Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6602

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/8860
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gericht tegen het niet doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet, WBV 2007/11 (Ranov). Verweerder heeft geen aanbod gedaan omdat niet gebleken is van ononderbroken verblijf in Nederland. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de periode 2004-2005 enkele maanden in België heeft verbleven en dat hij daar een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser is op 14 april 2005, na een claimakkoord van de Belgische autoriteiten, aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen. Eiser heeft betoogd dat zijn verblijf in België van korte duur was en dat hij hiermee slechts de intentie had een medische behandeling te ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank mag hem het verblijf in België echter worden tegengeworpen. Eiser geeft door het doen van een asielaanvraag expliciet blijk van de intentie zich in België te willen vestigen. Dat mogelijk (ook) medische motieven aan zijn reis naar België ten grondslag lagen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. In de door eiser aangevoerde omstandigheden heeft verweerder geen grond hoeven vinden om de inherente afwijkingsbevoegdheid toe te passen. Beroep op gelijkheidsbeginsel gaat niet op. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr: AWB 09/8860 BEPTDN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[A], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. K. Yousef, advocaat te Den Haag

en

de staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

1Eiser, geboren op [datum] 1968 en van Syrische nationaliteit, verblijft als vreemdeling in Nederland. Eiser heeft op 23 februari 2009 bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om een aanbod te doen op grond van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11 (hierna ook: 'de pardonregeling'). Op 11 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2 Bij schrijven van 13 maart 2009 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 juli 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. F.X. Cozijn. Voorts zijn als getuigen verschenen en gehoord mevrouw [B] en de heer [C]. Ook was ter zitting aanwezig de heer W.A. Abouzeid, tolk in het Syrisch-Arabisch.

II OVERWEGINGEN

1In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2 Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte zijn oordeel, dat hij op grond van de pardonregeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, heeft gehandhaafd. Eiser erkent dat hij rond de jaarwisseling 2004-2005 gedurende ongeveer anderhalve maand in België heeft verbleven, maar stelt onder verwijzing naar rechterlijke uitspraken in soortgelijke zaken dat het onderbroken verblijf dat hierdoor is ontstaan, hem niet tegengeworpen mag worden. Eiser is van mening dat gekeken moet worden naar de duur van zijn verblijf in België en naar de bedoeling die hij met dit verblijf heeft gehad, namelijk het ondergaan van een medische behandeling. Ook acht eiser het onrechtvaardig dat er onderscheid wordt gemaakt tussen degenen die zich aan de vertrekplicht hebben gehouden en zij die dat niet hebben gedaan, in die zin dat eerstgenoemden niet onder de pardonregeling vallen en laatstgenoemden wel. Daarnaast acht hij het categorisch uitsluiten van 'Dublinclaimanten' terwijl 'niet-Dublinclaimanten' die aantoonbaar buiten Nederland hebben verbleven wel een beroep toekomt op de regeling, strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Eiser doet voorts een beroep op artikel 4:84 van de Awb en stelt ten slotte dat hij ten onrechte niet is gehoord.

3 Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de ingediende stukken op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt.

4 Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), is Onze Minister bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid van dit artikel worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

In artikel 3.17a, aanhef en onder b, Voorschrift Vreemdelingen 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb, wordt aangewezen de beperking verband houdende met de afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

In WBV 2007/11, neergelegd in hoofdstuk B14/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen: 'In het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV van 7 februari 2001 is besloten om de nalatenschap van de Vw (oud) af te wikkelen. Daartoe is een regeling getroffen waarbij onder voorwaarden een verblijfsvergunning wordt verleend aan vreemdelingen die onder de Vw (oud) een asielaanvraag hebben ingediend en die nog immer in Nederland zijn. Op grond van deze regeling wordt een vergunning gegeven aan de vreemdeling: (a) wiens eerste asielaanvraag vóór 1 april 2001 is ingediend, dan wel die zich vóór 1 april 2001 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst of vreemdelingenpolitie heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag, (b) die sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven, en (c) die, voor zover toepasselijk, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsaanvaarding op grond van de regeling. De vergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar is vertrokken uit Nederland. Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan onder andere blijken uit een claim ten aanzien van de vreemdeling van een andere EU-lidstaat op Nederland of een Dublinoverdracht.' Hoofdstuk B14/5 van de Vc is op 1 januari 2009 komen te vervallen, maar is ingevolge artikel II van de WBV 2008/31 nog wel van toepassing op het onderhavige geding.

5 Niet ter discussie staat, dat eiser eind 2004 is afgereisd naar België. Op 10 februari 2005 heeft hij daar asiel aangevraagd. Op 17 maart 2005 is de Dublinclaim van de Belgische autoriteiten geaccordeerd door Nederland. Eisers overdracht heeft plaatsgevonden op 14 april 2005. Eiser betwist niet dat hij uit Nederland is vertrokken, maar stelt - onder verwijzing naar gevallen die zijns inziens met het zijne te vergelijken zijn - dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het kortdurend verblijf in België niet aan hem tegengeworpen mag worden.

Vooropgesteld moet worden, dat uit de brief van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 13 mei 2008 blijkt dat vastgesteld onderbroken verblijf in de referteperiode in beginsel een grond is om niet over te gaan tot het doen van een aanbod op grond van de pardonregeling. Uit de door verweerder in dezen gehanteerde gedragslijn valt af te leiden dat verblijf buiten Nederland in beginsel niet wordt tegengeworpen als het slechts een kort bezoek aan het buitenland betreft. Zoals ook besproken met de Tweede Kamer op 7 juni 2007 (Handelingen 2006/07, nr. 78, blz. 4149-4185), zal naar 'onacceptabele individuele schrijnende situaties' met enige welwillendheid worden gekeken. Dat betekent dat waar mogelijk wordt gekeken naar de intentie die iemand had om naar het buitenland te reizen. Is dat geweest om bijvoorbeeld een laissez-passer ten behoeve van terugkeer te regelen, betreft het verblijf met toestemming van de Nederlandse autoriteiten waarvoor al dan niet een terugkeervisum is afgegeven, of is sprake van orgaandonatie buiten Nederland, dan wordt dat verblijf niet tegengeworpen. Had iemand de intentie om zich in een ander land te vestigen, maar zag hij dat door de autoriteiten van dat land verhinderd, dan valt deze persoon niet onder de pardonregeling (Kamerstukken II 2007/08, 31 028, nr. 37, blz. 12-13).

Eiser stelt dat het nooit zijn intentie was om zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk te onderbreken en zich in België te vestigen, maar heeft deze stelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Door het doen van een asielaanvraag heeft eiser juist expliciet blijk gegeven van de wens zich in België te vestigen. Voorts is van belang de omstandigheid dat het illegale verblijf van eiser in België uiteindelijk pas door tussenkomst van de Belgische autoriteiten is beëindigd. Dat mogelijk (ook) medische motieven aan eisers reis naar België ten grondslag hebben gelegen, vindt geen steun in het verslag van het gehoor dat op 30 mei 2005, kort na eisers verblijf in België, is opgemaakt. Eiser verklaart in dit gehoor letterlijk dat hij Nederland voor België heeft verruild omdat hij in België een asielaanvraag wilde doen. Hij stelt in het gehoor voorts dat hij maagpatiënt is en migraine heeft, en dat hij ter bestrijding van zijn medische klachten medicijnen uit Amerika laat overkomen. Over de later, in bezwaar, gestelde medische behandeling in België verklaart eiser niets. Dit had, gezien het feit dat de medische toestand van eiser in het gehoor blijkbaar (min of meer uitgebreid) besproken is, naar het oordeel van de rechtbank wel voor de hand gelegen. In het licht van deze feiten en omstandigheden, tezamen bezien, heeft verweerder mogen concluderen dat geen sprake is van een bijzondere situatie waarbij het verblijf van eiser in het buitenland in redelijkheid niet mag worden tegengeworpen. Verweerder heeft dan ook mogen concluderen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de pardonregeling.

Verder kan eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, van 8 februari 2008 (LJN BC4488) - waarin net als in de zaak van eiser sprake was van een Dublinclaim - niet slagen omdat in dat geval de vreemdeling de intentie had voor een beperkte periode, het bijwonen van een demonstratie in Denemarken, buiten Nederland te verblijven. Hetzelfde geldt voor eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht van 17 juni 2008 (LJN BD6550). Ook in die zaak had de vreemdeling de intentie voor een beperkte tijdsduur en voor een specifiek doel buiten Nederland te verblijven, namelijk voor een bezoek van een paar dagen aan zijn zieke broer. Naar het oordeel van de rechtbank verschillen deze beide zaken, gelet op de aard en strekking van de pardonregeling, op een rechtens relevant punt van de zaak van eiser, nu in de beide aangehaalde zaken van een asielaanvraag in het buitenland geen sprake was (zie over de relevantie van dit verschil onlangs nog voorzieningenrechter 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, 14 juli 2009, LJN BJ3086). Van een gelijk geval dat gelijke behandeling verdient is daarom geen sprake.

Ook het beroep van eiser op artikel 4:84 van de Awb slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat bij de vaststelling van het beleid reeds rekening is gehouden met de door eiser aangehaalde omstandigheid dat hij in Nederland al meer dan tien jaar een zwaar bestaan leidt als illegaal. Dit gegeven vormt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in 4:84 van de Awb.

Voor de door eiser gestelde, en door beide getuigen ter zitting bevestigde, huid- en maagproblemen geldt dit al evenzeer. Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 27 februari 2009 overweegt de rechtbank hierover dat, omdat in de vreemdelingenwetgeving en het bij de toepassing daarvan gevoerde beleid is voorzien in een specifieke beperking met betrekking tot 'het ondergaan van een medische behandeling', en de door eiser gestelde omstandigheden onder deze beperking vallen, dit geen bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb (LJN BI1896).

Voorts is bij de totstandkoming van de pardonregeling betrokken dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen degenen die zich niet aan de vertrekplicht hebben gehouden en zij die dat wel hebben gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank overschrijdt de pardonregeling hiermee niet de grenzen van een redelijke beleidsbepaling noch komt de regeling anderszins als rechtens onjuist voor. Deze grond slaagt daarom evenmin.

Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoord overweegt de rechtbank ten slotte als volgt. De vraag of er in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat, wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiser in eerste instantie heeft aangevoerd, alsmede met de vreemdelingrechtelijke voorgeschiedenis van eiser in Nederland, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat deswege van het horen van eiser kon worden afgezien. De beroepsgrond faalt daarom.

6 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser ingevolge genoemd beleid niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning.

7 Het beroep is daarom ongegrond.

8 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.T.W. van Ravenstein, in tegenwoordigheid van de griffier A. Beerts.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)