Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6452

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
Awb 08/45188
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK0707, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak, Definitierichtlijn, uitzonderlijke situatie en categoriaal beschermingsbeleid.

De rechtbank verstaat de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en de Afdeling aldus dat een vreemdeling, indien hij een ongeloofwaardig relaas heeft, geen aanspraak kan maken op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn, tenzij de vreemdeling afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat die vreemdeling die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op schade bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c van de richtlijn.

Nu, zoals hiervoor door de rechtbank is geoordeeld, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser niet geloofwaardig is, heeft eiser, gelet op voornoemde jurisprudentie, geen aanspraak op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn, tenzij hij afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals voornoemd.

Daarom rest de vraag of ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 24 december 2008 de mate van het willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict op dat moment in Irak in het algemeen en in Khanaqin in het bijzonder dermate hoog was, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico liep op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon.

Uit het ambtsbericht van 26 juni 2008 volgt dat de veiligheidssituatie in Irak aan het verbeteren is. Hoewel de veiligheidssituatie in Irak slecht en onverminderd van grote zorg is, is de rechtbank van oordeel dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict ten tijde van het bestreden besluit ( 24 december 2008) in Irak in het algemeen en in Khanaqin in het bijzonder niet dermate hoog was, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico liep op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon. De door eiser overgelegde rapporten, weliswaar in het kader van zijn beroep op een verblijfsvergunning op grond van het categoriaal beschermingsbeleid, leiden niet tot een ander oordeel, omdat niet is gesteld, noch is gebleken dat uit die stukken volgt dat de mate van het willekeurig geweld ten tijde van het bestreden besluit dermate hoog was dat sprake was van een uitzonderlijke situatie zoals voornoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Meervoudige kamer

Zaaksnummer: AWB 08/45188 BEPTDN S7

Uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2009

inzake:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Iraakse nationaliteit,

IND-dossiernummer: [nummer],

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer, advocaat te Utrecht,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: S. Raterink, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Op 18 december 2008 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 24 december 2008 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 29 december 2008 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit. Bij verzoekschrift van 29 december 2008 heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 9 januari 2009 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep door een meervoudige kamer heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 april 2009. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Desgevraagd ter zitting heeft verweerder bij schrijven van 17 april 2009 een tweetal vragen van de rechtbank schriftelijk beantwoord. Eiser heeft van de gelegenheid om op voornoemd schrijven van verweerder te reageren geen gebruik gemaakt.

Bij schrijven van 15 juni 2009 heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat de rechtbank kennis heeft genomen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 mei 2009, JV 2009/291. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de rechtbank besloten het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 Awb te heropenen en partijen in de gelegenheid te stellen op voornoemde uitspraak te reageren.

Bij schrijven van 22 juli 2009 heeft verweerder, onder verwijzing naar voornoemde brief van 17 april 2009, gereageerd in die zin dat verweerder geen aanleiding ziet een nadere reactie aan de rechtbank te doen toekomen

Eiser heeft geen nadere reactie aan de rechtbank doen toekomen,

Partijen hebben toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Motivering

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Verweerder heeft de aanvraag mede op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 afgewezen, omdat eiser ter staving van zijn aanvraag toerekenbaar geen reispapieren heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Verder stelt verweerder dat het relaas van eiser niet past in het beeld wat bekend is over de situatie in Irak. Daarom stelt verweerder zich op het standpunt dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser en dat het asielrelaas een positieve overtuigingskracht ontbeert. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de verklaring van eiser, dat de vader van Ahmed naar hem op zoek zou zijn omdat de vader van Ahmed eiser en Ahmed heeft betrapt toen zij een homoseksuele film zaten te kijken en daarbij intiem contact hadden, slechts op vermoedens is gebaseerd. Daarom is niet geloofwaardig dat eiser te vrezen zou hebben van de vader van Ahmed en heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen geloof wordt gehecht aan de verklaringen van eiser.

Naar vaste jurisprudentie behoort de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst.

Volgens vaste jurisprudentie pleegt de staatssecretaris het relaas van de asielzoeker en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoen. Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 Vw 2000 in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reispapieren heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen documenten heeft ingebracht ten aanzien van zijn reisroute. Het standpunt van eiser, dat hij door alles te vertellen wat hij heeft gezien tijdens de reis en daarmee zijn bereidheid heeft getoond zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van de reisroute, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Eiser heeft weliswaar enige gedetailleerde en coherente verklaringen aangaande zijn reis afgelegd, maar hij heeft geen verifieerbare verklaringen afgelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de conclusie heeft kunnen trekken dat het ontbreken van documenten inzake de reisroute aan eiser is toe te rekenen.

Gelet op het voorgaande en gelet op het bepaalde in hoofdstuk C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

Daarom ziet de rechtbank zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Verweerder stelt zich in dit verband op het standpunt dat het relaas van eiser niet past in het beeld dat wat bekend is over de situatie in Irak. De verklaringen van eiser, samengevat, dat homoseksuele films vrij verkrijgbaar zijn in Irak en dat hij op straat alcohol dronk, passen volgens verweerder niet in het beeld zoals dat in het ambtsbericht inzake Irak van 27 juni 2008 wordt geschetst.

Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder. Hij stelt in dit verband eerst dat hij de Arabisch sprekende Koerdische tolk niet zo goed heeft begrepen. Daarom heeft hij zich niet goed kunnen uitdrukken. Zo heeft hij niet bedoeld te zeggen dat het gewoon was om homoseksuele films te kopen. Volgens eiser gebruikt hij het woord “gewoon” als stopwoord en niet in de letterlijke betekenis van het woord. Verder heeft hij niet in het openbaar alcohol gedronken en zijn zijn verklaringen omtrent het alcoholgebruik niet in strijd met hetgeen in het ambtsbericht staat vermeld.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat niet is gesteld of gebleken dat eiser in strijd met artikel 38 Vw 2000 is gehoord in een taal waarvan redelijkerwijze niet kan worden aangenomen dat eiser die niet kan verstaan. Gelet hierop, maar ook gelet op de gerichte vragen van verweerder tijdens het nader gehoor inzake het kunnen kopen van homoseksuele films en het alcoholgebruik in het openbaar, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiser hieromtrent niet overeenkomen met hetgeen in het ambtsbericht staat vermeld. Dat uit het rapport van gehoor volgt dat eiser regelmatig de woorden “gewoon” en “normaal” bezigt, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het door eiser overgelegde artikel van IRIN maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank evenmin anders. Hoewel uit het artikel volgt dat het alcohol gebruik is toegenomen, volgt uit het artikel eveneens dat verkoop van alcohol in het openbaar minder vaak voorkomt. De rechtbank verwijst in dit verband naar het citaat: ”We no longer sell in shops but from our own houses”.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser een positieve overtuigingskracht ontbeert en dat daarom geen geloof wordt gehecht aan zijn verklaringen.

Voor zover eiser een beroep doet op het beleid van verweerder inzake homoseksuelen afkomstig uit Irak, oordeelt de rechtbank als volgt.

Homoseksuelen uit Irak worden aangemerkt als risicogroep als bedoeld in C14/4.5 Vc 2000. Uit dit beleid volgt dat wanneer deze personen zich beroepen op problemen op basis van hun homoseksualiteit van de zijde van de huidige (centrale) autoriteiten, of derden, of met medeburgers, en er is sprake van een geloofwaardig en individualiseerbaar asielrelaas, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het enkele feit dat eiser homoseksueel is niet betekent dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De omstandigheid dat eiser vier jaar geleden vanwege zijn geaardheid is mishandeld betekent evenmin dat hij vluchteling is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, mede gelet op zijn standpunt dat geen geloof wordt gehecht aan de verklaringen van eiser, op voornoemd standpunt kunnen stellen en treft de stelling van eiser, dat hij vreest voor vervolging vanwege zijn seksuele geaardheid en dat hij behoort tot een risicogroep, geen doel.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

Ten aanzien van artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij het risico loopt op folteringen of op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verweerder wijst in dit verband naar hetgeen inzake de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser is overwogen. Verder heeft verweerder in dit verband overwogen dat eiser niet behoort tot een door de staatssecretaris aangewezen kwetsbare minderheidsgroep.

Verweerder stelt zich in dit verband, samengevat, verder op het standpunt dat een beroep op artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004, inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven (hierna: de richtlijn) van de Raad van de Europese Unie niet kan slagen, omdat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. In dit verband stelt verweerder zich op het standpunt dat de toelatingsgrond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 alle situaties die zijn beschreven in artikel 15 van de richtlijn, dus ook die van onderdeel c, omvat.

Bij schrijven van 17 april 2009 heeft verweerder zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat het aan de vreemdeling is aannemelijk te maken dat in zijn land van herkomst sprake is van een internationaal of intern gewapend conflict. Daarnaast acht verweerder het wenselijk dat het Ministerie van Buitenlandse zaken in de algemene ambtsberichten een toetsing opneemt van de vraag of in een land sprake is van een gewapend conflict volgens de definitie van de Afdeling. Dat in het bestreden besluit en ter zitting geen standpunt is ingenomen over de vraag of in Irak sprake is van een gewapend conflict, brengt volgens verweerder niet met zich mee dat de besluitvorming onzorgvuldig is. Immers, in het licht van de toets aan artikel 3 EVRM is reeds beoordeeld of het relaas, bezien tegen de algehele achtergrond van de algehele situatie in het land van herkomst, geen aanleiding geeft om te concluderen dat er een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. In de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is nimmer de mogelijkheid uitgesloten dat de algehele situatie zo slecht is in een bepaald land, dat terugkeer naar dat betreffende land enkel om die reden al een risico in de zin van artikel 3 EVRM met zich mee zou brengen. Dit ziet echter op uitzonderlijke situaties. Van een dergelijke situatie is in Irak volgens de staatssecretaris geen sprake.

Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict, zoals omschreven door de Afdeling in een uitspraak van 20 juli 2007. Hij wijst in dat verband naar een bericht van Radio Free Europe van 31 augustus 2008 en een bericht van de BBC van 13 september 2008. Verder wijst eiser naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Haarlem en Amsterdam. Hoewel eiser daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij geen nader standpunt ingenomen naar aanleiding van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009.

De rechtbank oordeelt als volgt.

In de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van de EG van 17 februari 2009, JV 2009/111, staat het volgende:

“Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 15, sub c, van de richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 2, sub e, van deze richtlijn, moet worden uitgelegd als volgt:

– opdat sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, is het niet noodzakelijk dat deze persoon aantoont dat hij specifiek wordt geviseerd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden;

– bij wijze van uitzondering kan een dergelijke bedreiging worden geacht aanwezig te zijn wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict, die wordt beoordeeld door de bevoegde nationale autoriteiten waarbij een verzoek om subsidiaire bescherming is ingediend of door de rechters van een lidstaat bij wie beroep is ingesteld tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek, dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op die bedreiging zou lopen.”

De Afdeling overweegt in voornoemde uitspraak van 25 mei 2009 in rechtsoverweging 2.3.8, dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

De Afdeling overweegt vervolgens in rechtsoverweging 2.3.9. dat artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn toepassing mist, indien de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict minder hoog is dan in de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie. De desbetreffende vreemdeling kan in dat geval, gezien de rechtsoverwegingen 39 en 40 in voornoemde uitspraak van het Europees Hof van Justitie, aan artikel 15, aanhef en onder a en b, van de richtlijn wel aanspraak op bescherming ontlenen, indien hij erin slaagt aannemelijk te maken dat hij specifiek wordt bedreigd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank verstaat voornoemde jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en de Afdeling aldus dat een vreemdeling, indien hij een ongeloofwaardig relaas heeft, geen aanspraak kan maken op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn, tenzij de vreemdeling afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat die vreemdeling die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op schade bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c van de richtlijn.

Nu, zoals hiervoor door de rechtbank is geoordeeld, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser niet geloofwaardig is, heeft eiser, gelet op voornoemde jurisprudentie, geen aanspraak op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn, tenzij hij afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals voornoemd.

Daarom rest de vraag of ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 24 december 2008 de mate van het willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict op dat moment in Irak in het algemeen en in Khanaqin in het bijzonder dermate hoog was, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico liep op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat terugkeer naar Irak niet van een bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar en dat daarin het oordeel besloten ligt dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals hiervoor bedoeld.

Eiser heeft geen expliciet standpunt ingenomen of er naar zijn mening sprake is van een uitzonderlijke situatie.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Khanaqin gelegen in Centraal-Irak.

Uit het ambtsbericht van 26 juni 2008 volgt dat de veiligheidssituatie in Irak aan het verbeteren is. Hoewel de veiligheidssituatie in Irak slecht en onverminderd van grote zorg is, is de rechtbank van oordeel dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict ten tijde van het bestreden besluit ( 24 december 2008) in Irak in het algemeen en in Khanaqin in het bijzonder niet dermate hoog was, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico liep op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon. De door eiser overgelegde rapporten, weliswaar in het kader van zijn beroep op een verblijfsvergunning op grond van het categoriaal beschermingsbeleid, leiden niet tot een ander oordeel, omdat niet is gesteld, noch is gebleken dat uit die stukken volgt dat de mate van het willekeurig geweld ten tijde van het bestreden besluit dermate hoog was dat sprake was van een uitzonderlijke situatie zoals voornoemd.

Uit het voorgaande en gelet op hetgeen in voormelde uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 is overwogen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiser naar het oordeel van de rechtbank aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

De rechtbank ziet zich ten slotte gesteld voor de vraag of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000

Ingevolge artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) zijn de indicatoren die in ieder geval zullen worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in voormeld artikel 29, eerste lid, onder d:

a. de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b. de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voorzover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c. het beleid in andere landen van de Europese Unie (hierna: de EU).

Volgens vaste jurisprudentie moet de vraag of een asielzoeker voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in aanmerking komt, worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Daarbij komt de staatssecretaris een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met wettelijke voorschriften, dan wel de staatssecretaris bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen.

Het is de taak van de rechter de beoordeling door de staatssecretaris van de algehele situatie van het land van herkomst, die tot stand pleegt te komen in overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan die maatstaven te toetsen, niet om een eigen oordeel omtrent de algehele- en veiligheidssituatie aldaar in de plaats van dat van de staatssecretaris te stellen. De rechter dient het desbetreffende oordeel van de staatssecretaris in beginsel te respecteren.

Bij brief van 12 september 2008 aan de voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal heeft de Staatssecretaris van Justitie de kamer geïnformeerd over de beleidsontwikkeling op het gebied van het landgebonden asielbeleid inzake Irak. De staatssecretaris wijst in deze brief op de omstandigheid dat de Minister van Buitenlandse Zaken op 27 juni 2008 een nieuw algemeen ambtsbericht Irak heeft uitgebracht. In dit algemeen ambtsbericht wordt de huidige situatie in Irak beschreven. Zowel op grond van dit ambtsbericht, waaruit volgt dat de veiligheidssituatie in Irak aan het verbeteren is, als op grond van het beleid van omringende landen, heeft de staatssecretaris het besluit genomen om het op 2 april 2007 ingestelde beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, te beëindigen.

De Tweede kamer heeft op 9 oktober 2008 ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging. Bij wijzigingsbesluit (WBV) van 10 november 2008, nummer 2008/28 is het beleid gewijzigd. Het beleid is op 22 november 2008 in werking getreden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de situatie in Irak sinds de openbaarmaking van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 27 juni 2008 is verslechterd. In dit verband heeft eiser verwezen naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 1 oktober 2008 en een brief van Amnesty International van 6 oktober 2008 waaruit volgens eiser blijkt dat noch het algemeen ambtsbericht met betrekking tot Irak van 27 juni 2008, noch het beleid en de praktijk van de EU-lidstaten Denemarken, Verenigd Koninkrijk en Zweden de conclusie kunnen dragen dat de veiligheidssituatie in Irak aan het verbeteren is. Tevens heeft eiser verwezen naar een notitie van Vluchtelingenwerk over de veiligheidssituatie in Centraal-Irak van oktober 2008. Voorts heeft eiser nog verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 23 december 2008, AWB 08/42598.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat niet is gesteld of gebleken dat uit voornoemde rapporten van Amnesty International en Vluchtelingenwerk Nederland volgt dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van juni 2008. Uit de rapporten volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer dat Amnesty en Vluchtelingenwerk van oordeel zijn dat dient te worden getwijfeld aan de conclusie van de staatssecretaris dat de situatie in Irak aan het verbeteren is, maar veeleer dat deze verbetering volgens Amnesty en Vluchtelingenwerk niet duurzaam is en dat de situatie niet zodanig is dat mensen weer veilig kunnen terugkeren.

De rechtbank wijst vervolgens naar vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat verweerder het beleid van omringende landen bij zijn besluit om het beleid van categoriale bescherming te beëindigen kan betrekken. Voorts stelt de rechtbank vast dat voornoemde brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 1 oktober 2008 aan de Tweede Kamer is gericht en dat de Tweede kamer desondanks op 9 oktober 2008 heeft ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging. De brief van Amnesty International van 6 oktober 2008 is gericht aan de Staatssecretaris van Justitie. Deze brief is, gelet op het verslag van het overleg met de Tweede Kamer op 9 oktober 2008, (kamerstuk 2008-2009, 19637, nr. 1233), in de kamer ter sprake gekomen. Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat de staatssecretaris op de hoogte is van de inhoud van voornoemde brieven, maar dat de staatssecretaris hierin geen aanleiding heeft gezien om af te zien van de voorgenomen beleidswijziging.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er derhalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Irak te beëindigen. Verweerder baseert zijn besluit op voornoemd ambtsbericht van juni 2008. Hoewel volgens verweerder de conclusie kan worden getrokken dat uit dit ambtsbericht volgt dat de veiligheidssituatie in Irak zorgwekkend is, heeft verweerder bij zijn besluit van belang geacht, en naar het oordeel van de rechtbank mogen achten, de omstandigheid dat de situatie in Irak aan het verbeteren is. Het standpunt van eiser dat deze verbetering duurzaam moet zijn, voordat wordt besloten het beleid van categoriale bescherming te beëindigen, vindt geen steun in de wet of regelgeving en treft derhalve geen doel. Nu voorts de Tweede kamer heeft ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging, en de staatssecretaris, naar mag worden aangenomen, goed is geïnformeerd over de veiligheidssituatie in Irak, is de rechtbank van oordeel, mede gelet op de ruime beoordelingsmarge die de staatssecretaris toekomt, dat er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat staatssecretaris niet tot haar beslissing heeft kunnen komen het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Irak te beëindigen. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Het beroep is, gelet op het voorgaande, ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P. Claus, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. J.H.W.R Orriëns-Schipper, leden, bijgestaan door mr. M. Buikema, griffier.

mr .M. Buikema mr. W.P. Claus

In het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2009

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

afschrift verzonden op: