Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7459

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
Awb 08/38560
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK3040, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel / Guinee / 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn / geen uitzonderlijke situatie

Eiser is afkomstig uit Guinee, Conakry. Hij is tijdens een demonstratie tegen de regering gevangengenomen en gemarteld.

Eiser doet een beroep op 15, aanhef en onder c van de Richtlijn, vanwege structureel geweld in Guinee, waarbij hij refereert aan het algemeen ambtsbericht Guinee van 20 maart 2008 en een negatief reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 28 mei 2008. Er was volgens de rechtbank ten tijde van het bestreden besluit weliswaar sprake van een onrustige en gespannen situatie, echter niet van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in de uitspraak van de ABRS van 25 mei 2009, 200702174/2.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, Vw 2000 wordt bij de beoordeling van het beroep rekening gehouden met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen. Eiser heeft onder verwijzing naar informatie uit een briefing van de Crisis Group Africa van 5 maart 2009 en een rapport van Human Rights Watch van 27 april 2009 aangevoerd dat de situatie in Guinee nog steeds niet stabiel is en dat er sprake is van een hoge mate van willekeurig geweld. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter uit voornoemde informatie, waaruit blijkt dat in Guinee sprake is van geweldadige incidenten en mensenrechtenschendingen, niet worden afgeleid dat thans sprake is van een uitzonderlijke situatie waardoor eiser bij terugkeer louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De rechtbank merkt daarbij op dat de militaire coup zonder bloedvergieten heeft plaatsgevonden. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Rechtbank

Zaaknummer: Awb 08/38560

Uitspraak in het geschil tussen:

X

toegekende geboortedatum

van Guinese nationaliteit,

V-nummer:

eiser,

gemachtigde: mr. M. Haanstra, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.R. de Vos, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 9 maart 2008 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 1 oktober 2008 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 28 oktober 2008 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Op 23 december 2008 zijn de gronden van het beroep ingediend. Op 20 mei 2009 zijn aanvullende gronden van beroep ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 4 juni 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en op grond van artikel 83 Vw 2000 aan verweerder een tweetal onderzoeksvragen gesteld.

1.5. Bij brief van 12 juni 2009 heeft verweerder de onderzoeksvragen beantwoord. Hierop heeft eiser bij brief van 6 juli 2009 gereageerd. Bij brief van 8 juli 2009 heeft verweerder op deze brief gereageerd.

1.6. Eiser en verweerder hebben, ingevolge artikel 8:64, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij brief en fax van respectievelijk 6 juli 2009 en 16 juli 2009, toegestemd in het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

2. Rechtsoverwegingen.

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser is afkomstig uit Conakry te Guinee. Hij behoort tot de Fulla stam. Eiser woonde in Conakry met zijn ouders en broertje. De vader van eiser had contacten met de vakbeweging in Guinee. Op 22 januari 2007 heeft eiser samen met zijn vader deelgenomen aan een demonstratie tegen de regering. Tijdens de demonstratie hebben militairen in het wilde weg op de demonstranten geschoten, waarbij veel mensen zijn gedood. Eiser is samen met een tweetal anderen door militairen opgepakt en in de gevangenis geplaatst. In de gevangenis heeft eiser moeten poseren met een geweer terwijl foto’s werden gemaakt. Eiser stelt in de gevangenis te zijn gemarteld, vastgebonden en geslagen. In de gevangenis is eiser in contact gekomen met een vriend van zijn vader. Die vriend was militair en werkte in de gevangenis. Van deze vriend heeft eiser vernomen dat zijn vader was vermoord tijdens de demonstratie. De vriend van zijn vader heeft eiser gewaarschuwd dat eiser zou worden vermoord. Hij heeft eiser geholpen om uit de gevangenis te ontstappen. Naar schatting heeft eiser tot januari 2008 in de gevangenis verbleven. Na de ontsnapping is eiser opgevangen door de vriend van zijn vader, die hem heeft geholpen om in contact te komen met een reisagent. De reisagent heeft eiser vervolgens geholpen per vliegtuig, via een onbekende route, naar Nederland te vertrekken.

2.2. Verweerder heeft door het Nederlands Forensisch Instituut een leeftijdsonderzoek laten verrichten. In het rapport van 12 maart 2008 is door de forensisch antropoloog geconcludeerd dat de bevindingen van het leeftijdsonderzoek uitsluiten dat eiser de door hem opgegeven leeftijd heeft. Het onderzoek wijst uit dat eiser ten minste 20 jaar oud is.

2.3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel. Verweerder heeft geoordeeld dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser, omdat hij toerekenbaar geen reis, identiteits en nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd. Gelet op de uitkomst van het leeftijdsonderzoek heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser meerderjarig is. Onder verwijzing naar het ambtsbericht van 20 maart 2008 over Guinee heeft verweerder geconcludeerd dat iedereen vanaf 18 jaar verplicht is een identiteitskaart te hebben, aangezien deze bij controleposten moet worden getoond. Voorts heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij geen reisdocumenten heeft overgelegd en dat hij onvoldoende weet te vertellen over zijn reis naar Nederland. Voorts heeft verweerder verwezen naar het geuite voornemen van 14 augustus 2008, waarin een aantal elementen uit asielrelaas van eiser zijn opgesomd, op basis waarvan is geoordeeld dat het relaas de vereiste positieve overtuigingskracht mist. Hetgeen door eiser is gesteld omtrent zijn detentie wordt door verweerder niet aannemelijk geacht. Uit het ambtsbericht van 20 maart 2008 blijkt dat een persoon na aanhouding juridisch gezien niet langer dan 72 uur kan worden vastgehouden in afwachting van de eerste voorgeleiding en (eventuele) strafvervolging. Hoewel het in Guinee vaak voorkomt dat mensen zonder officieel te zijn aangeklaagd lange tijd vastzitten, acht verweerder het niet aannemelijk dat dit eiser is overkomen. Daarbij verwijst verweerder naar een persbericht van het Agence France-Presse van 29 januari 2007 waaruit blijkt dat alle demonstranten die waren gearresteerd gedurende de stakingen in de periode van 10 januari 2007 tot en met 28 januari 2007 eind januari 2007 zijn vrijgelaten. Tevens stelt verweerder zich op het standpunt dat de duur van de gestelde detentie niet evenredig is met de marginale betrokkenheid van eiser bij de demonstratie. Daarnaast acht verweerder het ongeloofwaardig dat eiser zonder enige vorm van proces op een lijst met te executeren personen zou worden geplaatst. Voorts acht verweerder het bijzonder toevallig dat een met de vader van eiser bevriende militair wordt overgeplaatst naar de gevangenis waar eiser is gedetineerd en hem vervolgens, met gevaar voor eigen leven, helpt te ontsnappen. Op grond van de verklaringen van eiser heeft verweerder het asielrelaas ongeloofwaardig geacht.

2.4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij steeds in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij nog minderjarig was. Het is zeer wel mogelijk dat eiser naar eer en geweten heeft verklaard over zijn leeftijd en dat dit ook de algemeen geaccepteerde leeftijd van eiser is geweest. Daarbij verwijst eiser naar hetgeen omtrent leeftijdsonderzoek in Guinee is bepaald in het ambtsbericht van 20 maart 2008. Eiser zou nog helemaal geen identiteitskaart nodig hebben gehad. Dat eiser niet beschikt over een dergelijke kaart valt hem niet aan te rekenen. Daarnaast heeft eiser nimmer een grensoverschrijdingsdocument in handen gehad, hetgeen door verweerder niet wordt bestreden. Eiser heeft wel degelijk informatie gegeven over zijn reis naar Nederland. Doordat hij angstig was in het vliegtuig heeft hij weinig opgenomen van zijn omgeving. Uit de door eiser gegeven verklaringen valt af te leiden dat eiser de gangbare vliegroute (overstap in Parijs) heeft genomen.

Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het zeer wel mogelijk is dat mensen in Guinee zonder enige voorgeleiding een jaar of langer worden vastgezet. De door verweerder aangehaalde waarborgen uit het ambtsbericht van 20 maart 2008 worden in de praktijk niet gerespecteerd. De stelling van verweerder dat het vergrijp van eiser marginaal zou zijn voor een gevangenhouding van een zodanige duur, stemt niet overeen met diverse objectieve bronnen zoals het HRW-Report 2008 en het US State Dept. Country Report 2008 inzake Guinee.Uit het relaas van eiser blijkt dat hij door de autoriteiten niet werd gezien als een gewone demonstrant. Hij werd apart genomen en diende voor foto’s te poseren met een geweer in zijn handen. Uit persberichten zou blijken dat de vrijlating van demonstranten betrekking had op demonstranten die tevens vakbondslid waren. Tevens is mogelijk dat eiser op een lijst van nog tot de doodstraf te veroordelen personen heeft gestaan. Gelet op de slechte kwaliteit van de rechtsgang in Guinee, zoals onder andere verwoord in het ambtsbericht, kan niet zonder meer worden gesteld dat een en ander ongeloofwaardig is. De stelling van verweerder dat het bijzonder toevallig is dat eiser een vriend van zijn vader treft die als bewaker werkzaam is in de gevangenis, maakt deze omstandigheid niet ongeloofwaardig.

Eiser heeft betoogd dat hij door de gebeurtenissen psychische klachten heeft en daarvoor hulp nodig heeft. Eiser is daarvoor reeds in behandeling. Tenslotte beroept eiser zich op toepassing van artikel 15, aanhef en onder c van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Richtlijn). Eiser stelt zich op het standpunt dat de situatie in Guinee ten tijde van de besluitvorming niet voldoende veilig was om eiser terug te sturen. In Conakry zou sprake zijn van structureel willekeurig geweld, waarbij burgers het slachtoffer worden. Daarbij beroept eiser zich op hetgeen blijkt uit het ambtsbericht van 20 maart 2008 en het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Beoordeling van het beroep

2.5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlenen vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.6. Niet in geschil is dat eiser ter staving van zijn aanvraag geen identiteitspapieren heeft overgelegd. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit aan eiser is toe te rekenen, nu volgens het ambtsbericht iedereen in Guinee vanaf 18 jaar verplicht is een identiteitskaart te hebben. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij niet wist dat hij al 18 jaar was, maar zoals verweerder in het verweerschrift heeft overwogen, is eiser wel in het bezit geweest van een geboorteakte en een schoolkaart. Hieruit heeft verweerder mogen afleiden dat in Guinee eisers werkelijke leeftijd bekend was. Het vorenstaande doet op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.8. Daarnaast heeft eiser geen documenten inzake de reisroute overgelegd. Het is onder die omstandigheid aan eiser om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op de gestelde wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog worden geleverd door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis te verstrekken. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de verklaringen die eiser over de reisroute heeft afgelegd niet aan deze eisen voldoen, nu eiser slechts heeft verklaard dat hij per vliegtuig heeft gereisd en geen enkele informatie heeft verstrekt over het vliegtuig, de vlucht, de bemanning en de tussenlanding. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit aan eiser is toe te rekenen. Het vorenstaande doet eveneens op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.9. In het licht van het voorgaande dient, volgens het door verweerder op grond van artikel 31 Vw 2000 gevoerde beleid, het relaas niet alleen consistent en niet onaannemelijk te zijn, doch mogen daarin ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.10. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op basis van de in het besluit gegeven motivering in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser, naar aanleiding van deelname aan een demonstratie, een jaar is vastgehouden zonder voorgeleiding. Hoewel uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat het in Guinee vaak voorkomt dat mensen zonder officieel te zijn aangeklaagd lange tijd vastzitten, heeft verweerder in redelijkheid mogen aannemen dat niet aannemelijk is dat eiser dit is overkomen. Verweerder heeft daarbij betekenis mogen hechten aan de marginale rol die eiser volgens zijn verklaringen bij de demonstratie heeft gespeeld en het persbericht van het Agence France-Presse van 29 januari 2007, volgens welk bericht alle demonstranten die zijn gearresteerd in de periode van 10 tot en met 28 januari 2007, eind januari 2007 zijn vrijgelaten. De door eiser in beroep overgelegde “press release” kan de rechtbank niet tot een ander oordeel brengen. Dit bericht heeft in het bijzonder betrekking op de arrestatie van vakbondslieden naar aanleiding van de staking en demonstratie op 17 januari 2007. De opmerking in dit bericht dat deze vakbondslieden tijdens de korte detentie zijn mishandeld voordat zij werden vrijgelaten, is niet in tegenspraak met en doet niet af aan de mededeling in het persbericht van Agence France-Presse dat alle gearresteerde demonstranten zijn vrijgelaten.

2.11 Gezien het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert en derhalve ongeloofwaardig is. Dit betekent dat eisers beroep op bescherming voor zover dat verband houdt met de vrees die hij daaraan ontleent, niet opgaat.

2.11. Eiser heeft daarnaast een beroep gedaan op zijn medische situatie en heeft hiertoe een brief, gedateerd 13 mei 2009, overgelegd van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige R. van der Slikke, mede ondertekend door de psychiater van eiser, L.M.L. Huijzen van de Stichting Meerkanten voor geestelijke gezondheidszorg. Volgens de informatie in deze brief heeft eiser een posttraumatische stressstoornis. Hiervoor is hij onder behandeling. Eiser heeft gesprekken met een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, psycho-educatie en creatieve therapie. Er is geen prognose te geven over de duur van de behandeling. Verweerder heeft zich in zijn brief van 8 juli 2009 op het standpunt gesteld dat de brief van de Stichting Meerkanten een nadere onderbouwing is van een eerder ingenomen standpunt van voor de besluitvorming, doch is van mening dat deze informatie niet kan afdoen aan het eerdere besluit. Verweerder stelt dat een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) volgens bestendige jurisprudentie slechts kan worden aangenomen indien sprake is van een terminale en ongeneeslijke ziekte, welke zich bevindt in een vergevorderd stadium. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gesteld en uit de medische informatie ook niet is gebleken dat zo’n uitzonderlijke situatie zich in het geval van eiser voordoet.

2.14. Eiser heeft ten slotte een beroep gedaan op de algemene situatie in Guinee, waarbij een beroep is gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn.

Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn wordt in de Richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

Volgens artikel 15 bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Volgens artikel 18 verlenen lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

2.15. In haar uitspraak van 25 mei 2009 (zaaknummer 200702174/2), rechtsoverweging 2.3.8, heeft de ABRS onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 17 februari 2009 ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn het volgende overwogen: " Uit rechtsoverweging 43 van het hierboven weergegeven arrest, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40, leidt de Afdeling af dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging."

2.16. De rechtbank stelt voorop dat verweerder eisers gestelde afkomst uit Guinee niet in twijfel trekt. Aan de orde is allereerst de vraag of ten tijde van het bestreden besluit in Guinee, en met name in Conakry, sprake was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in bovenaangehaalde uitspraak, waarbij de mate van willekeurig geweld in het – gestelde - aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar deze gebieden louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat een zodanige situatie zich voordoet, een beroep gedaan op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Guinee van maart 2008 en op een reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 28 mei 2008. Volgens het ambtsbericht van maart 2008 vonden in januari en februari 2007 demonstraties plaats tegen het regime van president Conté waarbij met scherp werd geschoten op demonstranten. In sommige delen van het land raakte de staat het monopolie op geweld kwijt en kregen plunderaars en criminelen vrij spel. Enkele weken nadat een nieuwe premier was benoemd, keerde de rust echter terug. Aan het einde van de verslagperiode was de orde in het gehele land weer hersteld. Wel zijn in Guinee veel wapens in omloop en vinden in het gehele land regelmatig gewapende roofovervallen plaats. Volgens het reisadvies van 28 mei 2008 was 2007 een onrustig jaar waarin veel burgerslachtoffers zijn gevallen en is de situatie sinds het ontslag van de premier op 20 mei 2008 instabiel. Geweldsuitbarstingen zijn niet uit te sluiten. Deze dreiging geldt met name in de hoofdstad Conakry. Hoewel uit het genoemde ambtsbericht en reisadvies blijkt van een onrustige en gespannen situatie, blijkt daarmee niet dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een uitzonderlijke situatie waarin eiser louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

2.17. Vervolgens is aan de orde de vraag of de situatie nadien is gewijzigd waardoor thans tot een ander oordeel moet worden gekomen. Ingevolge artikel 83, eerste lid, Vw 2000 – voor zover hier van belang - houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep immers rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen. Eiser heeft onder verwijzing naar een briefing van de Crisis Group Africa van 5 maart 2009 en een rapport van Human Rights Watch van 27 april 2009 gesteld dat op 23 december 2008 een coup is gepleegd en de situatie in Guinee nog steeds niet stabiel is te noemen en er sprake is van een hoge mate van willekeurig geweld. Hoewel in het rapport van Human Rights Watch melding wordt gemaakt van gewelddadige incidenten en schendingen van mensenrechten en volgens de briefing van de Crisig Group Afrika het gevaar in Guinee nog niet is geweken, kan naar het oordeel van de rechtbank uit deze berichtgeving niet worden afgeleid dat thans sprake is van een uitzonderlijke situatie waardoor eiser bij terugkeer louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De rechtbank merkt daarbij op dat de militaire coup zonder bloedvergieten heeft plaatsgevonden.

2.18. Het beroep is ongegrond.

2.19. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;

Aldus gegeven door mr. M.S. Schothorst, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. Bolhuis als griffier op 20 augustus 2009.

de griffier

de rechter

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: