Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6528

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/2261
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om beginseltoestemming tot opneming van een buitenlands kind ter adoptie. Uit het rapport 'raadsonderzoek opneming buitenlands kind ter adoptie' heeft een raadsonderzoeker de mogelijke risico-en beschermende factoren in het gezin onderzocht. De raad heeft geconcludeerd dat de beschermende factoren niet opwegen tegen de geconstateerde risicofactoren en heeft negatief geadviseerd. Eisers hebben een, op hun eigen verzoek door een psycholoog opgemaakt, persoonlijkheids-en relatieonderzoek ingebracht. Zij zijn van mening dat naar aanleiding hiervan verweerder om een second opinion had moeten vragen nu onderzoeken strijdig met elkaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, door middel van weergave van de procedure, voldoende heeft gemotiveerd waarom het persoonlijkheids-en relatieonderzoek geen aanleiding geeft om af te wijken van het advies van de raad. Verweerder hoefde om deze reden geen second opinion te vragen aan een externe deskundige. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/2261 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[A] en [B], wonende te [plaats], eisers,

gemachtigde mr. M.J.W. Hoek, advocaat te Alphen aan den Rijn

en

de minister van Justitie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Eisers hebben op 30 november 2005 een aanvraag om toestemming tot opneming van een buitenlands kind ter adoptie (hierna: beginseltoestemming) ingediend.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) heeft op 25 maart 2008 een negatief advies uitgebracht.

Bij besluit van 28 april 2008 heeft verweerder het verzoek om een beginseltoestemming afgewezen.

Eisers hebben hiertegen tijdig bezwaar gemaakt. In het kader van die procedure hebben zij op 12 januari 2009 een op hun eigen verzoek door de psycholoog drs. [C] (hierna: psycholoog) opgemaakt persoonlijkheids- en relatieonderzoek ingebracht.

Bij besluit van 24 februari 2009 heeft verweerder, na kennisneming van het advies van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (hierna: RSJ) het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Eisers hebben op 31 maart 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 10 juni 2009 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 6 augustus 2009 ter zitting behandeld.

Eisers zijn niet verschenen en hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [D].

II OVERWEGINGEN

1 Artikel 5 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (hierna: Wobka) luidt - voor zover hier van belang -:

1. Onze Minister beslist op het verzoek tot verlening van een beginseltoestemming of tot verlenging van de geldigheidsduur ervan eerst nadat de raad voor de kinderbescherming een onderzoek heeft ingesteld naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind of, indien de aspirant-adoptiefouders hierom hebben verzocht, van twee buitenlandse kinderen tegelijk.

(...)

5. Onze Minister beslist afwijzend op een verzoek tot verlening van beginseltoestemming:

a. indien hij een aspirant-adoptiefouder niet geschikt acht voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind;

(...)

Artikel 7 van de Wobka luidt - voor zover hier van belang -:

1. Ten behoeve van de beslissing op bezwaar tegen een besluit, inhoudende de afwijzing van een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming of tot verlenging van de geldigheidsduur ervan alsmede de intrekking van een beginseltoestemming wint Onze Minister, onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende bescheiden, schriftelijk advies in van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Artikel 7:13, tweede tot en met zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

2 Tussen partijen is niet in geschil dat ingevolge de wet bij interlandelijke adoptie het belang van het te adopteren kind bij plaatsing centraal staat.

3 De rechtbank heeft aan de hand van het rapport raadsonderzoek opneming buitenlands kind ter adoptie van 25 maart 2008 vastgesteld dat met behulp van gesprekken tussen de aspirant-adoptiefouders en een raadsonderzoeker is onderzocht wat de mogelijke risico- en beschermende factoren in het gezin zijn en wat de mogelijkheden van de aspirant-adoptiefouders zijn om een kind een thuis te geven. Het onderzoek is verricht door mevrouw [E], raadsonderzoeker, onder verantwoordelijkheid van de heer [F], teamleider. De gedragskundige mw. drs. [G] is op consultatieve wijze betrokken geweest bij het onderzoek. De gesprekken met de raadsonderzoeker hebben plaatsgevonden in november 2007 waarbij één gesprek thuis heeft plaatsgevonden en de overige op het kantoor van de raad. Er hebben voorts vijf multidisciplinaire overleggen plaatsgevonden in aanwezigheid van de gedragsdeskundige en/of teamleider.

De raad heeft in zijn advies geconcludeerd dat de beschermende factoren niet opwegen tegen de geconstateerde risicofactoren en heeft negatief geadviseerd.

4.1Bij het bestreden besluit tot handhaving van de afwijzing van een beginseltoestemming is onder meer overwogen dat de volgende risicofactoren zijn geconstateerd:

- Eiseres komt over als een impulsieve en onzekere vrouw. Zij is wisselend in haar opvattingen en ideeën en lijkt hierbij sterk beïnvloedbaar. Ondanks haar ervaringen met kinderen, lijkt zij onvoldoende in staat om voorspelbaar op te treden.

- Eiser komt erg gesloten over, emoties zijn moeilijk waarneembaar. Voor een adoptiefkind kan dit gebrek aan verbale- en non-verbale communicatie een gevoel van onveiligheid versterken dan wel veroorzaken.

- Eisers beschikken beiden over een beperkt reflecterend vermogen ten aanzien van hun relatie, hun eigen mogelijkheden, grenzen en de toekomstige ouderrol.

- De raad heeft twijfels of het echtpaar in staat is om voldoende flexibel om te gaan met de identiteitsontwikkeling van het adoptiefkind.

4.2 Na eisers en vertegenwoordigers van verweerder en de raad te hebben gehoord, heeft de RSJ overwogen dat door de raad en verweerder terecht zeer zwaarwegend gewicht is toegekend aan de bij eisers geconstateerde risicofactoren, met name die betrekking hebben op onzekerheid van eiseres, de geslotenheid van eiser en in iets mindere mate de gerezen vraag of eisers voldoende flexibel kunnen reageren op de keuze van een adoptiefkind indien die keuzes niet overeenstemmen met hun eigen achtergrond en maatschappijvisie.

Met betrekking tot het na het horen door de psycholoog opgestelde rapport van 12 januari 2009 heeft de RSJ overwogen dat het onderzoek van de raad specifiek is opgezet om na te gaan in hoeverre aspirant-adoptiefouders in staat zijn een adoptiefkind op te voeden. De raad weegt zijn bevindingen en indrukken vooral af tegen de achtergrond van die vraag. Volgens de RSJ gaat het rapport van de psycholoog onvoldoende op dit punt in. Voorts vindt de RSJ het niet duidelijk waarom in het rapport onderzoek is gedaan naar de vraag of sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, aangezien door de raad niet wordt gesuggereerd dat hier sprake van zou zijn.

5 Eisers hebben betoogd dat de RSJ de psycholoog in de gelegenheid had moeten stellen om te reageren op het standpunt van de RSJ. Nu dit achterwege is gebleven heeft de psycholoog in een brief van april 2009 op verweerders besluit gereageerd.

Ter zitting hebben eisers aangevoerd dat verweerder naar aanleiding van het door hun overgelegde persoonlijkheids- en relatieonderzoek om een second opinion had moeten vragen nu de conclusies uit het onderzoek van de raad strijdig zijn met de conclusies uit het persoonlijkheids- en relatieonderzoek.

6.1De rechtbank overweegt dat een multidisciplinair samengesteld adviesorgaan als de RSJ een bepaalde vrijheid heeft te bepalen of zij een derde die een tegenonderzoek heeft verricht gelegenheid geeft om te reageren op het standpunt van de RSJ. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de RSJ in dit geval die gelegenheid niet hoefde te bieden. Verweerder heeft bij het verweerschrift een brief overgelegd gedateerd 5 juni 2009 waarin namens de RSJ wordt ingegaan op de brief van de psycholoog van april 2009. De RSJ geeft toe dat het advies onjuist is voor zover daarin wordt gesteld dat een schriftelijke afname van een International Personality Disorder Examination (IPDE) gebruikelijk is, maar handhaaft zijn standpunt dat het beeld in het psychologisch rapport minder betrouwbaar is omdat bij de door de psycholoog afgenomen Utrechtse Copinglijst (UCL) niet wordt verklaard waarom mondeling is doorgevraagd en wat er is gevraagd en voorts dat een heldere beschrijving van de opvoedingskwaliteiten van eisers tegen de achtergrond van een mogelijke adoptie wordt gemist.

6.2 Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd waarom het persoonlijkheids- en relatieonderzoek geen aanleiding heeft gegeven om een second opinion te vragen. Verweerder heeft ter onderbouwing hiervan de procedure beknopt weergegeven. Eisers hebben, na te hebben deelgenomen aan de voorlichtingsbijeenkomsten, een aantal gesprekken gehad met een raadsonderzoeker van de raad. Nadat er bij de raadsonderzoeker twijfels waren gerezen over de geschiktheid van eisers als adoptiefouders, hebben eisers een gesprek gehad met een gedragsdeskundige van de raad. Op 25 maart 2008 heeft de raadsonderzoeker in samenspraak met de gedragsdeskundige, verweerder geadviseerd geen beginseltoestemming voor adoptie te verlenen aan eisers.

Voorts heeft de commissie van de RSJ het advies van de raad beoordeeld en kennisgenomen van het door eisers overgelegde persoonlijkheids- en relatieonderzoek. De RSJ heeft in zijn advies uiteengezet waarom hij van mening is dat de conclusies uit het persoonlijkheids- en relatieonderzoek geen aanleiding geven om af te wijken van het advies van de raad.

Verweerder stelt dat het advies van de raad zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende onderbouwd is. Nu ook het persoonlijkheids- en relatieonderzoek geen aanleiding heeft gegeven om af te wijken van het advies van de raad, ziet verweerder geen reden om een second opinion te vragen.

7 De rechtbank is met verweerder van mening dat de RSJ voldoende heeft gemotiveerd waarom het persoonlijkheids- en relatieonderzoek geen aanleiding geeft om af te wijken van het advies van de raad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat nu er geen reden was om af te wijken van het advies van de raad, verweerder geen second opinion hoefde te vragen aan een externe deskundige. Daarnaast merkt de rechtbank op dat ook het feit dat het gesprek met de gedragsdeskundige volgens eisers niet goed is verlopen en wellicht heeft bijgedragen aan de afwijzing van de beginseltoestemming, er niet toe kan leiden dat verweerder om een second opinion had moeten vragen. Hiertoe wordt overwogen dat de beginseltoestemming niet is geweigerd vanwege het gesprek met de gedragsdeskundige. Het gesprek met de gedragsdeskundige werd namelijk pas gevoerd nadat de raadsonderzoeker reeds twijfelde aan de geschiktheid van eisers.

8 Naar aanleiding van het verzoek van eisers aan de rechtbank om een nieuw onderzoek door een deskundige te gelasten, wordt het volgende overwogen. De rechtbank is van oordeel dat nu zowel de deskundigen van de raad als de deskundigen van de RSJ, ook na kennisneming van het rapport van de psycholoog hun conclusie handhaven dat eisers niet geschikt worden geacht voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind als bedoeld in artikel 5 sub a van de Wobka, er onvoldoende aanknopingspunten zijn om een nieuw onderzoek te gelasten.

9 Op grond van al het vorenstaande wordt het beroep ongegrond verklaard.

10 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.P. Kleijn, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Pruijn.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.