerder heeft gesteld ter zitting van 9 maart 2006, blijkens het proces-verbaal van die zitting. Verweerder heeft, blijkens dat proces-verbaal, het volgende gesteld: ‘Er heeft een taalanalyse plaatsgevonden. De conclusie van de taalanalist is dat eiser niet afkomstig is uit Angola. Deze conclusie is voor deze zaak van doorslaggevend belang.’ In zoverre is verweerders stelling dan ook feitelijk onjuist.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, in tegenstelling tot hetgeen verweerder stelt in het verweerschrift, niet gesteld kan worden dat in de eerste twee besluiten ‘uitgebreid is ingegaan op de vele tegenstrijdige verklaringen.’ Zoals hierboven weergegeven is eiser in de eerste twee besluiten slechts ten aanzien van twee punten tegenstrijdigheden tegengeworpen. Ook die stelling mist dan ook feitelijke grondslag.

10. Indien de vermeende vage en tegenstrijdige verklaringen ook al bij de eerste twee besluiten een dermate belangrijke rol speelden bij de afwijzing van eisers asielaanvraag, ziet de rechtbank bovendien niet in waarom verweerder dit niet aldus zou hebben verwoord in de eerste twee besluiten. Zoals ook blijkt uit hetgeen hierboven is overwogen heeft verweerder slechts enkele vaagheden en tegenstrijdigheden tegengeworpen. Kennelijk hechtte verweerder aan die en de overige – niet genoemde – vermeende vaagheden en tegenstrijdigheden bij de eerdere beoordelingen minder belang. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit tevens uit de omstandigheid dat in de uitspraken van deze rechtbank van 21 december 2004 (AWB 03/14640) en van 22 december 2006 (AWB 05/52832) is overwogen dat naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, in hoofdzaak wordt gedragen door de bevindingen van het rapport taalanalyse en dat de respectievelijke taalanalyses dragende overwegingen vormden van de eerste twee besluiten. Voorts overweegt de rechtbank in die uitspraken dat verweerder zich er dan ook van had dienen te vergewissen dat hij zijn besluitvorming (in hoofdzaak) op die taalanalyse kan baseren. Beide uitspraken staan in rechte vast.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er gelet op het voorgaande niet in geslaagd afdoende te verklaren om welke reden de vermeende tegenstrijdigheden en vaagheden thans wel op zichzelf het standpunt kunnen dragen dat eisers relaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Verweerder heeft dan ook niet voldaan aan de motiveringsopdracht van deze rechtbank, zoals gegeven in de uitspraak van 19 december 2008.

12. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Gezien het feit dat het thans reeds de vierde keer is dat de beslissing wordt vernietigd zal de rechtbank daarbij een termijn van drie weken vaststellen.

13. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen drie weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Jonkers, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. van Meel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: MvM

Coll.: YHK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.