Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6561

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/24287
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / strafrechtelijke detentie / schending inspanningsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. De vreemdelingenrechtelijke detentie had voorkomen kunnen worden. Verweerder had gedurende de strafrechtelijke detentie nauwelijks initiatieven hoeven ontpooien om een vervangend reisdocument te bemachtigen. Er had enkel gereageerd hoeven worden op het grote aantal ondernomen pogingen van de Boliviaanse ambassade om een vervangend document af te geven. De rechtbank ziet het voorgaande als een zeer ernstige en zwaarwegende schending van de inspanningsverplichting. De gronden van de bewaring geven onvoldoende rechtvaardiging om deze schending niet tot onrechtmatigheid van de vreemdelingenrechtelijke bewaring te laten leiden. Aan de strafrechtelijke veroordeling kan geen bijzonder gewicht worden toegekend en is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. De inspanningsverplichting ziet juist op een verplichting tijdens de strafrechtelijke bewaring, zodat deze bewaringsgrond in dergelijke zaken altijd zal spelen en derhalve niet snel als bijzonder is aan te merken. De bewaring was van meet af aan onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/24287

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

V-nr: *

in het geding tussen:

eiseres [naam], geboren op 16 september 1959, van Boliviaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. P.H. Visser, advocaat te Wormerveer

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P. Bosch, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Op 5 juli 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 6 juli 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 14 juli 2009. Eiseres is daar in persoon verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.P. Jacobs, tolk in de Spaanse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder en eiseres in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de rechtbank verweerder opgedragen om eiseres uiterlijk donderdag 16 juli 2009 de Boliviaanse ambassade te laten bezoeken. Op 15 en 16 juli 2009 hebben partijen de verzochte informatie verstrekt. Op 16 juli 2009 heeft verweerder de rechtbank bericht dat de bewaring met ingang van 15 juli 2009 is opgeheven. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek, met toestemming van partijen, zonder nadere zitting gesloten.

2. Overwegingen

1. De gemachtigde van eiseres heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiseres zit vanaf 5 juli 2009 in vreemdelingenrechtelijke bewaring. Voorafgaand heeft eiseres twee maanden in strafrechtelijke detentie gezeten, wegens het gebruik van een vermeend vals paspoort. Eiseres is meerdere malen naar andere landen gereisd op dat paspoort. Alle gegevens van het paspoort zijn correct. De autoriteiten van Bolivia vragen zich zelfs af waarom het document vals zou zijn. De autoriteiten van Bolivia hebben bovendien verklaard dat een vervangend reisdocument onmiddellijk kan worden verstrekt, alleen moet dit vervangend document door eiseres persoonlijk worden opgehaald. Dit alles blijkt uit een tweetal brieven, van 8 juli 2009 en 10 juli 2009, van de Boliviaanse ambassade die aan de gemachtigde van eiseres zijn gericht. In de brief van 8 juli 2009 schrijft de ambassade dat ze contact hebben opgenomen met de autoriteiten en dat eiseres terug kan keren naar Bolivia. In de brief van 10 juli 2009 staat dat de ambassade bereid is om onmiddellijk (‘even today’) een reisdocument te verstrekken. Hoewel deze brieven niet zijn doorgestuurd naar verweerder was verweerder bekend met de inhoud van de brieven nu de autoriteiten gedurende de strafrechtelijke detentie veelvuldig contact met verweerder hebben gezocht teneinde vreemdelingenrechtelijke bewaring te voorkomen. Verweerder heeft zijn inspanningsverlichting gedurende de strafrechtelijke detentie geschonden en de belangenafweging dient in het voordeel van eiseres uit te vallen. Door na aanvang van de vreemdelingenbewaring in alle rust een laissez-passer (lp)-traject op te starten heeft verweerder bovendien onvoldoende voortvarend gehandeld. Immers, pas op 13 juli 2009 is verweerder begonnen met het verrichten van uitzettingshandelingen. Toen is een vertrekgesprek gehouden en een lp-aanvraag verzonden naar de lp-kamer. Eiseres verzoekt schadevergoeding voor de tijd dat ze in vreemdelingendetentie heeft gezeten.

2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Tijdens de strafrechtelijke detentie van eiseres heeft verweerder contact opgenomen met de ambassade van Bolivia. Ook is geprobeerd om het paspoort van eiseres van de Officier van Justitie te verkrijgen, maar dat is niet gelukt. Tijdens de strafrechtelijke detentie heeft verweerder een lp-toezegging van de Boliviaanse autoriteiten verkregen. Weliswaar had verweerder op basis hiervan een lp-traject kunnen starten, echter verweerder stelt zich op het standpunt dat toch aan de inspanningsverplichting is voldaan, aangezien er contact is geweest met de Boliviaanse ambassade. Deze contacten blijken uit de door eiseres ingediende aanvullende informatie van 15 juli 2009. Indien de rechter van oordeel is dat de inspanningsverplichting is geschonden, betekent dit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) niet dat de bewaring onrechtmatig is. Er dient dan een belangenafweging plaats te vinden en deze dient in het voordeel van verweerder uit te vallen. Verweerder verwijst hierbij naar de gronden van de maatregel. Na de strafrechtelijke bewaring is voldoende voortvarend gehandeld. Op 13 juli 2009 is een vertrekgesprek gevoerd, de lp-aanvraag ingevuld en verzonden naar de lp-kamer en daarbij is aangegeven spoed te betrachten. Nu eiseres op zeer korte termijn kan terugkeren naar haar land van herkomst is er geen reden om schadevergoeding toe te kennen.

De rechtbank overweegt het volgende.

3.1 Ter zitting van 14 juli 2009 heeft de gemachtigde van eiseres de twee voornoemde brieven overgelegd van de ambassade van Bolivia. Uit deze brieven blijkt dat de Boliviaanse ambassade al contact heeft gehad met de Nederlandse autoriteiten ten tijde van de strafrechtelijke detentie van eiseres en per direct een reisdocument willen en kunnen verschaffen. Zo staat in de brief van 10 juli 2009:

“regarding the actions to make possible the release of [naam,geboortedatum] our citizen, I would like to state that the Embassy is ready to issue a travel document for her return, immediately, even today, if necessary.

Please note that the Embassy of Bolivia handles the case from its beginning, having established all the necessary contacts with the Dutch authorities, in order to ensure the return of [naam] our citizen to Bolivia, as final destination, avoiding any unnecessary delay once she completed her detention period (July 5th, 2009).”

3.2 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat deze informatie niet bij verweerder bekend was. Wel was bekend dat er een lp was toegezegd door de autoriteiten van Bolivia, al voordat een lp-traject was opgestart, maar er moest nog een lp-traject opgestart worden om het lp daadwerkelijk te krijgen. Verweerder mocht er evenwel vanuit gaan dat deze via het normale lp-traject verkregen zou moeten worden. Indien deze harde toezeggingen wel bekend waren geweest bij verweerder dan had verweerder daarnaar kunnen handelen.

3.3 De gemachtigde van eiseres heeft verklaard de twee voornoemde brieven niet naar verweerder te hebben verstuurd per faxbericht, want verweerder was al op de hoogte van de informatie, aangezien er veelvuldig contact is geweest tussen de Nederlandse en Boliviaanse autoriteiten.

3.4 De rechtbank heeft zich genoodzaakt gezien ter zitting het beroep te schorsen om eiseres en verweerder in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie te verstrekken omtrent de contacten tussen verweerder en de Boliviaanse autoriteiten gedurende de strafrechtelijke detentie teneinde te kunnen beoordelen of verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden, danwel onvoldoende voortvarend heeft gehandeld gedurende de vreemdelingenrechtelijke bewaring. Daarnaast heeft de rechtbank verweerder opdracht gegeven om eiseres - gelet op de harde toezeggingen van de autoriteiten - uiterlijk donderdag 16 juli 2009 de ambassade van Bolivia te laten bezoeken, zodat het vervangend reisdocument kan worden opgehaald en een vlucht kan worden geboekt.

4.1 Per faxbericht van 15 juli 2009 heeft de gemachtigde van eiseres een brief van de Boliviaanse ambassade verstrekt met daarin de handelingen die de ambassade heeft verricht en de contacten die de ambassade heeft gehad met de Nederlandse autoriteiten. In de berichtgeving van de Boliviaanse ambassade staat onder andere:

“May 7th 2009. The Embassy sends a letter, addressed to the Coordinator of the “Sluisteam” of the Royal Netherlands Marechaussee, requesting an explanation about the basis and elements which made the Sluisteam decide that the mentioned Bolivian document was in fact forged.”

“End of May and beginning of June. Several phone calls made to the Foreigner Criminal Procedures Department of the Royal Netherlands Koninklijke Marechaussee requesting a contact person, in order to arrange and coordinate the case of [naam] our citizen and other two Bolivian citizen in similar situation.”

“June 2nd 2009. Letter sent to the Foreigner Criminal Procedures Department of the Royal Netherlands Koninklijke Marechaussee, requesting a contact person from the institution, in order to coordinate and start the process to provide them a travel document, with the interest to ensure their return to Bolivia as final destination, avoiding any unnecessary delay once they completed their detention period.”

“June 26th 2009. Meeting at the Foreigner Criminal Procedures Department of the Royal Netherlands Koninklijke Marechaussee. The Embassy presented the situation of the three Bolivian citizens, according to its letter of June 2nd 2009. At the end of the meeting it was established that the Dutch authority would make the consultations to KLM, requesting to the airline to transport each Bolivian citizen to Bolivia. Each case would be transfer to the Repatriation and Departures Service.”

“June 29th 2009. Phone calls to the prison “Nieuwersluis”, Population Department, (as translated by one of the officials). The Embassy requested information about the developments regarding the release of [naam] our citizen. The official declared that they did not receive the sentence of [name] our citizen to proceed. No further contacts were possible with this department.

“End of June until today. Phone conversation with the officials of the Repatriation and Departures Service, with the new lawyer assigned to the case and with [name] our citizen herself and her relatives.”

4.2 Verweerder heeft eveneens per faxbericht van 15 juli 2009 aanvullende informatie verstrekt. In het faxbericht merkt verweerder op dat het voornemens is de bewaring van eiseres per 15 juli 2009 op te heffen omdat niet voldaan kan worden aan de opdracht van de rechtbank om met eiseres uiterlijk donderdag 16 juli 2009 bij de ambassade langs te laten gaan om het vervangend document op te halen. Daarnaast staat in het faxbericht dat op 5 juli 2009 een medewerker van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) contact heeft opgenomen met de Boliviaanse autoriteiten. Deze hebben toegezegd een (vervangend) reisdocument te zullen verstrekken.

5.1 De rechtbank stelt vast dat de bewaring op 15 juli 2009 is opgeheven. Thans moet worden beoordeeld of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank dient hiertoe te beoordelen of verweerder heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting en voldoende voortvarend heeft gehandeld.

5.2 Volgens paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk voorkomen wordt dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moeten worden. Uit de uitspraak van de AbRS van 11 februari 2002 (LNJ:AE2317) volgt dat de enkele omstandigheid dat de verweerder niet heeft voorkomen dat eiseres na haar strafrechtelijke detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring is gesteld, de daaropvolgende bewaring - gelet op het feit, dat de geciteerde passage uit paragraaf A5/5.3.7.1 van de Vc 2000 een inspanningsverplichting van verweerder behelst en geen garantie aan vreemdelingen biedt dat zij na strafrechtelijke detentie niet in bewaring zullen worden gesteld - niet onrechtmatig maakt, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

6.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Gelet op de door de Boliviaanse ambassade verstrekte en verweerder bevestigde informatie valt niet in te zien waarom de vreemdelingenrechtelijke detentie van eiseres niet voorkomen had kunnen worden. Verweerder had gedurende de strafrechtelijke detentie nauwelijks initiatieven hoeven ontpooien om een vervangend reisdocument voor eiseres te bemachtigen. Verweerder had enkel hoeven reageren op het grote aantal ondernomen pogingen van de Boliviaanse ambassade om een vervangend document af te geven.

6.2 De rechtbank acht het voorgaande een zeer ernstige en zwaarwegende schending van de inspanningsverplichting en ziet in de gronden van de bewaring onvoldoende rechtvaardiging om deze schending niet tot onrechtmatigheid van de vreemdelingenrechtelijke bewaring te laten leiden. De bewaring dient dan ook van meet af aan als onrechtmatig te worden beschouwd.

6.3 Voor zover verweerder van mening is dat bijzonder gewicht dient te worden toegekend aan de strafrechtelijke veroordeling die aan de bewaring van eiseres ten grondslag is gelegd, oordeelt de rechtbank dat deze grond in het onderhavige geval niet is aan te merken als een voldoende bijzondere omstandigheid. De rechtbank overweegt hierbij dat de schending enerzijds een zeer ernstige is en anderzijds dat de inspanningsverplichting juist ziet op een verplichting tijdens de strafrechtelijke bewaring, zodat deze bewaringsgrond in dergelijke zaken altijd zal spelen en derhalve niet snel als bijzonder is aan te merken.

7. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond.

8. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiseres ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiseres op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiseres in het huis van bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 800,--.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 800,-- (zegge: achthonderd euro), te betalen aan eiseres;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd vier en veertig euro), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, in tegenwoordigheid van E. van Kempen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2009.

Afschrift verzonden op:

Conc.: EvK

Coll: AS

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.