Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7368

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/5873 en 08/5650
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Investeringen in caravanstallingen kwalificeren niet als bedrijfsmiddelen waarvoor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (artikel 3.41, lid 1, Wet IB 2001) van toepassing is. Deze bedrijfsmiddelen zijn naar hun aard bestemd om -direct of indirect- hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden (artikel 3.45, lid 2 Wet IB 2001). Zij worden uitsluitend gebruikt voor het (langdurig) stallen van caravans van derden. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1950
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ERENRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/5873 en 08/5650 VPB

Uitspraakdatum: 27 augustus 2009

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X] Beheer B.V., gevestigd wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 1 juli 2008 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2004 en 2005 opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting (aanslagnummer [nummer 1] en [nummer 2]).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2009.

Eiseres is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

Namens verweerder is verschenen mr. [A].

II BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep met betrekking tot de aanslag voor het jaar 2004 ongegrond;

- verklaart het beroep met betrekking tot de aanslag voor het jaar 2005 niet-ontvankelijk.

III OVERWEGINGEN

1. Eiseres exploiteert door middel van haar dochtermaatschappij in de fiscale eenheid, Caravanstalling [X] B.V., een caravanstalling. Op het erf/grond en in de opstallen van deze B.V. worden caravans van derden gestald tegen een jaarlijkse vergoeding.

2. Met dagtekening 8 maart 2008 is aan eiseres een aanslag vennootschapsbelasting 2004 opgelegd. Bij de vaststelling van deze aanslag is verweerder afgeweken van de aangifte in die zin dat de belastbare winst is verhoogd met een bedrag van € 2.010 in verband met minder investeringsaftrek terzake van een caravanstalling.

3. Met dagtekening 15 maart 2008 is aan eiseres een aanslag vennootschapsbelasting 2005 opgelegd. Bij de vaststelling van deze aanslag is verweerder afgeweken van de aangifte en is de belastbare winst verlaagd met een bedrag van € 671 in verband met de correctie van de investeringsaftrek terzake van een caravanstalling.

4. Ingevolge artikel 3.41, eerste lid, van de Wet IB 2001 kan, indien daarvoor door de belastingplichtige in de aangifte wordt gekozen, ter zake van investeringen in bedrijfsmiddelen een percentage van het investeringsbedrag ten laste van de winst worden gebracht. Dit betreft de zogeheten kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. In artikel 3.45 van de Wet IB 2001 zijn bepaalde bedrijfsmiddelen uitgesloten van deze aftrek. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek uitgesloten bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden.

In geding is of verweerder terecht de door eiseres geclaimde aftrek terzake van investeringen in de caravanstallingen heeft aangemerkt als uitgesloten in de hierboven bedoelde zin.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de investeringen in de caravanstallingen niet kwalificeren als bedrijfsmiddelen waarvoor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek van toepassing is. Deze bedrijfsmiddelen zijn naar hun aard bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden. Bedoelde opstallen worden immers uitsluitend gebruikt voor het (langdurig) stallen van caravans van derden. De overigens niet onderbouwde stelling van eiseres dat sprake is van een samenstel van diensten maakt dit niet anders. De door eiseres in dit verband gestelde werkzaamheden aan de caravans zijn niet van een dusdanige omvang dat geoordeeld moet worden dat de caravanstallingen niet zijn bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden en niet als uitgesloten bedrijfsmiddelen in de zin van artikel 3.45, lid 2, van de Wet IB 2001 moeten worden aangemerkt.

6. Dat de verhuur van de stallingsruimte op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel b. sub 3, van de Wet op de omzetbelasting 1968, bij uitzondering en om praktische redenen als belastbare prestatie voor de omzetbelasting wordt aangemerkt kan daar evenmin toe leiden. Doel en strekking van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn immers andere dan die van de Wet IB 2001. Dit geldt ook voor de hiervoor vermelde artikelen.

7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gericht tegen de aanslag voor 2004 ongegrond. Omdat verweerder de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2005 als gevolg van zijn standpunt terzake van de investeringsaftrek op een lager bedrag heeft vastgesteld dan door eiseres is aangegeven kan het tegen deze aanslag gerichte beroep niet leiden tot een vermindering van de aanslag en is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. J.P.F. Slijpen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.C. Stroebel.

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.