Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6603

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
09/758581-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft opzettelijk de vrouw met wie hij een buitenechtelijke relatie had, om het leven gebracht en zich aldus schuldig gemaakt aan doodslag. Het handelen van verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven. Verdachte heeft aan een mens zijn kostbaarste bezit - het leven - ontnomen. Ook heeft verdachte daardoor aan de nabestaanden en de vrienden en vriendinnen van het slachtoffer onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Dit is treffend tot uitdrukking gekomen in de verklaring die de zus van het slachtoffer ter terechtzitting heeft afgelegd.

Daarnaast heeft deze doodslag, ook buiten de kring van de nabestaanden en vrienden van het slachtoffer, grote onrust en gevoelens van verontwaardiging teweeg gebracht.

Op doodslag kan, ter effening van de schok die aan de rechtsorde en in het bijzonder aan de nabestaanden is toegebracht, niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van zeer lange duur.

Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank vooral meewegen dat verdachte zich te buiten is gegaan aan excessief geweld jegens het slachtoffer. De rechtbank neemt het verdachte bovendien zeer kwalijk dat hij na het incident is gevlucht naar Turkije en zich eerst na ruim een jaar weer heeft gemeld in Nederland. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte tot de dag van heden geen openheid van zaken heeft gegeven over wat er zich die nacht exact heeft afgepeeld. Hierdoor blijven de nabestaanden gissen naar de reden en de exacte toedracht van het overlijden van het slachtoffer. Zij blijven in onzekerheid over de vraag wat er precies in de laatste minuten van het leven van hun dierbare is gebeurd.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan enig persoonlijkheidsonderzoek. De rechtbank kan niet in haar beoordeling meewegen of verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling aan de geestesvermogens of enig persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank sluit echter niet uit dat verdachte, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, op zijn totaal ontkennende gedrag en op zijn gewelddadige houding in relaties met vrouwen, lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank beveelt daarom aan dat tegen het einde van de detentie van verdachte alsnog een persoonlijkheidsonderzoek plaatsvindt met het oog op mogelijk aan de verdachte op te leggen bijzondere voorwaarden voor zijn vervroegde invrijheidstelling.

Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/758581-07

Datum uitspraak: 31 augustus 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Turkije) op [datum] 1973,

[adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 augustus 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I.J.E.H.C. Degeling en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. F. Yildiz, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 december 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met

dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer] een of meer ma(a)l(en) met een hard en/of zwaar en/of stomp

voorwerp, althans met een voorwerp en/of met de vuisten en/of handen, op

en/of tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer] getrapt en/of

geschopt en/of

- (met kracht) een of meer ma(a)l(en) op/tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer]

geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of

- (met het (volle) lichaamsgewicht) op het (boven)lichaam van die [slachtoffer]

gesprongen en/of gestaan en/of kracht uitgeoefend en/of geduwd en/of

- die [slachtoffer] in/bij de keel/hals geknepen,

althans een of meer (andere) vormen van onbekend gebleven geweld

gebruikt/uitgeoefend tegen die [slachtoffer],

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 december 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel

(vijf, althans meerdere verbrijzelde en/of gebroken ribben en/of meervoudige

verscheuring van het oppervlak van de linkerlong), heeft toegebracht, door

opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- die [slachtoffer] een of meer ma(a)l(en) met een hard en/of zwaar en/of stomp

voorwerp, althans met een voorwerp en/of met de vuisten en/of handen, op

en/of tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer] te trappen en/of

schoppen en/of

- (met kracht) een of meer ma(a)l(en) op/tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer]

te slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen en/of

- (met het (volle) lichaamsgewicht) op het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te

springen en/of staan en/of kracht uit te oefenen en/of te duwen en/of

- die [slachtoffer] in/bij de keel/hals te knijpen,

althans een of meer (andere) vormen van onbekend gebleven geweld te gebruiken

tegen die [slachtoffer],

terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 december 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade een persoon (te weten [slachtoffer]), met dat opzet en al dan

niet na kalm beraad en rustig overleg

- een of meer ma(a)l(en) met een hard en/of zwaar en/of stomp voorwerp,

althans met een voorwerp en/of met de vuisten en/of handen, op en/of tegen

het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrapt

en/of geschopt en/of

- (met kracht) een of meer ma(a)l(en) op het (boven)lichaam van die [slachtoffer]

heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of

- (met het (volle) lichaamsgewicht) op het (boven)lichaam van die [slachtoffer]

heeft gesprongen en/of gestaan en/of geduwd en/of kracht heeft uitgeoefend

en/of

- die [slachtoffer] in/bij de keel/hals heeft geknepen,

althans een of meer (andere) vormen van onbekend gebleven geweld heeft

gebruikt tegen die [slachtoffer],

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel

((vijf, althans meerdere verbrijzelde en/of gebroken ribben en/of meervoudige

verscheuring van het oppervlak van de linkerlong)), in ieder geval pijn en/of

letsel heeft bekomen;

art 301 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Korte weergave van het onderzoek1

De melding

Op 8 december 2007, omstreeks 13.00 uur, kwam een man in het politiebureau aan de Jan Hendrikstraat te 's-Gravenhage met de mededeling dat hij een lijk had gevonden in het pand aan de [adres] te 's-Gravenhage. Het zou gaan om een vriendin van een vriend van hem, genaamd [slachtoffer]. Zij zou zijn vermoord door die vriend, genaamd [verdachte]. De melder bleek te zijn genaamd [medeverdachte] (medeverdachte in deze zaak).2

Drie verbalisanten hoorden [medeverdachte] zeggen dat zijn vriend zijn vriendin had vermoord en dat dit omstreeks 5.30 uur was gebeurd in het pand [adres], en dat zijn vriend vervolgens was weggelopen.

Na onderzoek werd op de derde verdieping van het pand [adres] het levenloze lichaam van een vrouw aangetroffen.3 Het stoffelijk overschot werd geïdentificeerd als het lichaam van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1984.4

Gelet op deze bevindingen werd [medeverdachte] als verdachte aangehouden.5

Aantreffen van het slachtoffer

In de slaapkamer (op de derde verdieping) lag een tweepersoonsmatras op de vloer. Op deze matras lag het levenloze lichaam van [slachtoffer]. Er lag een dekbed over haar heen. Haar hoofd en een gedeelte van de onderbenen staken uit onder het dekbed. Zij was naakt. Op het onderlaken van de matras was een grote concentratie van bloed, bloedvegen en bloeddruppels. Op haar gezicht en haar lichaam werden diverse hematomen en bloedvegen aangetroffen.6

Vlucht verdachte

Volgens beelden van de Geïntegreerde Monitor Centrale heeft verdachte het pand [adres] op 8 december 2007 omstreeks 6.01 uur verlaten.7 Vervolgens is hij gegaan naar het huis waar zijn echtgenote en kinderen wonen en heeft daar zijn paspoort opgehaald. Vervolgens is hij met een auto naar Bulgarije gevlucht. Later is hij doorgereisd naar Turkije.8

Obductie

De deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog, verbonden aan het NFI, heeft in haar obductieverslag d.d. 31 januari 2008 melding gemaakt van talrijke uitwendige en inwendige letsels aan het lichaam van [slachtoffer] (onder meer - kort en zakelijk weergegeven - huidscheuren aan het hoofd, zwellingen en verkleuringen van de oogleden met uitgebreide bloeduitstortingen, huidverkleuringen en bloeduitstortingen en onderhuidse bloeduitstortingen verspreid over het gehele lichaam, puntvormige bloeduitstortingen in het bindvlies van het linkeroog, breuk van meerdere ribben, zowel voorwaarts als achterwaarts, meervoudige verscheuring van het oppervlak van de linkerlong, bloeduitstortingen in de ophangband van de darmen, uitgebreide bloeduitstorting in de weke delen van de hals, bloeduitstortingen zijwaarts aan het tongbeen).

De arts-patholoog heeft gemeld dat deze talrijke letsels bij leven waren opgeleverd door inwerking van hevig uitwendig mechanisch botsend geweld. In relatie met de letsels aan de ribben was er lucht en bloed in de borstholten en waren de longen samengevallen, hetgeen doorgaans leidt tot functieverlies van de longen. De uitwendige letsels aan de hals en de inwendige bloeduitstortingen in de hals en zijwaarts aan het tongbeen waren bij leven ontstaan en kunnen ook worden verklaard door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld. Echter kunnen deze letsels ook het gevolg zijn van bij leven doorgemaakte compressie op de hals.

Er waren puntvormige bloeduitstortingen in het bindvlies van het linkeroog. Deze zijn aspecifiek en kunnen passen in het kader van eventueel bij leven doorgemaakte compressie op de hals, maar kunnen ook postmortaal zijn ontstaan.

Het intreden van de dood wordt verklaard door functieverlies van de longen (door ingeklapte longen en bloed en lucht in de borstholte) in combinatie met bloedverlies opgetreden door inwerking van hevig uitwendig mechanisch botsend geweld. Een eventuele bijdrage aan het overlijden door compressie op de hals is niet uit te sluiten.9

Indeling [adres]

Op de begane grond van het pand [adres] was een horecagelegenheid gevestigd, genaamd Café [X.]. Op de eerste verdieping van het pand was een ruimte gevestigd, die dienst deed als garderobe/vergaderruimte. Tevens was er een horecakeuken gesitueerd. Op de tweede verdieping bevond zich een toilet, een woonkamer, een slaapkamer en een keuken. Er was een vaste trap vanaf de tweede naar de derde verdieping. Deze trap was slechts te bereiken via de woonkamer en vervolgens de slaapkamer op de tweede verdieping. Op de derde verdieping bevonden zich een slaapkamer en een badkamer.10

Forensisch onderzoek

In de woonkamer op de tweede etage was een tweezitsbank aanwezig. Op drie van de zes kussens op de tweezitsbank bevonden zich concentraties bloed. Op de zitting van de bank onder de kussens zaten eveneens concentraties bloed. Op de muur achter deze bank zaten bloedspatten. Op de salontafel in de woonkamer lag een druppel bloed. Op een doos nabij de doorgang naar de slaapkamer zat ook bloed. Na DNA-onderzoek bleken al deze bloedsporen van [slachtoffer] afkomstig te zijn.11

Bij een bloedspoorpatroononderzoek naar de bloedsporen op de muur achter de bank is vastgesteld dat de bloedsporen zijn ontstaan door minimaal twee afzonderlijke al dan niet gelijksoortige mechanismen. De bloedbron kan zich op de tweezitsbank hebben bevonden. De bloedspatten zijn ontstaan door het uitoefenen van kracht in of met vloeibaar bloed. 12

Op de muur links naast de deur van de woonkamer naar de slaapkamer bevond zich een concentratie bloed. Op de muur links naast de deur van de slaapkamer naar de keuken zat een concentratie bloed. Ook op de deur van de keuken naar de slaapkamer zat aan de keukenzijde bloed. 13

In de slaapkamer op de tweede etage van het pand werd op een stoel nabij het bed een bebloede roze blouse aangetroffen.14 Op de blouse zijn meerdere bloedspatten en -vlekken aangetroffen. Ook hier bleek het bloed na DNA-onderzoek van [slachtoffer] afkomstig te zijn.15

In de opgaande trap van de tweede naar de derde etage werd bloed op de trapspil en op een traptrede aangetroffen. Op de bovenste trapspil hing (bebloede) kleding.16

In de badkamer op de deur en de deurklink zat bloed. Op de vloer lagen bloeddruppels. Op de muur boven de badrand zat een concentratie bloed. In deze concentratie bloed waren afdrukken van haren zichtbaar. Op de rand van het bad werd bloed aangetroffen. Op de deurpost van de badkamerdeur zat ook bloed. Op de vloer lag bebloede dameskleding, een blauwe badjas en een handdoek.17

Deze dameskleding (een zwarte blouse, een zwarte BH en een roze trui) was of gescheurd of beschadigd.18 Op de kleding heeft een bloedspoorpatroononderzoek plaatsgevonden. Op de trui zijn met name op zowel de voor- als achterzijde ter hoogte van de linkerschouder en de nek veel bloedsporen aangetroffen. Deze sporen zijn aan de buitenkant van de trui ontstaan. Dit bloedsporenbeeld past goed bij passief bloedverlies van een aan het hoofd gewond persoon ten tijde van het dragen van de trui. Er zijn geen aanwijzingen dat de bloedsporen kunnen zijn ontstaan ten tijde dat de trui zich bijvoorbeeld los op de vloer bevond. Op de kraag van de blouse en op het linkerschouderbandje van de BH werd bloed aangetroffen. Deze locaties met bloed passen bij de overeenkomstige sterk bebloede delen van de trui. De trui, de blouse en de BH kunnen gezamenlijk gedragen zijn ten tijde van het ontstaan van de aangetroffen bloed. Het bloed op de kleding bleek na onderzoek van [slachtoffer] te zijn.19 Op de blauwe badjas werden diverse bloedsporen aangetroffen. Deze bleken na DNA-onderzoek afkomstig te zijn van [slachtoffer]. Tevens werden er diverse celmaterialen aangetroffen, afkomstig van verdachte.20

In de slaapkamer op de derde etage werden concentraties bloed op de volgende plaatsen aangetroffen: deurpost van de deur naar de badkamer, de deur naar de badkamer, de muur in de slaapkamer links naast de deur van de badkamer, de spiegel aan de muur in de slaapkamer, een kussen op de vloer.21

In de slaapkamer werd een fles wijn aangetroffen met bloedsporen.22 Na DNA-onderzoek bleek het bloed van [slachtoffer] afkomstig te zijn.23

Verklaring medeverdachte / getuige [medeverdachte]

Medeverdachte [medeverdachte] heeft tegenover de politie en tegenover de rechter-commissaris als getuige in deze zaak het navolgende verklaard. Op 8 december 2007 was hij aan het werk als DJ in de [X.]. Tussen 3.00 uur en 3.30 uur zag hij dat verdachte en [slachtoffer] naar boven gingen. Verdachte zou tegen hem gezegd hebben dat hij zich niet lekker voelde. Omstreeks 4.00 uur kwam verdachte in een blauwe badjas naar beneden. Hij vroeg aan [medeverdachte] of hij het barmeisje en de portier wilde uitbetalen en het café wilde sluiten. [medeverdachte] heeft dit gedaan en toen hij omstreeks 4.30 uur in de woonkamer kwam, zag hij een enorme rotzooi liggen. Er lagen kussens en boeken op de grond. Hij dacht dat verdachte weer ruzie had gehad met [slachtoffer]. Hij heeft niets bijzonders met betrekking tot bloed gezien. [medeverdachte] is vervolgens achter de pc gaan zitten om muziek te downloaden. Rond 5.30 uur kwam verdachte naar hem toe om te vragen of hij iets wilde drinken. [medeverdachte] wilde niets en vroeg waarom hij weer ruzie had gehad met [slachtoffer]. Verdachte zei toen dat alle Poolse wijven hoeren waren en is vervolgens naar beneden gegaan. Verdachte is niet meer naar boven gekomen. Rond 6.00 uur is [medeverdachte] naar beneden gegaan om verdachte te zoeken, maar hij kon hem niet vinden. [medeverdachte] is weer naar boven gegaan en heeft van 6.30 uur tot 7.00 uur naar een Turkse serie op internet gekeken. Omdat [medeverdachte] wilde weten wat er aan de hand was, heeft hij [slachtoffer] rond 9.00 uur geroepen. Hij is naar de slaapkamer op de zolder gelopen. In het badkamer zag hij dat er bloed in het bad was. In de slaapkamer trof hij het lichaam van [slachtoffer] op bed aan. Hij zag ook overal bloed. Door de shock is hij daar een half uur gebleven. [medeverdachte] is rond 10.00 uur vervolgens naar zijn moeder gegaan en heeft ook nog gebeld met de broer van verdachte. Vervolgens is hij met de broer van verdachte naar de politie gegaan. Volgens [medeverdachte] heeft verdachte [slachtoffer] vermoord.24

Verklaringen van enkele andere getuigen

Getuige [A.] was in de nacht van 7 op 8 december 2007 werkzaam als barmeisje in de [X.]. Zij heeft verklaard dat verdachte met [slachtoffer] omstreeks 3.00 uur a 3.30 uur naar boven gingen. Rond 4.00 uur kwam verdachte in een badjas en wit ondergoed naar beneden. Daarna heeft [medeverdachte] tegen de klanten gezegd dat zij gingen sluiten. [Getuige A.] werd uitbetaald door [medeverdachte] en omdat hij niet wist wat er met de fooienpot moest gebeuren, heeft hij verdachte naar beneden geroepen. Verdachte kwam naar beneden met nog steeds dezelfde badjas. Ene [B.] zat achter de gokkast en hij werd ook uitbetaald door verdachte. Tussen 4.15 uur en 4.30 uur verliet getuige de zaak.25

De portier van de [X.], genaamd [C.], is ook als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer] omstreeks 4.00 uur a 4.15 uur naar boven is gegaan en dat hij rond 4.30 uur uit de [X.] is weggegaan.26

Getuige [B.] heeft verklaard dat hij die avond in de [X.] achter de gokkast zat. Volgens hem kwam verdachte omstreeks 4.30 uur a 4.50 uur van boven naar beneden om het muntgeld van de gokkast om te wisselen in briefgeld. Verdachte had toen vermoedelijk een badjas aan. Vervolgens is hij rond 5.00 uur weggegaan.27

Aanhouding verdachte

Omstreeks november 2008 werd door mr. F. Yildiz, advocaat te 's-Gravenhage, contact opgenomen met de officier van justitie. Hij deelde mede dat hij de raadsman van verdachte was en dat verdachte overwoog om vanuit Turkije naar Nederland terug te keren. Na toezending van het dossier aan de raadsman, deelde deze mede dat zijn cliënt op 28 januari 2009 om 17.20 uur zou aankomen op Schiphol. Op 28 januari 2009 te 17.15 uur werd verdachte op Schiphol aangehouden.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft - als verdachte, maar ook als getuige in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] - kort samengevat het volgende verklaard over hetgeen volgens hem op 8 december 2007 was voorgevallen.

Hij en [slachtoffer] zijn rond 4 uur naar boven gegaan, omdat [slachtoffer] zich niet goed voelde. Zij zijn gelijk naar de derde etage gegaan. Zij hebben niet in de woonkamer gezeten. In de slaapkamer op de derde etage hebben ze elkaar op de matras omhelst en gekust en heeft hij [slachtoffer] gemasseerd. Beiden waren ontkleed. Op verzoek van [slachtoffer] is verdachte op een gegeven moment in een badjas van [slachtoffer] naar beneden gegaan om een paracetamol voor haar te halen. Toen hij weer boven was heeft [slachtoffer] de paracetamol geslikt. Daarna heeft verdachte [slachtoffer] verder gemasseerd. Hij is op verzoek van [slachtoffer] nog een keer naar beneden gegaan om tegen [medeverdachte] te zeggen dat deze de bar moest afsluiten. [medeverdachte] heeft op zijn verzoek ook de portier en het barmeisje uitbetaald. Verdachte ontkent dat hij iemand bij de gokkast heeft uitbetaald. Nadat hij [slachtoffer], die op haar buik op de matras lag, wederom had gemasseerd, zei hij op een gegeven moment tegen haar dat hij weg moest gaan, omdat hij naar zijn ouders, die in Nederland op bezoek waren, moest gaan. Hij is toen naar de badkamer gegaan en heeft het bad vol laten lopen. Nadat hij zich had gewassen, kwam hij vanuit de badkamer weer de slaapkamer in. Volgens verdachte kwam hij rond 5.50 uur uit de badkamer. Verdachte trok toen het roze shirt aan dat hij al de hele avond aan had gehad. [slachtoffer] lag toen nog op de matras. Zij was op dat moment nog steeds naakt. Toen verdachte uit de badkamer liep, smeet zij de telefoon van verdachte naar hem toe. [slachtoffer] pakte daarna alles wat in de kamer lag en smeet dat naar verdachte toe. Zij kwam op hem aflopen en begon hem te slaan. Uit reactie sloeg verdachte haar eerst met zijn rechterhand en toen met zijn linkerhand op haar gezicht. Na de tweede klap is [slachtoffer] van de trap afgevallen. [slachtoffer] draaide met haar hoofd links naar de muur toen zij viel. Zij kwam ook met de linkerkant van haar lichaam tegen de muur aan. Zij rolde vervolgens verder naar beneden toe. Ze viel met haar hoofd als eerste naar beneden. Zij kwam terecht op de laatste trede van de trap. Na de val kwam [slachtoffer] weer overeind en liep zij met haar handen op haar buik en hoofd weer naar boven. Verdachte zag dat zij bloed had aan haar hoofd. Verdachte ondersteunde haar naar de badkamer en [slachtoffer] is in bad gaan zitten. Vervolgens is zij uit het bad gekomen en is zij op de matras in de slaapkamer gaan liggen. Omdat verdachte bang was om opgepakt te worden door de politie en in de gevangenis terecht te komen, is hij weggegaan. Hij was in de veronderstelling dat [slachtoffer] zelf een ambulance kon bellen. Hij heeft zich verder aangekleed (tot dan toe droeg hij slechts het roze shirt) en is de trap afgelopen naar beneden. Op de tweede verdieping gekomen, zag hij bloed op zijn roze shirt. Toen heeft hij het shirt uitgedaan en in de kamer van [medeverdachte] een ander shirt aangedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij en [slachtoffer] die avond niet in de woonkamer zijn geweest. Hij heeft ook niet gezien dat in de woonkamer bloedspetters aanwezig waren. Volgens verdachte is het niet mogelijk dat het bloed in de woonkamer afkomstig is van [slachtoffer]. Volgens verdachte is het ook niet mogelijk dat de kleding van [slachtoffer] beschadigd is en dat er bloed op zit. Met betrekking tot de badjas heeft verdachte verklaard dat hij deze, nadat hij voor de tweede keer naar beneden was gegaan, deze op de grond van de slaapkamer heeft gegooid. Er zaten toen geen vlekken of beschadigingen op.28

Ter terechtzitting heeft verdachte overeenkomstig zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris verklaard.29

De reconstructie

Naar aanleiding van de verklaring van verdachte heeft er in de nacht van 27 op 28 mei 2009 een reconstructie plaatsgevonden. Verdache heeft bij deze gelegenheid nogmaals zijn lezing over het gebeuren gegeven en daarbij nagedaan en laten nadoen wat er die nacht volgens hem gebeurd was. De arts-patholoog was bij de reconstructie aanwezig. De opname die van deze reconstructie is gemaakt, maakt onderdeel uit van het dossier.30 Een gedeelte van de betreffende DVD is ter zitting afgespeeld.

De nadere rapportage van de arts-patholoog

Na de reconstructie heeft de rechter-commissaris zowel de officier van justitie als de raadsman de gelegenheid gegeven nadere vragen te stellen aan de arts-patholoog en de betreffende vragen doorgeleid aan de arts-patholoog. Deze heeft in haar beantwoording van deze vragen aangegeven dat een deel van het uitwendige letsels bij [slachtoffer] kan worden verklaard door een val / stoten tegen de zijden van een trap, echter aan het hoofd, gelaat en rug waren meerdere letsels die niet kunnen worden verklaard door de geschetste val van de trap / zichzelf stoten aan de treden of zijden van de trap. Voorts kunnen volgens de arts-patholoog de ribbreuken niet zijn opgelopen door een val met de borst tegen de trapspil of tegen de muur. Het letsel moet zijn ontstaan door hevig uitwendig mechanisch botsend geweld. Een niet complexe val tegen de trapspil, zoals in de reconstructie uitgebeeld, is niet voldoende om dergelijke complexe ribbreuken op te leveren.

Het letsel aan het oog is ook ontstaan door inwerking van hevig uitwendig mechanisch botsend geweld op het gelaat. Slaan (bijvoorbeeld trappen, met de vuist slaan) is volgens de arts-patholoog de meest waarschijnlijke oorzaak van het ontstaan van deze letsels. Inwendige bloeduitstortingen in de buik ontstaan bij mensen zonder ziekelijke afwijkingen door inwerking van heftig mechanisch geweld, zoals door stompen, schoppen of springen. De arts-patholoog heeft geconcludeerd dat de bij de reconstructie geschetste gang van zaken deze letsels niet kunnen verklaren.

De arts-patholoog heeft voorts na de reconstructie haar conclusie van haar rapport gewijzigd in: "Het intreden van de dood wordt verklaard door functieverlies van de longen in combinatie met bloedverlies, opgelopen door inwerking van hevig uitwendig mechanisch botsend geweld. Een eventuele bijdragen aan het overlijden door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals zoals bijvoorbeeld verwurging, staan/drukken/springen op de hals, kan ontstaan, is niet uitgesloten. Er dient te worden opgemerkt dat in beide gevallen de handelingen (zoals de val), die geschetst zijn bij de reconstructie deze fataal verlopende letsels niet kunnen verklaren."31

De verklaring van de arts-patholoog ter terechtzitting

De arts-patholoog is ter terechtzitting als getuige-deskundige gehoord. Zij heeft volhard bij haar eerdere rapportages. Voorts heeft zij verklaard dat zij haar conclusie met betrekking tot de compressie op de hals heeft aangepast, omdat op grond van de reconstructie een aantal mogelijke oorzaken voor dat letsel kan worden uitgesloten. Volgens de getuige-deskundige moest de compressie in de hals zijn ontstaan door uitwendig mechanisch geweld, bijvoorbeeld slaan of hard tegen iets aangekomen. Wanneer men die mogelijkheden kan uitsluiten, dan is verwurging de meest waarschijnlijke oorzaak. Voorts levert het gevonden afwijking in het bindvlies in het linkeroog ook een aanwijzing op dat er sprake is van verwurging. Zij heeft aangegeven dat een simpele val van een trap dit letsel niet kan veroorzaken. Een val van bijvoorbeeld 10 hoog zou dat wel kunnen. De val in de reconstructie is niet complex genoeg en voorts was er geen contact met de borstkas. 32

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder primair, impliciet primair ten laste gelegde, te weten moord, heeft begaan.

Zij heeft zich daarbij met name gebaseerd op de rapporten van de arts-patholoog, de resultaten van het forensisch onderzoek en alsmede de kennelijke leugenachtigheid van de verklaringen van de verdachte.

Volgens de officier van justitie blijkt uit het forensisch onderzoek dat verdachte [slachtoffer] eerst in de woonkamer op de tweede etage van de woning meermalen met een hard en zwaar voorwerp op het hoofd heeft geslagen, hebben de geweldshandelingen zich vervolgens verplaatst naar de derde etage van de woning, heeft [slachtoffer] daar eerst nog in bad gezeten en heeft verdachte haar daarna in de slaapkamer dermate ernstig verwond dat zij is komen te overlijden. Naar de mening van de officier van justitie heeft verdachte tussen de verschillende handelingen ruimschoots de tijd gehad om zich te beraden en om na te denken over zijn handelen en over de gevolgen van zijn handelen. Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van voorbedachte raad en dus moord.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat ieder opzet op de dood van [slachtoffer] bij zijn cliënt heeft ontbroken. Er was sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Verdachte heeft slechts om de aanval van [slachtoffer] af te weren haar twee klappen gegeven, waardoor zij van de trap is gevallen. Naar algemene ervaringsregels kan niet gezegd worden dat de kans op de dood aanmerkelijk was naar aanleiding van het geven van de twee klappen door verdachte. Volgens verdachte leefde [slachtoffer] nog toen hij de woning verliet en was hij in de veronderstelling dat zij zelf in staat was hulp in te schakelen. Deze verklaring wordt ook ondersteund door de brief van de arts-patholoog van 3 maart 2008. Zij kan niet vaststellen wanneer precies [slachtoffer] is overleden. Het is ook niet duidelijk geworden wat de volgorde van het ontstaan van de letsels is geweest. Zij sluit ook de mogelijkheid van andere ontstaanswijzen van het letsel niet uit, aldus de raadsman. Ook heeft verdachte nadat hij uit de woning was vertrokken, naar het nummer van [slachtoffer] gebeld om te informeren naar het welzijn van [slachtoffer]. Verdachte wist derhalve niet dat [slachtoffer] was overleden.

Van voorbedachten rade is al helemaal geen sprake, aldus de raadsman, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat de verdachte, zoals de getuige [Getuige A.] heeft verklaard, toen hij beneden in de bar kwam aan deze [Getuige A.] heeft gevraagd om mee naar boven te gaan. Dit onderstreept dat er van een vooropgezet plan geen sprake was. De raadsman heeft met het oog hierop ter terechtzitting primair om aanhouding van het onderzoek bepleit, teneinde getuige [Getuige A.] te laten horen door de rechter-commissaris. Hoewel de rechter-commissaris al diverse malen heeft getracht deze getuige op te sporen en te horen, kan er volgens de raadsman nogmaals een poging worden gewaagd, nu de familie van [slachtoffer] via internet de contactgegevens van deze getuige heeft achterhaald.

Ook voor het onder subsidiair ten laste gelegde ontbreekt naar de mening van de raadsman het (voorwaardelijke) opzet. Voorts ontbreekt volgens de raadsman het causaal verband tussen de handelingen van verdachte, te weten de twee klappen, en het opgelopen letsel van [slachtoffer], waardoor zij is komen te overlijden, te weten functieverlies van de longen door ingeklapte longen en bloed en lucht in de borstholte in combinatie met bloedverlies.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er wederom geen sprake was van voorbedachten rade, nu verdachte slechts als reactie op de klappen van [slachtoffer], twee klappen aan haar heeft uitgedeeld. Het was slechts een impulsieve daad die niet vooraf was gepland. Ook staat niet vast dat de klappen een directe oorzaak waren van de val en het letsel van [slachtoffer].

3.4 Het oordeel van de rechtbank

De inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting hebben geen duidelijkheid verschaft over wat zich op de bewuste avond precies heeft afgespeeld.

Voor wat betreft de doodsoorzaak en de oorzaak van de verschillende letsels die aan het slachtoffer zijn toegebracht, gaat de rechtbank uit van het obductieverslag van de getuige-deskundige en de aanvullende verklaringen die zij heeft afgelegd. De rechtbank ziet geen redenen om aan haar rapport en verklaringen te twijfelen. De raadsman van verdachte heeft ook geen uitdrukkelijk verweer gevoerd tegen de betrouwbaarheid of de deskundigheid van de getuige-deskundige en haar rapport.

Gelet op het obductieverslag en de aanvullende verklaringen van de getuige-deskundige is de rechtbank van oordeel dat het ernstige, fatale letsel, dat bij [slachtoffer] is waargenomen, niet het gevolg kan zijn van een val van de trap, zoals de verdachte het wil doen voorkomen.

De rechtbank sluit ook uit dat [medeverdachte] [slachtoffer] dodelijk letsel zou hebben toegebracht, hetzij toen verdachte nog in het pand aanwezig was, hetzij nadat verdachte het pand had verlaten. Voor dit scenario is in het dossier geen enkel aanknopingspunt aanwezig. Overigens heeft ook verdachte zelf ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard dat hij deze mogelijkheid uitsluit.33

Het moet, nu ook voor enig ander scenario ieder aanknopingspunt ontbreekt, dus wel verdachte zijn geweest die, op welke wijze dan ook, excessief geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer], hetgeen heeft geleid tot het bij haar geconstateerde ernstige, fatale letsel.

De rechtbank overweegt nog het volgende over de resultaten van het forensisch onderzoek.

- Op de tweede etage van het pand, en met name op de bank, op de muur achter deze bank en op de salontafel in de woonkamer, zijn diverse bloedsporen van [slachtoffer] aangetroffen.

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij en [slachtoffer] op de bewuste nacht niet in de woonkamer zijn geweest en dat het onmogelijk is dat er bloedsporen van [slachtoffer] in de woonkamer zijn aangetroffen.

De rechtbank concludeert dat verdachte op dit punt een niet aannemelijke verklaring heeft afgelegd. Het aantreffen van de bloedsporen van [slachtoffer] op de bank, op de muren achter de bank en op de salontafel in de woonkamer rijmt immers niet met de verklaring van verdachte dat hij en [slachtoffer] niet in de woonkamer zijn geweest. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het op (al) deze plaatsen aangetroffen bloed daar al voor de betreffende nacht aanwezig was.

- Op de derde etage werd bebloede dameskleding (trui, blouse, bh) aangetroffen. Na onderzoek bleek het bloed van [slachtoffer] afkomstig te zijn. Door een deskundige is geconcludeerd dat het bloedsporenbeeld ter hoogte van de nek en linkerschouder van de aangetroffen trui past bij passief bloedverlies van een aan het hoofd gewond persoon ten tijde van het dragen van de kleding. Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat die sporen kunnen zijn ontstaan ten tijde dat de trui zich bijvoorbeeld los op de grond bevond. De getuige-deskundige acht het aantreffen van het bloedsporenbeeld op deze delen van de trui veel waarschijnlijker onder het scenario waarin het slachtoffer gekleed was toen zij een hoofdwond opliep dan onder het door verdachte geschetste scenario dat zij daarbij naakt was. Voorts past de lokatie van de sporen op de trui bij de sporen op de aangetroffen bh en blouse, wat betekent dat zij gezamenlijk kunnen zijn gedragen ten tijde van het ontstaan van het aangetroffen bloed. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] naakt was, toen zij de verwondingen aan haar hoofd opliep. De rechtbank concludeert dat gelet op de verklaring van de getuige deskundige over de op haar kleding aangetroffen bloedsporen, verdachte op dit punt een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd. Zijn verklaring dat [slachtoffer] naakt was ten tijde dat zij de hoofdwond opliep, is immers in strijd met de bevindingen en de conclusie van de getuige-deskundige.

- Tevens werd een blauwe badjas op de derde etage aangetroffen. Op deze blauwe badjas werden diverse bloedsporen aangetroffen. Deze bleken afkomstig te zijn van [slachtoffer]. Ook werden er diverse celmaterialen van verdachte aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf het moment dat [slachtoffer] hem aanviel tot het moment dat hij zich aankleedde om weg te gaan, slechts gekleed was in een roze blouse, en dat [slachtoffer] al die tijd geheel ontkleed was. Deze lezing is in strijd met de bevindingen van het forensisch onderzoek. Ook op dit punt heeft verdachte kennelijk leugenachtig verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze kennelijk leugenachtige verklaringen heeft afgelegd enkel en alleen met de bedoeling om de waarheid te bemantelen, namelijk dat hij degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. De rechtbank bezigt zijn kennelijk leugenachtige verklaringen mede tot het bewijs.

Met betrekking tot het opzet overweegt de rechtbank nog dat verdachte - gelet op de aard van de geconstateerde letsels bij [slachtoffer] en op de, zoals door de getuige-deskundige aangegeven, heftige kracht die nodig is om dergelijke letsels te veroorzaken - willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door het geweld zou komen te overlijden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat uit het feit dat verdachte, nadat hij de woning op 8 december 2007 heeft verlaten, telefonisch contact heeft geprobeerd op te nemen met [slachtoffer], blijkt dat verdachte niet wist dat [slachtoffer] was overleden. Gelet op gang van zaken na het incident op 8 december 2007, waaruit valt af te leiden dat verdachte bezig was om te vluchten, sluit de rechtbank niet uit dat verdachte dit juist bewust heeft gedaan om zichzelf te ontlasten.

De rechtbank is echter - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Weliswaar kan uit de aangetroffen bloedsporen worden afgeleid dat [slachtoffer] zowel in de woonkamer op de tweede etage als op de zolderverdieping is mishandeld, maar dit geeft geen uitsluitsel over de exacte volgorde waarin de letsels zijn toegebracht en de tijdstippen waarop dat is gebeurd. Er is evenmin voldoende bewijs in het dossier aanwezig om te kunnen vaststellen op welke plaats(en) in de woning welk letsel is toegebracht en op welke wijze verdachte het fatale letsel heeft toegebracht. Andere scenario's dan het door de officier van justitie voorgehouden scenario kunnen daarom niet worden uitgesloten. Met name kan niet worden uitgesloten dat verdachte op enig moment in een opwelling het fatale letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht. Dit betekent dat de rechtbank niet met voldoende zekerheid kan vaststellen dat er sprake was van een moment van kalm beraad en rustig overleg. Daarom moet de conclusie zijn dat verdachte wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde moord.

In het voorgaande ligt besloten dat de verdediging er geen belang bij heeft dat de getuige [Getuige A.] nog wordt gehoord. De rechtbank merkt hierbij overigens op dat verdachte zelf ter terechtzitting op de vraag of hij de bewuste avond aan [A.] had gevraagd mee naar boven te gaan heeft geantwoord met de woorden: "Nee, ik kan het mij niet herinneren."34 en dat de officier van justitie ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij er niet van uit gaat dat verdachte toen hij met [slachtoffer] naar boven ging, reeds het plan had haar te vermoorden.35

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 08 december 2007 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- die [slachtoffer] een of meer malen met een hard en/of zwaar en/of stomp voorwerp, althans met een voorwerp en/of met de vuisten en/of handen, op en/of tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer] getrapt en/of geschopt en/of

- met kracht een of meer malen op/tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of - (met het (volle) lichaamsgewicht) op het (boven)lichaam van die [slachtoffer] gesprongen en/of gestaan en/of kracht uitgeoefend en/of geduwd en/of

- die [slachtoffer] in/bij de keel/hals geknepen,

althans een of meer (andere) vormen van onbekend gebleven geweld gebruikt/uitgeoefend tegen die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op te leggen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft opzettelijk de vrouw met wie hij een buitenechtelijke relatie had, om het leven gebracht en zich aldus schuldig gemaakt aan doodslag. Het handelen van verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven. Verdachte heeft aan een mens zijn kostbaarste bezit - het leven - ontnomen. Ook heeft verdachte daardoor aan de nabestaanden en de vrienden en vriendinnen van het slachtoffer onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Dit is treffend tot uitdrukking gekomen in de verklaring die de zus van het slachtoffer ter terechtzitting heeft afgelegd.

Daarnaast heeft deze doodslag, ook buiten de kring van de nabestaanden en vrienden van het slachtoffer, grote onrust en gevoelens van verontwaardiging teweeg gebracht.

Op doodslag kan, ter effening van de schok die aan de rechtsorde en in het bijzonder aan de nabestaanden is toegebracht, niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van zeer lange duur.

Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank vooral meewegen dat verdachte zich te buiten is gegaan aan excessief geweld jegens het slachtoffer. De rechtbank neemt het verdachte bovendien zeer kwalijk dat hij na het incident is gevlucht naar Turkije en zich eerst na ruim een jaar weer heeft gemeld in Nederland. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte tot de dag van heden geen openheid van zaken heeft gegeven over wat er zich die nacht exact heeft afgepeeld. Hierdoor blijven de nabestaanden gissen naar de reden en de exacte toedracht van het overlijden van het slachtoffer. Zij blijven in onzekerheid over de vraag wat er precies in de laatste minuten van het leven van hun dierbare is gebeurd.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 29 januari 2009, eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

Bij de op te leggen straf overweegt de rechtbank nog het navolgende. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan enig persoonlijkheidsonderzoek. De rechtbank kan niet in haar beoordeling meewegen of verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling aan de geestesvermogens of enig persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank sluit echter niet uit dat verdachte, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, op zijn totaal ontkennende gedrag en op zijn gewelddadige houding in relaties met vrouwen, lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank beveelt daarom aan dat tegen het einde van de detentie van verdachte alsnog een persoonlijkheidsonderzoek plaatsvindt met het oog op mogelijk aan de verdachte op te leggen bijzondere voorwaarden voor zijn vervroegde invrijheidstelling.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.

De op te leggen straf is een lagere dan gevorderd door de officier van justitie, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet moord, maar doodslag bewezen acht.

7. De inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 13 en 15 tot en met 34 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte en dat het onder 14 genummerde voorwerp zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De rechtbank zal de teruggave, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 13 en 15 tot en met 34 genummerde voorwerpen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot het op de beslaglijst onder 14 genummerde voorwerp geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt.

De rechtbank zal daarom de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair, impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder primair, impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Doodslag

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 13 en 15 tot en met 34 genummerde voorwerpen;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 14 genummerde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. R. Elkerbout, voorzitter,

J.Th. Drop en H. Dragtsma, rechters,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2009.

Mr. Dragtsma is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal alsmede geschriften, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1509/2007/4710.

2 Algemeen Dossier 0/opv, AH001

3 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier 0/opv, AH004 en AH005

4 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier 0/opv, AH010

5 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier 2/opv, AH074

6 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 30 en 31

7 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier 0/opv, AH12

8 Proces-verbaal van verhoor getuige K. Yiri, Algemeen Dossier 2/opv, G73 en Proces-verbaal van verhoor getuige T. Kayahan, Algemeen Dossier 3/opv, G139

9 Een geschrift, te weten een deskundigenrapport (obductieverslag) van het NFI, d.d. 31 januari 2008, Forensisch Dossier, blz. 268 en 269

10 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 28 en 29

11 Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 17 maart 2008, Forensisch Dossier, blz. 288

12 Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 1 april, Forensisch Dossier, blz. 336

13 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 30

14 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 168

15 Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 15 januari 2008, Forensisch Dossier, blz. 253 en 255

16 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 30

17 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 30

18 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 208 en 209

19 Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 24 juli 2009, blz. 16 en 22

20 Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 24 september 2008, Bijlagenlijst 2 Forensische Opsporing, blz. 392

21 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 31

22 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, Forensisch Dossier, blz. 196

23 Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 17 maart 2008, Forensisch Dossier, blz. 288

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], Verdachte Dossier V/[medeverdachte], 48, 49, 50, 51 en 52 en proces-verbaal van verhoor getuigen, opgemaakt door de rechter-commissaris d.d. 12 mei 2009

25 Proces-verbaal van verhoor getuige, Algemeen Dossier, 0/opv, G011, G012 , G013, G014 en G015

26 Proces-verbaal van verhoor getuige, Algemeen Dossier, 0/opv, G019

27 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier 3/opv, G077

28 Proces-verbaal van samenvatting studioverhoor d.d. 3 februari 2009 van [verdachte] en proces-verbaal van samenvatting studioverhoor d.d. 5 februari 2009 van [verdachte], Verdachte Dossier V/Mehmet-1, blz. 121, 122, 123, 124, 125, 126, 212, 213, 216, 217

29 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting.

30 Proces-verbaal van schouw, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris

31 Een geschrift, te weten een brief van het NFI d.d. 1 juli 2009, gericht aan de rechter-commissaris, blz. 1 tot en met 6

32 Verklaring getuige-deskundige ter terechtzitting

33 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

34 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

35 Verklaring van de officier van justitie ter terechtzitting in antwoord op een uitdrukkelijke vraag van de rechtbank