Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6580

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/1746
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening / proceskosten / tegemoetkoming door ander bestuursorgaan

In het onderhavige geval doet zich de bijzondere situatie voor dat weliswaar aan verzoeker is tegemoetgekomen, maar dat dit niet is gedaan door het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit in de onderhavige situatie evenwel niet leiden tot de conclusie dat verweerder niet gehouden kan worden om de proceskosten te vergoeden. De voorzieningenrechter acht daartoe van belang dat niet is gesteld of gebleken dat verzoeker de aanvraag voor een terugkeervisum niet op de daartoe voorgeschreven wijze heeft ingediend. Nu verweerder, de minister van Buitenlandse Zaken, voorts ten onrechte niet heeft onderkend dat hij niet bevoegd was op de aanvraag te beslissen en de aanvraag niet ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb onverwijld heeft doorgezonden aan de staatssecretaris van Justitie, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/01746

V-nr: *

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

verzoeker [naam], geboren [datum] in 1953, van Turkse nationaliteit,

gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Velzen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Overwegingen

1. Op 16 januari 2009 heeft verzoeker bij de IND te Hoofddorp een aanvraag ingediend om verlening van een terugkeervisum wegens de ziekte van zijn moeder. Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 18 januari 2009 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij faxbericht van dezelfde datum heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt om verzoeker in het bezit te stellen van een terugkeervisum.

2. Op 20 januari 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van het verzoek zou plaatsvinden ter zitting van 29 januari 2009. Bij faxbericht van 21 januari 2009 heeft verzoeker meegedeeld dat zijn moeder is overleden, maar dat hij zijn verzoek handhaaft om de begrafenis van zijn moeder te kunnen bijwonen.

3. Op 23 januari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het gevraagde terugkeervisum verleend. Bij brief van 27 januari 2009 heeft verzoeker zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Bij brief van 28 januari 2009 heeft de voorzieningenrechter verweerder verzocht op dit verzoek te reageren.

4. Bij brief van 29 januari 2009 heeft verweerder meegedeeld dat hij geen termen aanwezig acht om de proceskosten te vergoeden. Voorts heeft verweerder daarbij opgemerkt dat verzoeker zich voor het betaalde griffierecht ingevolge artikel 8:82, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan wenden tot de griffier van de rechtbank.

5. Beide partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming verleend nadere behandeling ter zitting achterwege te laten. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.

6.1. Ambtshalve overweegt de rechtbank het volgende.

6.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, de de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), wordt de toegang tot Nederland niet geweigerd indien de vreemdeling in het bezit is van een door Onze Minister afgegeven verklaring die aan hem recht geeft op terugkeer naar Nederland (ook genoemd: terugkeervisum).

6.3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de Vw 2000 wordt in de Vw 2000 en de daarop berustende bepalingen verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Justitie.

6.4. De bevoegdheid om besluiten te nemen op grond van de Vw 2000 ligt thans bij de staatssecretaris van Justitie (Koninklijk Besluit van 22 januari 2007, Staatscourant 2007, nr. 41, pag. 10). Het hoofd van de Visadienst, die het bestreden besluit heeft ondertekend, was derhalve niet bevoegd het bestreden besluit uit naam van de minister van Buitenlandse Zaken te nemen. De gemachtigde van verweerder heeft dit ook erkend.

7. Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, van de Awb jo. 8:75a, eerste lid, van de Awb kan ingeval van intrekking van de voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

8. In het onderhavige geval doet zich de bijzondere situatie voor dat door verlening van het terugkeervisum op 23 januari 2009 weliswaar aan verzoeker is tegemoetgekomen, maar dat dit niet is gedaan door het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit in de onderhavige situatie evenwel niet leiden tot de conclusie dat verweerder niet gehouden kan worden om de proceskosten te vergoeden. De voorzieningenrechter acht daartoe van belang dat niet is gesteld of gebleken dat verzoeker de aanvraag voor een terugkeervisum niet op de daartoe voorgeschreven wijze heeft ingediend. Nu verweerder voorts ten onrechte niet heeft onderkend dat hij niet bevoegd was op de aanvraag te beslissen en de aanvraag niet ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb onverwijld heeft doorgezonden aan de staatssecretaris van Justitie, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder in zijn reactie van 29 januari 2009 niet heeft onderbouwd waarom hij geen termen aanwezig acht om de door verzoeker gemaakte proceskosten te vergoeden.

9. De bovenbedoelde kosten worden begroot op € 322,-- als kosten voor verleende rechtsbijstand.

10. Nadat het verzoek is ingetrokken is het niet mogelijk om verweerder bij uitspraak te veroordelen tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht. De vergoeding hiervan dient te geschieden op de wijze als is bepaald in artikel 8:82, derde lid, van de Awb. De griffier zal in deze zaak tot vergoeding van het betaalde griffierecht overgaan.

2. Beslissing

De rechtbank

- veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 322,-- (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2009.

de griffier,

de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Conc: JV

Coll:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.