Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6558

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
2009 / 1033
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN7156, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB 09/1033 Taalanalyse, contra-expertise, Somalië

De rechtbank heeft geen reden gezien om de contra-expertise buiten beschouwing te laten bij de vraag of verweerder het rapport taalanalyse van BLT aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat er geen aanknopingspunten naar voren gebracht zijn om aan de onafhankelijkheid en de deskundigheid van de opsteller van de contra-expertise te twijfelen.

In een uitspraak van 19 mei 2009 (LJN BI5889, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) heeft de ABRvS expliciet overwogen dat aan een rapport van het BLT, net als aan andere deskundigenrapporten, de voorwaarde mag worden gesteld dat het op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en voldoende inzichtelijk is. Het onderliggende rapport van het BLT voldoet niet aan die voorwaarde. Verweerder had het rapport van het BLT niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, maar had de taalanalist uit een oogpunt van zorgvuldigheid moeten vragen waarop zijn conclusies waren gebaseerd.

Zo heeft BLT, zij het impliciet, erkend dat in de spraak van eiser Zuid-somalische kenmerken zijn aan te wijzen, terwijl in het rapport taalanalyse volstrekt geen melding is gemaakt van Zuidsomalische kenmerken. Voorts heeft BLT gesteld dat in de spraak van eiser meer Noord-somalische kenmerken zijn aan te wijzen dan de contra-expert wil doen voorkomen zonder deze stelling concreet te onderbouwen. Verder zijn volgens BLT de door de contra-expert aangetroffen Zuidsomalische kenmerken onregelmatig en niet overtuigend en authentiek. Ook laatstgenoemd commentaar is door BLT echter volstrekt niet onderbouwd; bovendien bevat het een erkenning van de Zuid-Somalische kenmerken in de spraak van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 09 / 1033

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. [gemachtigde],

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij fax van 12 januari 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 december 2009. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna Vw 2000) te verlenen. Bij schrijven van 9 februari 2009 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.2. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 juni 2009. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1].

2. Overwegingen

2.1. Eiser is geboren op 9 februari 1985 en heeft de Somalische nationaliteit. Naar eigen zeggen is eiser afkomstig uit Zuid-Somalië en behoort hij tot de bevolkingsgroep van de Mohamed Gurgarte. Op 22 juni 2007 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan die aanvraag heeft eiser – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

2.2. Eiser heeft verkering gehad met [naam 2], een vrouw behorend tot de bevolkingsgroep van de Habar Gidir. Vanwege eisers afkomst kon de familie van [naam 2] zich echter niet vinden in de relatie tussen [naam 2] en eiser. Zowel eiser als zijn moeder werden daarom bedreigd en mishandeld. Buiten medeweten van [naam 2] is eiser met een andere vrouw, [naam 3], getrouwd. Nadat [naam 2] hoorde van het huwelijk, heeft ze zelfmoord gepleegd. Deze zelfmoord wordt door [naam 2]’s familie aan eiser toegerekend. Om die reden is hij zijn leven niet meer zeker in Somalië en is hij naar Nederland gevlucht.

2.3. Bij brief van 9 januari 2008 heeft verweerder aan eiser bekendgemaakt dat hij voornemens is eisers aanvraag af te wijzen op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is en hij derhalve niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de gronden als genoemd in artikel 29 van de Vw 2000. Verweerder heeft aan dit standpunt het rapport van de taalanalyse van 10 augustus 2007 ten grondslag gelegd. Daarin is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet tot de spraak en cultuurgemeenschap binnen Zuid Somalië is te herleiden.

2.4. Van de hem geboden gelegenheid zijn zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar te maken, heeft eiser op 17 oktober 2008 gebruik gemaakt door middel van het inzenden van een contra-expertise taalanalyse van 9 oktober 2008.

2.5. Bij besluit van 19 december 2008 heeft verweerder eisers aanvraag conform zijn voornemen afgewezen.

2.6. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting richt het beroep zich tegen verweerders besluit voor zover eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een van de gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, van de Vw 2000.

2.7. Aan de orde is de vraag of het besluit van 19 december 2008 de toets in rechte kan doorstaan. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

2.8. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000:

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. (..);

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar; (..)”.

2.9. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel

28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.10. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.11. De rechtbank stelt vervolgens voorop dat de algehele situatie in Somalië niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land en die, zoals eiser, tot de bevolkingsgroep van de Mohamed Gurgarte behoren, zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Derhalve dient eiser aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

2.12. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser de tegenwerping door verweerder, dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, niet heeft weersproken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder het ontbreken van documenten in redelijkheid aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en heeft hij derhalve het bestreden besluit mede kunnen baseren op de omstandigheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Gelet hierop bestaat er reeds geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de oprechtheid van eisers asielrelaas op voorhand wordt aangetast en aldus afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.13. Als zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1998 1999, 26 732, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van de desbetreffende vreemdeling om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.14. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eisers asielrelaas deze positieve overtuigingskracht mist. Daarbij heeft hij verwezen naar de uitkomst van de meergenoemde taalanalyse. De door eiser bij wege van zienswijze ingediende contra expertise is voor verweerder geen aanleiding geweest het ingenomen standpunt te herzien.

2.15. Overwogen wordt als volgt.

2.16. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 mei 2006 in zaak nr. 200600375/1, gepubliceerd in JV 2006/249), komt verweerder, in het geval twijfel is gerezen aan de gestelde identiteit en nationaliteit, door een taalanalyse te laten uitvoeren, de desbetreffende vreemdeling tegemoet bij de voldoening aan de op deze rustende verplichting om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

2.17. Verweerder heeft de taalanalyse door Bureau Land en Taal (BLT) laten verrichten. Eiser is met de hulp van een tolk in de Somalische taal gehoord. Uit de resultaten van de taalanalyse van 10 augustus 2007 is de conclusie getrokken dat, anders dan door hem gesteld, eiser eenduidig niet uit Zuid-Somalië afkomstig is. Eiser spreekt Somalisch, maar niet zoals dat gangbaar is in Zuid-Somalië. Hij spreekt Somalisch zoals dat gangbaar is in Noord-Somalië, aldus staat vermeld in het rapport van de taalanalyse. Voormelde conclusie van BLT is alleen gebaseerd op eisers spraak – meer specifiek op diens uitspraak, woordkeuze en de herleide grammatica – en niet tevens op de door eiser aan de dag gelegde kennis over zijn herkomstgebied. Het commentaar van de taalanalist op het relaas van de vreemdeling luidt immers: “de vreemdeling verstrekt veel informatie over zijn beweerde herkomstgebied”. Ter adstructie van die conclusie zijn in paragraaf 4.2 tot en met 4.4 door eiser tijdens de bandopname gebruikte woorden en zinnen fonetisch weergegeven en vertaald naar het Nederlands.

2.18. Eiser heeft de deugdelijkheid van de taalanalyse van verweerder betwist. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een contra expertiserapport van De Taalstudio van

9 oktober 2008 overgelegd. Dit rapport is opgesteld door een aan De Taalstudio verbonden, niet met naam genoemde, deskundige op het gebied van het Somalisch. In de contra expertise zijn – onder meer - de in de taalanalyse door BLT gehanteerde woorden en zinnen onder de loep genomen. Hierbij is door de contra-expert allereerst opgemerkt dat in het rapport taalanalyse niet is voorzien in de voor Zuid-Somalië gebruikelijke variant in uitspraak, woordkeuze en grammatica ten aanzien van die woorden en zinnen (“Note that the previous report - het rapport taalanalyse, toevoeging rechtbank - does not provide constrasts or forms for comparison”). Voorts is door de contra-expert ten aanzien van ieder woord en iedere zin gemotiveerd gesteld waarom hieruit niet kan worden geconcludeerd dat eiser eenduidig niet kan worden geplaatst in Zuid-Somalië en eenduidig wel te plaatsen is in Noord-Somalië.

Zo is herhaaldelijk gesteld dat het BLT de uitspraak heeft misverstaan (“This is a misperception”). Verder is ten aanzien van bepaalde woorden gesteld dat de uitspraak of woordkeuze algemeen gebruikelijk is in heel Somalië en de woorden dus niet bruikbaar zijn om te kunnen vaststellen uit welke regio eiser afkomstig is (‘This is just Common Somali and has no relevance for dialectal differentation/evaluation”). Naast het commentaar op de door BLT bij de totstandkoming van de taalanalyse gebruikte woorden en zinnen heeft de contra-expert ook een overzicht gegeven van door eiser gehanteerde woorden die gebruikelijk zijn in het lexicon van Zuid-Somalië of in het Benadir dialect dat wordt gesproken in de Zuidelijke kustprovincies; daarbij is steeds het Noordsomalische equivalent vermeld. Tevens is gesteld (paragraaf 7.2) dat in het rapport taalanalyse ten onrechte onvermeld is gebleven dat eiser vijftien maal het hulpwerkwoord “zijn” het vervoegd op een wijze die gebruikelijk is in het zuiden (te weten: “waaye”, hetgeen betekent “het is”). De conclusie in het contra-expertiserapport luidt vervolgens: “Based on the data, it is highly likely that the applicant was socialized in Qorlyooley” (gelegen in Zuid-Somalië).

2.19. Door BLT is op de contra expertise van 9 oktober 2008 gereageerd bij weerwoord van 3 december 2008. Hierbij heeft het BLT vraagtekens geplaatst bij de omstandigheid dat de contra-expert anoniem is gebleven. Hierdoor is diens onafhankelijkheid en deskundigheid niet vast te stellen. Evenmin is hiermee vast te stellen onder welke omstandigheden de contra-expertise heeft plaatsgevonden.

Verder heeft het BLT ten aanzien van de door De Taalstudio gehanteerde criteria, als neergelegd in de “Guidelines for the use of language analysis in relation to questions of national origin in refugee cases” gesteld dat daarin ten onrechte de specifieke deskundigheid van een moedertaalspreker terzijde wordt geschoven en dat daarin geen aandacht wordt besteed aan de toetsing van de (contra-)expert. Een linguïst met kennis van de taal in kwestie is niet per definitie geschikt als taalanalist, evenmin als een moedertaalspreker van de taal in kwestie dat is. De contra-experts van De Taalstudio worden niet getoetst op hun vermogen om op basis van een taalanalyse tot een juist oordeel te komen. Er is niets bekend over een selectieprocedure. Door De Taalstudio worden geen cross-checks uitgevoerd. Er is bij de contra-expertise geen sprake geweest van samenwerking tussen een linguïst en een moedertaalspreker, noch van controle door of bespreking met een andere linguïst. Onbekend is of de contra-expert bekend is met, dan wel rekening heeft gehouden met, de specifieke context van taalanalyses in de asielprocedure. De kwaliteit van de contra-expertises door De Taalstudio wordt op geen enkel van voormelde punten gewaarborgd, aldus het BLT. Daarnaast heeft het BLT zich uitgesproken over de conclusies die de contra-expert heeft getrokken over de inhoud van de taalanalyse, meer specifiek over de taalsituatie in Qoryooley, de door de contra-expert geconstateerde Zuid-Somalische kenmerken in de spraak van eiser, eisers landenkennis en verdere kritiek op het rapport van de BLT-analist SOM10. Het BLT heeft vervolgens geconcludeerd dat de contra-expertise niet afdoet aan de conclusie van het BLT dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap in Zuid-Somalië.

2.20. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.21. Uit de contra-expertise blijkt dat De Taalstudio de opstelling van de contra-expertise heeft verzorgd en begeleid. De Afdeling heeft in haar uitspraak van

12 november 2007 (LJN BB8491, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) overwogen dat De Taalstudio, waar het gaat om het uitvoeren van een taalanalyse, een als deskundig bekend staand bureau is. De rechtbank ziet geen reden om hierover in dit geval tot een andere conclusie te komen.

2.22. Vervolgens overweegt de rechtbank ten aanzien van de onafhankelijkheid en de deskundigheid van de door De Taalstudio ingeschakelde opsteller van de contra-expertise het volgende.

2.23. In het rapport contra-expertise staat het volgende vermeld:

“The contra-expert had a PH.D in linguistics and specializes in Somali linguistics and dialectology. The contra-expert speaks fluent Somali, among other languages. The contra-expert has published a major grammar of the Somali language, describing some new features for the first time. The contra-expert’s study of Somali dialects has greatly contributed to the advancement of science on the subject. Additionally, the contra-expert has made important contributions tot the advancement of Somali history, as well as to ethnographical and anthropological descriptions of the Somali people. (..) The contra-expert currently resides in Somalia.”

2.24. Eisers gemachtigde heeft ter zitting naar voren gebracht dat de opsteller van de contra-expertise door De Taalstudio is geselecteerd en werkzaam is volgens de criteria en richtlijnen van de “Guidelines for the Use of Language Analysis in Relation to Questions of National Origin in Refugee Cases”. Deze gegevens zijn naar het oordeel van de rechtbank controleerbaar en bieden geen grond voor het oordeel dat de opsteller van de contra-expertise niet onafhankelijk is. Ook de omstandigheid dat de contra-expert anoniem is gebleven kan niet leiden tot de conclusie dat de contra-expert niet onafhankelijk is. De rechtbank heeft geen reden om te veronderstellen dat de identiteit van de contra-expert niet bij De Taalstudio bekend is en dat zij verder ook de door deze verschafte gegevens omtrent zijn achtergrond gecontroleerd hebben.

2.25. Voorts zijn er geen objectieve aanknopingspunten naar voren gebracht om aan de deskundigheid van de opsteller van de contra-expertise te twijfelen. Hierbij volgt de rechtbank verweerder niet in het betoog dat een opsteller van een contra-expertise slechts dan als deskundige kan worden aangemerkt, indien de selectieprocedure en het toezicht waaraan hij is onderworpen aan die van het BLT gelijkwaardig zijn. In dit verband verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Afdeling van 20 september 2007 (LJN: BB5253, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). De omstandigheid dat de contra-expert geen moedertaalspreker is, althans dat geen duidelijkheid bestaat hierover, is eveneens onvoldoende om de contra-expert niet deskundig te achten. In dit verband verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2007 (LJN BB1723, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

2.26. Het vorenstaande in aanmerking nemende, ziet de rechtbank geen reden om de contra-expertise buiten beschouwing te laten bij de vraag of verweerder het rapport taalanalyse van BLT aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.27. Vervolgens overweegt de rechtbank ter beantwoording van laatstgenoemde vraag als volgt.

2.28. Blijkens meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2006 is uitgangspunt dat de taalanalyse tot stand komt onder de verantwoordelijkheid van een ter zake deskundig bureau, waarvan de kwaliteit voldoende is gewaarborgd, zoals het BLT. De taalanalisten zijn op zorgvuldige wijze geselecteerd en staan onder voortdurende kwaliteitscontrole. Indien het rapport taalanalyse op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel uitgaan van de conclusies van het rapport, tenzij sprake is van concrete aanknopingspunten om aan de juistheid en volledigheid ervan te twijfelen.

2.29. In een uitspraak van 19 mei 2009 (LJN BI5889, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) heeft de Afdeling expliciet overwogen dat aan een rapport van het BLT, net als aan andere deskundigenrapporten, de voorwaarde mag worden gesteld dat het op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en voldoende inzichtelijk is. Door het inschakelen van het BLT heeft verweerder volgens dezelfde uitspraak in beginsel voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende verplichting zich ervan te vergewissen dat de taalanalyse op deugdelijke en zorgvuldige wijze is verricht, zodat die analyse de daaraan verbonden conclusies kan dragen. De meergenoemde uitspraak van 19 mei 2009 sluit naar dezerzijds oordeel zelfs niet uit dat ook zonder een contra-expertise tot de conclusie kan worden gekomen dat niet is voldaan aan de vergewisplicht van artikel 3:2 van de Awb. Wat daarvan ook echter moge zijn, in het onderhavige geval is een dergelijke contra-expertise wel voorhanden. De te beantwoorden vraag is vervolgens allereerst of er – al dan niet op basis van de contra-expertise – gerede twijfels bestaan over de zorgvuldigheid en inzichtelijkheid van de taalanalyse en de wijze waarop deze tot stand is gekomen en zo nee, of de contra-expertise concrete aanknopingspunten biedt om tot de conclusie te komen dat getwijfeld mag worden aan de juistheid en de volledigheid van de taalanalyse.

2.30. BLT heeft op het commentaar van de contra-expert gereageerd in paragraaf 5 van het weerwoord. De rechtbank is van oordeel dat het weerwoord onvoldoende is voor de conclusie dat de inhoud van de contra-expertise geen twijfels doet rijzen aan de zorgvuldigheid en inzichtelijkheid en daarmee aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse. Zo heeft BLT blijkens het weerwoord, zij het impliciet, erkend dat in de spraak van eiser Zuidsomalische kenmerken zijn aan te wijzen (“het simpele gegeven dat er meer Zuid-Somalische dan Noord-Somalische kenmerken aanwezig zijn is naar het inzicht van BLT allerminst overtuigend voor de gestelde herkomst van betrokkene”), terwijl in het rapport taalanalyse volstrekt geen melding is gemaakt van Zuidsomalische kenmerken. Voorts heeft BLT in het weerwoord gesteld dat in de spraak van eiser meer Noordsomalische kenmerken zijn aan te wijzen dan de contra-expert wil doen voorkomen zonder deze stelling concreet te onderbouwen. Verder zijn volgens BLT de door de contra-expert aangetroffen Zuidsomalische kenmerken onregelmatig en niet overtuigend en authentiek. Ook laatstgenoemd commentaar is door BLT echter volstrekt niet onderbouwd; bovendien bevat het een erkenning van de Zuid-Somalische kenmerken in de spraak van eiser.

2.31. Onder deze omstandigheden had verweerder het rapport van het BLT niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, maar had hij de taalanalist uit een oogpunt van zorgvuldigheid moeten vragen waarop zijn conclusies waren gebaseerd.

2.32. Dat de conclusie van de contra-expert niet is dat eiser “eenduidig” te plaatsen is in Zuid-Somalië, maar heeft gesteld dat eiser zeer waarschijnlijk (“highly likely”) is gesocialiseerd in Zuid-Somalië, doet aan dit oordeel niet af. Zoals uit de contra-expertise (paragraaf 8) blijkt, maakt de contra expert gebruik van een andere schaalindeling van zeer waarschijnlijk, waarschijnlijk en niet waarschijnlijk. Volgens de contra expert is immers bij taal geen sprake van een genetische code, maar van een communicatieve code, zodat het gebruik maken van een meer voorzichtige schaalindeling niet alleen de voorkeur verdient, maar volgens hen zelfs is vereist, gelet op het feit dat er slechts een beperkt gesprek wordt onderzocht, de setting niet natuurlijk is en veel mensen meerdere dialecten spreken. Nu de contra expert de term zeer waarschijnlijk heeft gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat hij daarmee de conclusie uit de taalanalyse in hoge mate weerspreekt.

2.33. Gelet op het voorgaande treft eisers beroep doel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en daarmee onvoldoende is gemotiveerd. Het besluit is dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

2.34. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser/eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van EUR 322, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.35. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 19 december 2008;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op EUR 644,-- (wegens kosten van de rechtsbijstand), te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2009.

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 12 augustus 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.