Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6432

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
252352 / HA ZA 08-1503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Chauffeur XTC-transport IRT periode spreekt staat aan uit onrechtmatige daad (uitlokking). Verwijten treffen geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE (nevenzittingsplaats Utrecht)

252352 / HA ZA 08-150322 april 2009

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 252352 / HA ZA 08-1503

Vonnis van 26 augustus 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.P. den Hertog,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 3 december 2008 waarin een comparitie van partijen is gelast;

het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 27 januari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is op 6 mei 1993 in Engeland aangehouden. Hij bestuurde toen een vrachtwagen waarin verdovende middelen verborgen waren. De Engelse autoriteiten hebben de verdovende middelen in de vrachtwagen gevonden en [eiser] vervolgd.

2.2. [eiser] is in Engeland veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijfentwintig jaar. [eiser] is in hoger beroep gegaan en in hoger beroep is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar.

2.3. [eiser] werd gedurende de eerste vijf jaren van zijn gevangenisstraf gedetineerd in een gevangenis met verzwaard regime. Dat regime betekende dat hij slechts sporadisch bezocht kon worden en stond ook aan vervroegde invrijheidstelling in de weg.

2.4. Op 16 mei 2003 is [eiser] vrijgelaten.

2.5. [eiser] is begin 1993 in contact gekomen met [A], via een kennis die de broer van [eiser] benaderde. De gebroeders [eiser en broer] hadden een transportbedrijf dat financieel in de problemen was geraakt.

2.6. [eiser] heeft, vóór het transport van 6 mei 1993, vijfmaal verdovende middelen naar Engeland vervoerd, steeds in opdracht van [A].

2.7. [A] onderhield contacten met de politie; hij was als informant/infiltrant bekend bij het interregionaal rechterche team (IRT), waardoor de politie op de hoogte was van de drugstransporten naar Engeland en de rol van [eiser] daarbij. Een en ander is naar voren gekomen uit het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie en het rapport van het Fort-team van de Rijksrecherche naar aanleiding van het onderzoek naar het functioneren van de [naam rechercheteam] (hierna: het rijksrechercherapport).

2.8. Paragraaf 6.3 van het rijksrechercherapport is gewijd aan het XTC-Engeland-traject. De paragraaf wordt afgesloten met een samenvatting van de bevindingen van het Fort-team. Als bevindingen staat er (6.3.11):

· Niet is gebleken dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk op de hoogte waren van het transport van XTC en andere verdovende middelen vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk op 5 en 6 mei 1993;

· De politie (het IRT) en het OM waren, door de goede informatieposities, de gepleegde observaties en de gegevens van DTOO zeer nauwkeurig op de hoogte van het doen en laten van de XTC-groepering;

· Onduidelijk is en blijft waarom niet, op enig moment, een transport van XTC-pillen naar het Verenigd Koninkrijk of een retourtransport van geld naar Nederland door het IRT werd onderschept. Niet gebleken is dat het IRT door het meermalen laten lopen van de transporten meer zicht kreeg op de criminele groepering of dat de moeilijke positie van de informant/infiltrant wijzigde of dat men nadere pogingen heeft ondernomen uit de sfeer van uitlokking te geraken;

· (…)

· Er is in casu geen sprake geweest van een verkapte uitlevering omdat de aanhouding van de chauffeur in het Verenigd Koninkrijk op 6 mei 1993 niet plaats vond naar aanleiding van door Nederlandse autoriteiten verstrekte informatie met betrekking tot het verdovende middelen transport. De chauffeur is willens en wetens aan de drugssmokkel blijven meewerken;

· (…)

· (…)

· De souvereiniteit van het Verenigd Koninkrijk, met betrekking tot de invoer en doorvoer van verdovende middelen, werd geschonden en kennelijk ondergeschikt gemaakt aan het belang van een Nederlandse opsporingsmethode;

· [B] heeft onjuist geopereerd hetgeen blijkt uit het feit dat hij:- over onvoldoende kennis beschikte met betrekking tot het XTC-traject (o.a. het aantal transporten); - ondanks de 'sfeer van uitlokking' is doorgegaan met de chauffeur in het traject; - XTC-pillen en andere verdovende middelen op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk heeft laten brengen; - veelvuldig aan informatie ten onrechte de rubricering B4 heeft toegekend; - zaaks-OVJ [C] onvoldoende heeft ingelicht over de lopende onderzoeken; - met betrekking tot de gestelde Kamervragen informatie heeft achtergehouden voor de minister; - ten onrechte het XTC-traject heeft afgeschermd op een moment dat dit ter bescherming/beveiliging van de informant/infiltrant niet meer nodig was. Deze was reeds in augustus 1994 afgekocht en uit het zicht verdwenen. - kennelijk een afwijkende opvatting had over zijn verantwoordelijkheid;

· [D] heeft onjuist geopereerd hetgeen blijkt uit het feit dat hij: - ondanks de 'sfeer van uitlokking' is doorgegaan met de chauffeur in het traject; - XTC-pillen en andere verdovende middelen op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk heeft laten brengen, (...); - heeft toegelaten dat veelvuldig aan informatie (...), ten onrechte, de rubricering B4 werd toegekend en

· Uit [rechercheteam]-informatierapporten, zoals vermeld in het informanten-bulletin van het IRT bijkt dat er tenminste 1.450.000 XTC-pillen, 1840 kilo stuff en 200 kilo amfetmanine naar het Verenigd Koninkrijk is gegaan. In totaal is er ten minste f 13.000.000 vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland gekomen als betaling voor de verdovende middelen.

2.9. [eiser] is in 1998, tijdens zijn verblijf in de gevangenis in Engeland, door Nederlandse inspecteurs van politie in bijzijn van zijn advocaat mr. [M] en officier van justitie mr. [G] verhoord. In het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal van 3 augustus 1998 staat als zijn verklaring onder meer:

In januari 1993 had ik op een zondagmorgen een afspraak met [A] (de rechtbank begrijpt telkens: de man die ook wordt aangeduid als [A]) en [E] (…) Ik was daar samen met mijn broer [naam broer]. Het gesprek ging over de transporten die ik moest uitvoeren en de documenten die daarbij hoorden. [A] had een attachékoffer bij zich en legde deze bij binnenkomst in het restaurant op tafel. [naam broer] en ik zaten aan weerskanten van [A] en ik zag dat, toen [A] zijn koffer opende, hij daar een pistool in had liggen. Ik schrok daarvan en had dit niet verwacht. [A] zag dat wij, mijn boer en ik, naar dat pistool keken en hij zei: “Dit is het liquidatieteam”. Ook later heb ik het pistool bij [A] in zijn koffertje zien liggen. Ik zag, als hij zijn koffertje opende om mij te betalen, dat het pistool erin lag.

De tweede persoon die mij bedreigde was een zekere [F]. Bij elk smokkel transport naar en vanuit Engeland moest ik deze [F] meenemen in opdracht van [A]. Ik moest hem [F] noemen, dus zijn volledige naam ken ik niet. Deze [F] was altijd bewapend met een pistool en ging voor de beveiliging van het transport mee tot de ferryboot. (…) Als ik terugkwam uit Engeland met smokkelwaar dan stond deze [F] mij weer op te wachten als ik van de veerboot afkwam. Deze [F] vertelde mij dat als ik iets verkeerd deed hij mij neer zou schieten. Ik had niets in te brengen en durfde niets te doen wat hij niet goed vond. Ik heb eens voor de grap geprobeerd om zijn pistool te pakken. Toen [F] dit merkte zei hij: “Als je dat nog eens doet dan schiet ik door het matras je ballen eraf.” (…)

Ik heb begin maart 1993, het was op een zondag, een flinke ruzie gehad met [A]. Ik wilde stoppen met de transporten omdat het mij financieel niets opleverde. Ik vond dat ik te weinig transporten reed. (…) Ik was [A] zijn verhalen gewoon zat, ik ontving lang niet genoeg geld om mijn schulden af te betalen. (…)

Ik zei [A] dat ik wilde stoppen met de transporten. [A] maakte mij tijdens dat gesprek duidelijk dat ik geen keus had. Hij zei letterlijk: “Het is niet aan jou om te beslissen dat je stopt. Dat bepalen ik en anderen wel.” Ik heb dit als een bedreiging ervaren mede gezien het feit dat ik zelf gezien had dat [A] altijd een pistool in zijn koffer had en wist dat [F], de “[F]” die mij begeleidde in mijn vrachtwagen, ook gezegd had dat hij mij zou neerschieten als ik iets verkeerd deed.

2.10. Op verzoek van [eiser] heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Op 22 april 2004 heeft de rechter-commissaris van de rechtbank 's-Gravenhage [eiser] als getuige gehoord, die onder meer verklaarde:

Ik ben in december 1992 betrokken geraakt bij de transporten van XTC naar Engeland. Mijn broer, [naam broer], werd benaderd door iemand bij ons uit de buurt, de heer [E]. Deze stelde voor dat wij een transport zouden regelen naar Engeland. Mijn broer en ik hadden samen een bedrijf dus mijn broer heeft gezegd dat hij dat met mij moest bespreken. Er heeft vervolgens één ontmoeting plaatsgehad met [E], [A], mijn broer en ikzelf. (...) Ik kende [A] (de rechtbank begrijpt telkens: [A]) voordien niet. [E] en [A] vroegen ons of wij bereid waren een trekker aan te schaffen voor een trailer zou worden gezorgd. In de trailer zou een verborgen ruimte zijn aangebracht. Ons werd verteld dat in die geheime ruimte XTC zou worden verborgen. (...) Ik denk dat wij werden benaderd omdat in de buurt bekend was dat wij financiële problemen hadden. (...) [A] beloofde ons voor dat eerste transport een bedrag van NLG 100.000-. Het eerste transport vond plaats in januari 1993. Het transport liep goed maar de betaling gaf problemen. (...) Er hebben in totaal ongeveer 5 transporten plaatsgevonden. Eind april 1993 heb ik aangegeven dat ik niet meer verder wilde. Ik was niet gelukkig met de transporten en de betaling verliep niet zoals afgesproken. De NLG 100.000,- is nooit gehaald. NLG 50.000,- was het hoogste, dat zal voor het derde of vierde transport geweest zijn. Eén keer toen ik aangaf te willen stoppen heeft [A] mij NLG 20.000,- gegeven buiten de transporten om. [A] heeft mij nooit gevraagd te stoppen. Toen ik aangaf te willen stoppen heeft hij mij ooit bedreigd. Hij was altijd bewapend en gaf aan “dat maken wij wel uit of jij stopt”. (...)

In 1998 ben ik bezocht door officier van Justitie [G]. Enige tijd later werd mijn high risk status verlaagd tot categorie A. (...)

Het was op een zondag dat ik zei dat ik ermee wilde ophouden. (...) Ik maakte een afspraak met [A] in Bruinisse. (...) [E] zat ook in de auto bij [A]. Het liep hoog op, zo hoog dat [E] de auto ontvluchtte, hij was bang voor kogels. Zover kwam het niet, [A] betaalde mijn NLG 20.000,- en beloofde dat het bij het volgende transport wel goed zou komen met het geld. Hij vertelde mij dat ik niet kon stoppen. Ik was niet happy want ik begreep dat ik niet terug kon. Ik wilde eigenlijk op een gewone manier gedurende 5 dagen de kost verdienen in plaats van op 2. [A] had mij duidelijk gemaakt dat ik geen keus had.

2.11. Op 14 oktober 2004 heeft de rechter-commmissaris mr [G], destijds officier van justitie te Breda, als getuige gehoord. Hij verklaarde onder meer:

Ik ben (...) pas bij de kwestie betrokken geraakt nadat [eiser] was veroordeeld. (...)

In 1994 ben ik op verzoek van [H] in Haarlem begonnen. Mijn taak was het de bezem halen door de [rechercheteam]'s en herstructurering van de inlichtingendiensten bewerkstelligen, waarbij de taak van de officier van justitie duidelijk werd belegd. (...)

Mr. [M] had diverse malen om informatie verzocht naar aanleiding van de bevindingen van het Fort-team. Nadat de brief ongeveer twee jaar oud was, nam [N], voorzitter van het college, contact op met [O]. Met [O] werd afgesproken dat ik naar de zaak zou kijken. (...)

Ik ben twee maal naar Engeland geweest samen met mr. [M], teneinde [eiser] te bezoeken. Daarna ben ik alleen nog een keer geweest. Er zijn bij gelegenheden een vijftal verklaringen opgemaakt. Ik had geen reden om aan de verklaringen van [eiser] te twijfelen, aangezien die verklaringen overeenkwamen met de informatie uit het IRT-dossier en de informatie die ik had gekregen van uit mijn gesprekken met mr. [B]. (...)

Na mijn bezoek aan Engeland heb ik op verzoek van het college een kort onderzoek verricht in Engeland. Dit had verband met vragen van Engelse zijde. De Criminal Cases Review Commission (CCRC) deed onderzoek naar de rechtsgang rond een medeverdachte, [I]. [I] was tezamen met [eiser] veroordeeld. (…)

Naar aanleiding van dat onderzoek in de zaak [I], werd [I] op vrije voeten gesteld. Ons idee was dat voor [eiser] hetzelfde zou kunnen gelden. [eiser] heeft zijn zaak aangebracht bij de commissie, maar dat heeft niet mogen baten. Een politieman heeft het dossier in de zaak bekeken. Deze bevestigde het verhaal van [eiser]. Ik heb met [P] de gang van zaken rond de commissie besproken. Het bleek dat de heer [Q], teamleider, beschikte over informatie vanuit Nederland dat [eiser] bevrijd zou worden door de criminele organisatie. Daarom werd hij aangemerkt als een high risk-gevangene. De eerste informatie over dit bevrijdingsgevaar is ontleend aan een afgeluisterd gesprek tussen [eiser] en zijn Nederlandse advocaat [R]. Dit bleek uit het disclosure part van het dossier. Dat is het deel van het dossier dat wel aan de rechter wordt gepresenteerd, maar niet aan de verdediging. Een kopie van het paspoort van [R] zat ook in het disclosure part. [R] zou hebben gezegd: “Hou je stil, bemoei je er niet mee, je wordt er uit gehaald”, of woorden van gelijke strekking. Hem was ook het onderhoud van zijn familie in het vooruitzicht gesteld. (...)

Genoemde [Q] had eigen contacten in Nederland. Met wie hij die contacten had, weet ik niet. Het waren politiemensen. De informatie die [Q] had verkregen had betrekking op een andere criminele organisatie, maar [Q] bleef die informatie insteken in de zaak van [eiser]. (...) Ik weet niet meer op welke criminele organisatie deze betrekking had.

(...)

Mijn conclusie was dat er geen informatie was verstrekt door Nederland ([rechercheteam] Haarlem) aan Engeland op basis waarvan [eiser] in een verzwaard regime moest worden gehouden. Wel is andere, mogelijk juiste, maar onjuiste informatie in relatie tot [eiser], door [Q] gebruikt in de richting van [eiser]. Mijn rapportages bevatten verder informatie van de IRT ten behoeve van de CCRC, zoals informatie met betrekking tot de vrachtwagen en de bergplek en de bevindingen van het Engelse onderzoek. Ik vond dat de Nederlandse Staat iets moest ondernemen met betrekking tot [eiser]. Hij zat immers op onjuiste gronden in een verzwaard regime. Een verzwaard regime impliceert dat geen recht bestaat op vervroegde invrijheidsstelling. Ik had geen toestemming al te openlijk te zijn met betrekking tot het Engelse onderzoek. Men wilde niet het risico lopen de Engelse justitie te bruuskeren. De waarnemend voorzitter van het college heeft zich de kwestie aangetrokken en heeft getracht er iets aan te doen. Ik weet dat op ministerieel niveau is getracht [eiser] naar Nederland te krijgen. Ik meen dat dat contact is gelegd op het niveau van de DG. Dit heeft niet tot resultaat geleid.

2.12. Op 23 september 2003 is [J] als getuige gehoord. Hij verklaarde tijdens dat verhoor onder meer:

Ik ben via het IRT-Amsterdam betrokken geraakt bij XTC-traject Engeland. Zo ben ik ook betrokken geraakt bij [A]. (…) [A] werd gerund door [K] en [L]. Ik was de baas van [K] en [L]. (…)

Die transporten naar Engeland zijn uitgevoerd op initiatief van een Amsterdamse criminele organisatie. Die organisatie was altijd op zoek naar transportmogelijkheden. [A] heeft hierover contact met ons opgenomen. (…)

Hoe [eiser] bij de transporten betrokken is geraakt weet ik niet. Het kan zijn dat dit was op eigen verzoek, maar het kan ook zijn dat hij is aangezocht door [A]. (…) Het geld dat [eiser] is aangeboden was afkomstig van de criminele organisatie. Ik weet niet hoe [eiser] aan de vrachtwagen kwam die gebruikt is voor de transporten. Wij hebben er geen bemoeienis mee gehad. Ook hebben wij ons niet bemoeid met de papieren die nodig waren voor de overtocht naar Engeland. Wij hebben verzocht de auto te mogen lenen om apparatuur in te bouwen, zodat wij zicht konden houden op die auto. Er is over de transporten vooraf geen contact met de Engelse justitie, althans niet vanuit de IRT, maar mogelijk wel vanuit andere diensten. Ik zeg dit omdat de aanhouding in Engeland ons hogelijk heeft verbaasd. De bergplek in de auto was zeer professioneel ingebouwd; desondanks is deze ontdekt. Ik vraag me daarom af of niet toch tipwerk aan de orde is geweest aan de Engelse autoriteiten. Na de aanhouding van [eiser] ontstond een vervelende situatie. De heer [D] suggereerde dat wij contact hadden gehad met Engeland. Dat vonden wij uiteraard erg vervelend. Iedereen keek naar iedereen. Er zijn een aantal stevige gesprekken gevoerd en het resultaat daarvan is dat betrokkenen bij de IRT en de daaraan verbonden inlichtingendiensten in ieder geval niet verantwoordelijk zijn voor het lekken van informatie richting Engeland. Na de aanhouding van [eiser] volgden de gebruikelijk vragen van de Engelse justitie aan de [rechercheteam] waar [eiser] onder viel. Er werd toen direct door [B] en [D] ingegrepen. Die hebben de verdere contacten onderhouden. [D] heeft aan de Engelse liaison-officer de informatie verstrekt dat wij bij de transporten betrokken waren. Wat precies is besproken weet ik niet. Deze informatie kon indertijd in Engeland buiten de procedure blijven. Voor zover mij bekend is dat ook gebeurd. Het is niet in het belang van de opsporing als in Engeland te ver zou worden doorgerechercheerd. Dan zou bijvoorbeeld de zender aangetroffen kunnen worden en dat zou het onderzoek in Nederland kunnen schaden. de auto is later naar Nederland teruggekomen met de zender er nog in. Dat heeft mij wel verbaasd.

(...)

Ik heb mij verbaasd over het feit dat [eiser] in een zwaar beveiligde inrichting terecht kwam. Ik heb nooit uitsluitsel gekregen over het waarom. Officier van Justitie [B] vond op basis van de informatie die wij hem verstrekten, dat ten aanzien van de chauffeur mogelijk sprake was van uitlokking. De runners hebben daarom aan [A] de opdracht gegeven om de chauffeur niet langer bij de transporten te betrekken. Via [A] hoorden we daarop terug dat de chauffeur dit niet wilde. Toen hadden we een probleem. We hebben vervolgens scenario's bedacht om te zorgen dat de chauffeur zou stoppen, bijvoorbeeld een aanhouding in Nederland. Deze scenario's zijn niet uitgevoerd omdat er weer een transport aankwam. Dat was het transport waarbij het misging. Wat zich tussen [A] en [eiser] heeft afgespeeld blijft een schimmig gebied. Ik weet niet beter dan wat [A] daarover vertelde. Het is mogelijk dat [A] zoals [eiser] stelt, hem heeft bedreigd. Ik weet dat niet. (...)

Aan de belangen van [eiser] werd niet gedacht. Het klinkt misschien cru maar er werd geen rekening mee gehouden. (...) [eiser] was een pion als je kijkt naar het geheel: de ontmanteling van een grote criminele organisatie.

2.13. In Engeland is na het hoger beroep een herzieningsprocedure gestart bij de Criminal Cases Review Commission (CCRC), waarbij naar voren is gebracht hetgeen inmiddels duidelijk was geworden over de betrokkenheid van de Nederlandse autoriteiten bij de drugstransporten.

2.14. De CCRC heeft het herzieningsverzoek van [eiser] afgewezen. De CCRC komt op grond van een zeer uitgebreid onderbouwd betoog tot de volgende conclusies:

10.22 The cases in which the defence of duress has been considered make it clear that the defence will seldom arise and that the central element is that the defendant's will is overborne. In all circumstances, the Commission does not consider that there is any real possibility that, assuming that Mr [eiser]'s account was supported by evidence, the Court of Appeal would conclude that his account supported the conclusion that his will was overborne or that these matters render Mr [eiser]'s conviction unsafe. (…) (…)

10.32 The matters referred to in Mr [G] report give rise to the question of whether it could be argued on behalf of Mr [eiser] that his convictions are unsafe because his involvement in the offences was a consequence of the actions of a agent provocateur. (…)

10.59 For the reasons outlined above, even assuming that admissible evidence was available to support the information provided by the Dutch, the Commission does not consider that there is a real possibility that the Court of Appeal would find that the prosecution of Mr [eiser] was the result of an infringement of his Convention rights such as to render his conviction unsafe or that it was an abuse of process due to the activities of Dutch police officers and their informant.

10.60 In the light of Mr [eiser]'s new statements and the information received from the Dutch authorities, the Commission has considered Mr [eiser]'s role and how he came to be involved in the criminal activity in comparison to the situation as understood by the sentencing judge and the Court of Appeal. This information amounts to new information as it was not heard at the trial or on appeal. The Commission must consider in the light of the matters discussed in this Statement of Reasons whether there is a real possibility that the Court of Appeal would reduce Mr [eiser]'s sentence if the case was referred.

10.61 It is important to note that the Court of Appeal has already reduced Mr [eiser]'s sentence from 25 years to 20 years in the light of the information available at the time concerning Mr [eiser]'s role and in order to leave room for higher sentences for 'Mr Bigs'.

10.62 At the time of sentencing and at the appeal, the Court would not have had regard to the circumstances in which Mr [eiser] become involved in the importation. To that extent, the information now provided by Mr [eiser] and the Dutch authorities provides one potentially mitigating factor. The Commission considers that, had the trial judge known and accepted that Mr [eiser] had become involved in the criminal activity following an approach from [E] (acting on behalf of a police informant) which came “out of the blue”, then he may have regarded this as a mitigating factor. In this respect it should be noted, however, that the Commission has concluded earlier in this document that Mr [eiser] would have responded to the same approach if it had come from a 'normal' criminal individual and the Commission notes also that Mr [eiser]'s admissions indicate that he entered into the conspiracy with enthusiasm following his recruitment.

10.63 The Commission must consider the new information as a whole. While the information regarding how Mr [eiser] came to be involved may be a mitigating factor, Mr [eiser]'s admissions in his statements regarding the totality of his role have the opposite effect.

10.64 Mr [eiser] was sentenced on the basis that the previous importations had been “dummy runs”, that the final importation was the only one which truly involved drugs and his benefit from the operation was £7.500 Mr [eiser]'s most recent account demonstrates that this basis was incorrect. (…)

10.65 Although the information from Mr [eiser] and Mr [G] indicates that Mr [eiser] was not a “Mr Big” and that he acted under the direction of others in the organisation, Mr [eiser]'s account demonstrates that his role was more than simply driving the truck. (…) The level of activity and benefit revealed by Mr [eiser]'s admissions goes beyond the level assumed by the Court of Appeal and the sentencing judge.

10.66 Mr [eiser] might argue that his offence is mitigated by the fact that he had been subjected to threats by the organisation when he carried out the final importation (albeit that in the Commission's view these threats did not amount to the legal concept of duress). In this respect, however, the Commission considers that the matters discussed at paragraphs 10.20 and 10.21 above (particularly the fact that the alleged threats were induced by Mr [eiser]'s attempts to withdraw because he was not making enough money and he wanted more importations) undermine any mitigation that might otherwise arise.

10.67 In the light of the new information concerning the extent of Mr [eiser]'s involvement, the Commission does not consider that the new information concerning how he came to be involved in the importation undermines the sentencing judge's assessment of the extent of Mr [eiser]'s involvement. (…) The Commission considers that a sentence of 20 years is not outside the appropriate range of sentences given the level of activities that Mr [eiser] appears to have undertaken and the quantity of drugs imported.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank

(I) voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van [eiser] nog nader op te maken bij staat, ten gevolge van de in de conclusie van repliek nader omschreven onrechtmatige gedragingen A t/m F van de Staat;

(II) de Staat veroordeelt om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen wegens geleden materiële schade een bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over het nog vast te stellen bedrag vanaf de dag der aansprakelijkheidstelling, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

(III) de Staat veroordeelt om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen wegens geleden immateriële schade een bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over het nog vast te stellen bedrag vanaf de dag der aansprakelijkheidstelling, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

(IV) de Staat veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. In de dagvaarding heeft [eiser] (onder 23 a. tot en met i.) de feiten en omstandigheden opgesomd waarop hij zijn vordering baseert. Hij heeft die punten onderbouwd aan de hand van passages uit het rijksrechercherapport en getuigenverklaringen, hiervoor grotendeels weergegeven onder 2. Hij stelt dat daaruit blijkt dat de verschillende transporten van verdovende middelen naar Engeland hebben plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie waardoor sprake is geweest van uitlokking van [eiser] in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en dat de Staat derhalve onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] omdat de Staat heeft gehandeld in strijd met een wettelijke plicht en daarmee tevens in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

3.3. Blijkens de nadere onderbouwing van zijn stellingen in repliek en bij een akte na dupliek, doelt [eiser] voor wat betreft zijn stelling dat de Staat heeft gehandeld in strijd met een wettelijke plicht, op het feit dat uitlokking verboden is en dat de Staat zich schuldig heeft gemaakt aan uitlokking. Hij meent dat de Staat zich in dit verband niet met succes kan beroepen op artikel 6:163 BW en gaat ervan uit de Staat door hem uit te lokken onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en de schade dient te vergoeden die hij dientengevolge lijdt.

[eiser] stelt vervolgens dat als het handelen van de Staat niet gekwalificeerd zou kunnen worden als uitlokking, geldt dat de Staat bewust met gebruikmaking van criminele informanten [eiser] als pion heeft gebruikt om een criminele organisatie op te rollen. Hij stelt in dat verband dat de Staat onzorgvuldig jegens hem is geweest door hem bewust bloot te stellen aan geweld en bedreiging, terwijl de Staat als overheid juist een grote mate van zorgvuldigheid jegens [eiser] als Nederlands staatsburger in acht diende te nemen. [eiser] wijst er in dat verband op dat [A] altijd een vuurwapen bij zich had, dat hij tijdens de transporten werd begeleid door een gewapende bewaker die de reputatie had van 'killer' en dat hij, toen hij met de transporten wilde stoppen, met een vuurwapen is bedreigd. Hij stelt dat het niet geoorloofd is een Nederlands staatsburger onder regie van politie en justitie aan dergelijke risico's bloot te stellen en dat de Staat, door dit wel te doen, heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt.

3.4. [eiser] stelt voorts dat de Staat niet alleen door zijn doen, maar ook door zijn nalaten onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door – hoewel hij op de hoogte was van de transporten – niet in te grijpen en door [eiser] er ondanks de opdracht van mr. [B] niet 'uit te halen'. [eiser] stelt in dat verband dat hij, als hij in Nederland zou zijn aangehouden, hij nimmer voor de transporten vervolgd zou zijn omdat sprake was van uitlokking of in ieder geval hem niet een gevangenisstraf van 20 jaar zou zijn opgelegd.

Hij stelt voorts dat de Staat heeft nagelaten om de Engelse overheid op de hoogte te stellen van het feit dat [eiser] geenszins een leidende of initiërende rol had bij de transporten en dat hij daardoor lange tijd op onjuiste gronden in een verzwaard ('high risk') regime werd gehouden.

3.5. [eiser] legt ten slotte aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat heeft gehandeld in strijd met het beginsel van rechtszekerheid omdat hij zelf handelde in strijd met een strafrechtelijke bepaling; met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel omdat hij de belangen en veiligheid van [eiser] ondergeschikt heeft gemaakt aan het belang van het afschermen van de informant en zijn eigen belangen, en met het verbod van détournement de pouvoir doordat hij zijn bevoegdheid om misdrijven op te sporen heeft gebruikt om onder zijn regie, met zijn toestemming en met behulp van een criminele informant/infiltrant, XTC-transporten naar Engeland te laten plaatsvinden.

3.6. De Staat voert verweer. Hij betwist dat [eiser] door de Staat is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten, dat de transporten onder verantwoordelijkheid van de Staat plaatsvonden en meer in het algemeen dat er grond is voor aansprakelijkheid en schadevergoeding. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter beoordeling ligt voor of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. [eiser] heeft een aantal verwijten geformuleerd, in zijn conclusie van repliek nader uitgewerkt als verwijten A t/m F, waaraan hij een aantal in de dagvaarding (onder 23 a tot en met i) genoemde feiten en omstandigheden ten grondslag legt. De rechtbank zal allereerst die feiten en omstandigheden bespreken – en daarbij het verweer van de Staat betrekken – en vervolgens de verwijten beoordelen.

4.2. [eiser] gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:

(a) dat onder verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie verschillende transporten van XTC-pillen en amfetamine hebben plaatsgevonden van Nederland naar Engeland in de periode januari tot en met mei 1993;

(b) dat de Engelse autoriteiten daarover niet zijn ingelicht;

(c) dat de transporten plaatsvonden onder regie van een zogenaamde groei-informant die [eiser] als chauffeur had aangetrokken;

(d) dat er in het kader van het [rechercheteam]-onderzoekstraject een peilzender werd geplaatst onder, en met medeweten van de [rechercheteam] een hoeveelheid drugs werd verborgen in de vrachtwagen van [eiser];

(e) dat (blijkens het Fortteam rapport hoofdstuk 6.3.2.2.) de officier van justitie mr. [B] in maart 1993 heeft besloten dat er sprake was van uitlokking van auto en chauffeur en dat de actie op die manier gestopt zou moeten worden;

(f) dat [eiser] [A] te kennen heeft gegeven dat hij wilde stoppen met de drugstransporten en dat hij toen door of namens [A] is bedreigd en gedwongen opnieuw een rit naar Engeland te maken, met als gevolg zijn aanhouding;

(g) dat [A] samenwerkte met [naam rechercheteam], met toestemming van de officier van justitie mr. [B], waarbij het de bedoeling was dat een criminele organisatie waar [A] dicht tegen aan zat zou worden opgerold;

(h) dat [A] door [J] en [K] gerund werd;

(i) dat [eiser] voor de behandeling van de strafzaak in Engeland door iemand namens de Staat is meegedeeld dat hij diende te zwijgen en dat daarnaast door of namens de Staat nadien mededelingen zijn gedaan aan de Engelse autoriteiten als zou [eiser] een hoofdrolspeler zijn in een criminele organisatie waardoor [eiser] gedurende vele jaren onder een zogenaamd 'high risk A-regime' in een gevangenis verbleef.

4.3. (ad a) Naar het oordeel van de rechtbank brengt het feit dat de politie en het openbaar ministerie op de hoogte waren van de drugstransporten en die niet hebben voorkomen, niet met zich dat de transporten, zoals [eiser] aanneemt, 'onder verantwoordelijkheid van' de Staat hebben plaatsgevonden. Het initiatief voor en de uitvoering van de drugstransporten lag, naar moet worden aangenomen, geheel bij de criminele organisatie waar het opsporingsonderzoek op was gericht. De wetenschap van de Staat over de activiteiten van de criminele organisatie en het 'doorlaten' van de transporten maakt nog niet dat kan worden gezegd dat de transporten onder verantwoordelijkheid van de Staat plaatsvonden. In zoverre gaat [eiser] derhalve uit van een onjuist uitgangspunt.

4.4. (ad b, c, d, g en h) Het staat vast dat de [rechercheteam] op de hoogte was van de activiteiten van een criminele organisatie waar [A] nauwe contacten mee onderhield en dat [A] een informant/infiltrant was in die zin, dat hij contact hield met en tot op zekere hoogte werd aangestuurd door de politie ([J] en [K]). Officier van Justitie mr. [B] was hiervan op de hoogte. Uit de afgelegde verklaringen en het rijksrechercherapport blijkt voorts dat de politie en het openbaar ministerie ervan op de hoogte zijn geweest dat [eiser] door [A] als chauffeur voor drugstransporten was geworven en dat [eiser] vervolgens de aanwijzingen van [A] in dat verband opvolgde. Ook staat vast dat de Engelse autoriteiten niet zijn ingelicht over de drugstransporten, dat in het kader van het onderzoek een peilzender onder de vrachtwagen van [eiser] is geplaatst en dat met medeweten van de [rechercheteam] in die vrachtwagen een hoeveelheid drugs is verborgen. Hiervan zal de rechtbank bij de verdere beoordeling dan ook uitgaan.

4.5. (ad e) Uit de afgelegde verklaringen en het rijksrechercherapport blijkt voorts dat mr. [B] als verantwoordelijk officier van justitie in maart 1993 tegen de politiemensen die het contact met [A] onderhielden, heeft gezegd dat [eiser] en de vrachtwagen niet langer betrokken mochten worden omdat een en ander in de sfeer van uitlokking lag. In het rijksrechercherapport staat hierover:

Ook OVJ [B] heeft zich uitgelaten over de positie van de chauffeur. Het XTC-traject, waarvoor [B] op dat moment als IRT-OVJ verantwoordelijk was, achtte hij een 'begaanbaar pad'. In dit traject regelde de informant/infiltrant zelf een tankauto met een geheime bergplaats alsmede een chauffeur. Wel meende [B] dat men op deze wijze in de sfeer van uitlokking terecht kwam. [B] heeft dan ook als voorwaarde gesteld dat 'deze chauffeur' en 'deze auto' er tussen uit moesten en heeft de opdracht gegeven dit te regelen. Echter, tijdens een vergadering, welke gehouden werd op 16 maart 1993 hoorde [B], van [J] en [K], dat de informant/infiltrant had gemeld dat de chauffeur weigerde er uit te stappen. Kennelijk had de chauffeur de smaak goed te pakken. Ondanks het feit dat [B] bang was in de sfeer van uitlokking terecht te komen, accepteerde hij dat deze chauffeur met zijn vrachtauto in dit traject actief bleef.

Ook in paragraaf 6.3.11 van het rijksrechercherapport, waarin de onderzoeksbevindingen voor wat betreft de XTC-transporten naar Engeland zijn samengevat (hiervoor weergegeven onder 2.8.) maakt melding van dit punt, waar staat dat

“Onduidelijk is en blijft waarom niet, op enig moment, een transport van XTC-pillen naar het Verenigd Koninkrijk of een retourtransport van geld naar Nederland door het IRT werd onderschept. Niet gebleken is dat het IRT door het meermalen laten lopen van de transporten meer zicht kreeg op de criminele groepering of dat de moeilijke positie van de informant/infiltrant wijzigde of dat men nadere pogingen heeft ondernomen uit de sfeer van uitlokking te geraken;

en:

[B] heeft onjuist geopereerd hetgeen blijkt uit het feit dat hij (…) ondanks de 'sfeer van uitlokking' is doorgegaan met de chauffeur in het traject

Dat de officier van justitie mr. [B] besloten heeft dat er sprake was van uitlokking volgt niet uit de door [eiser] in dit verband aangehaalde passages. Er staat immers dat mr. [B] meende dat men in de sfeer van uitlokking terechtkwam, en niet dat er sprake was van uitlokking. Ook in de bevindingen van het Fort-team is het aldus geformuleerd. Niet is in geschil dat mr. [B] destijds de opdracht heeft gegeven om [eiser] en zijn vrachtauto 'ertussenuit' te halen en dat dat niet is gebeurd.

4.6. (ad f) [eiser] heeft in 1998 en in 2004 verklaard dat hij te kennen heeft gegeven met de transporten te willen stoppen en dat hij is bedreigd. Hij wijst er in deze procedure op dat mr. [G], die hem destijds bezocht, heeft verklaard dat hij geen aanleiding had om te twijfelen aan de verklaringen van [eiser] en hij heeft tijdens de comparitie van partijen herhaald dat hij met een vuurwapen is bedreigd in die zin, dat [A], toen [eiser] zei dat hij met de transporten wilde stoppen, een koffertje waar een pistool in zat opendeed en zei: “Denk er goed aan wat er gebeurt als je stopt.” en “Ik maak uit wanneer jij ermee stopt”. De Staat heeft betwist dat [eiser] door [A] is bedreigd of gedwongen om met de transporten door te gaan. Hij wijst op de verklaring die [eiser] in 2004 tegenover de rechter-commissaris aflegde en de verklaring van [J]. Volgens de Staat blijkt uit de afgelegde verklaringen dat [eiser] wilde stoppen omdat voor de transporten niet werd betaald wat hem in het vooruitzicht was gesteld en dat hij door is gegaan nadat hem een extra bedrag is betaald. Dat [eiser] niet kon stoppen, blijkt volgens de Staat niet uit de afgelegde verklaringen en ook niet dat hij is bedreigd met een vuurwapen. Dat er een vuurwapen is getoond is daartoe volgens de Staat niet voldoende.

4.7. Op grond van de afgelegde verklaringen, die op dit punt ook niet zijn weersproken, neemt de rechtbank aan dat [eiser] op een gegeven moment tegen [A] heeft gezegd dat hij met de transporten wilde stoppen en dat de aanleiding daarvoor was dat hij voor de transporten niet NLG 100.000,00 maar slechts NLG 50.000,00 betaald had gekregen. Voorts staat vast dat hij is doorgegaan met de transporten nadat [A] hem nog NLG 20.000,00 buiten de transporten om betaalde. De rechtbank neemt ook aan dat [A] tijdens het gesprek met [eiser] woorden heeft gebruikt die erop neer komen dat [eiser] niet kon stoppen, en dat van die woorden een zekere dreiging is uitgegaan. Dat er toen een vuurwapen is getoond is op grond van de verklaringen zoals die zijn overgelegd niet bewezen, en ook is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat [eiser] door de woorden van [A] is gedwongen om door te gaan met de transporten, in die zin dat hij in redelijkheid geen keuze meer had om te stoppen. Voor zover [eiser] zijn vordering baseert op de stelling sub f kan hij daarin derhalve niet worden gevolgd.

4.8. (ad i) Dat er door of namens de Staat mededelingen zijn gedaan aan [eiser] dat hij zou moeten zwijgen tijdens zijn verhoren in Engeland is door de Staat betwist. [eiser] heeft zijn stellingen op dit punt niet onderbouwd met feiten en omstandigheden die – als die zouden vaststaan – een dergelijke conclusie zouden rechtvaardigen. Integendeel, uit de overgelegde verklaringen blijkt veeleer dat hij mogelijk is benaderd door iemand uit de omgeving van [A]. Ook kan op grond van het rijksrechercherapport en de afgelegde getuigenverklaringen niet aangenomen worden dat door of namens de Staat mededelingen zijn gedaan aan de Engelse autoriteiten als zou [eiser] een hoofdrolspeler zijn in een criminele organisatie, waardoor [eiser] onder een zogenaamd 'high risk A-regime' werd gedetineerd. Ook op dit punt zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot die conclusie kunnen leiden.

verwijt A

4.9. [eiser] verwijt de Staat dat hij op 6 mei 1993 door toedoen/nalaten van de Staat in Engeland (in plaats van in Nederland) is aangehouden en in Engeland tot 20 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.

4.10. Uitgaande van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, elk afzonderlijk en in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank niet tot het oordeel dat het de Staat kan worden verweten dat [eiser] in Engeland is aangehouden en veroordeeld. Daartoe wordt allereerst overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat de Engelse autoriteiten [eiser] hebben aangehouden op grond van informatie die hen door de Nederlandse overheid is verstrekt of dat de Staat de hand heeft gehad in de aanhouding, vervolging en veroordeling van [eiser] in Engeland. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 4.3. is overwogen en benadrukt dat [eiser] welbewust ten behoeve van een criminele organisatie verdovende middelen heeft vervoerd en dat hij daarmee zelf het risico heeft genomen dat hij – in Nederland of in Engeland – zou worden aangehouden, vervolgd en veroordeeld. Voor zover [eiser] in dit verband argumenten heeft ontleend aan zijn stelling dat hij is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten en/of dat de Staat had moeten ingrijpen, geldt ook hetgeen hieronder meer in het bijzonder zal worden overwogen naar aanleiding van de nadere verwijten van [eiser].

verwijt B

4.11. [eiser] verwijt de Staat dat hij hem heeft uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht staat het volgende:

1. Als daders van een strafbaar feit worden gestraft: 1) zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen;

2) zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, het feit opzettelijk uitlokken.

2. Ten aanzien van de laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hun gevolgen.

[eiser] baseert zijn stelling dat hij door de Staat is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten op de hiervoor reeds aangehaalde uitspraak van mr. [B] en de bevindingen van het Fort-team. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangehaalde passages van het rijksrechercherapport niet reeds volgt dat er sprake is geweest van uitlokking en dat [eiser] door de Staat is uitgelokt. Daartoe wordt – naast hetgeen onder 4.5. is overwogen – overwogen dat de uitspraak van mr. [B] en de bevindingen van het Fort-team moeten worden gezien in de context van het opsporingsonderzoek naar de criminele organisatie, waarbij met name van belang was of bepaalde opsporingsmethoden strafvorderlijk toelaatbaar waren. Als in een opsporingsonderzoek ontoelaatbare opsporingsmethodes zijn toegepast, kan dat er immers aan in de weg staan dat het openbaar ministerie in de vervolging kan worden ontvangen en/of dat het aldus vergaarde bewijs wordt gebruikt in een strafzaak. Het is de taak en de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie om de hand te houden aan de grenzen die aan een opsporingsonderzoek moeten worden gesteld. Ook het onderzoek door het Fort-team richtte zich op de (toelaatbaarheid van de) gehanteerde opsporingsmethodes en het optreden van de politie en het openbaar ministerie. Als in dat verband wordt vastgesteld dat onvoldoende is ondernomen om uit de sfeer van uitlokking te geraken, dan leidt dat nog niet zonder meer tot de conclusie dat [eiser] is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten en dat er jegens hem onrechtmatig is gehandeld.

4.12. Van uitlokking is sprake wanneer iemand een ander aanzet tot het begaan van een strafbaar feit. Het is duidelijk dat de politie en het openbaar ministerie niet (zelf) [eiser] tot het uitvoeren van drugstransporten hebben aangezet. [eiser] is kennelijk van mening dat het handelen van [A] aan de Staat kan worden toegerekend. Daarin volgt de rechtbank hem niet. De rechtbank gaat er – zoals het ook in het rijksrechercherapport is beschreven – vanuit dat het initiatief voor en de uitvoering van de drugstransporten geheel in handen was van een criminele organisatie en dat [A] zodanige contacten had met de betrokkenen dat hij tot in detail op de hoogte was van de geplande transporten en dat aan de criminele inlichtingendienst doorgaf, en in staat was het ertoe te leiden dat bijvoorbeeld een peilzender werd geplaatst zodat de vrachtwagen van [eiser] kon worden gevolgd. Dat de politie en het openbaar ministerie bij het onderzoek naar de XTC-groepering gebruik maakten van een informant betekent in zijn algemeenheid niet dat het handelen van de informant aan de politie of het openbaar ministerie kan worden toegerekend. In deze zaak geldt bovendien dat niet is gesteld of gebleken dat de politie op de hoogte was van het voornemen van [A] om [eiser] en zijn broer te benaderen en daarmee heeft ingestemd. Dat betekent dat [eiser] in dit verwijt aan de Staat niet wordt gevolgd, omdat niet is komen vast te staan dat de Staat hem heeft uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten.

verwijt C

4.13. Als geen sprake is van uitlokking, dan heeft de Staat volgens [eiser] onrechtmatig jegens hem gehandeld door bewust met gebruikmaking van criminele informanten [eiser] als pion te gebruiken teneinde een criminele organisatie op te rollen.

4.14. [eiser] beroept zich in dit verband met name op de verklaring van [J] (hiervoor deels weergegeven onder 2.12.). [J] verklaarde letterlijk dat er niet is gedacht aan de belangen van [eiser] en dat hij een pion was in het grotere geheel van de ontmanteling van een criminele organisatie. Uit die verklaring blijkt dat [J] dan spreekt over de periode na de aanhouding, waarbij in het contact met onder meer de Engelse autoriteiten de [rechercheteam]-operatie en (de identiteit van) [A] werden afgeschermd. [eiser] stelt meer in het algemeen dat hij als pion is gebruikt in het opsporingsonderzoek en dat met zijn belangen – zowel voor als na de aanhouding – onvoldoende rekening is gehouden. Hij heeft in de conclusie van repliek op dit punt aangevoerd dat hij slechts een klein aandeel had in de drugstransporten en dat de Staat het opsporen van het brein achter de criminele organisatie zo belangrijk heeft geacht, dat hij toestond dat gebruik werd gemaakt van een bekend gewelddadige criminele informant en dat aan het belang van het afschermen van die informant meer waarde werd gehecht dan aan de belangen van [eiser]. Voorts dat de Staat geen openheid van zaken heeft gegeven maar heeft getracht iedereen te misleiden door het verstrekken van te weinig, incomplete of ronduit onjuiste informatie, waarbij hij zijn eigen belang dat niet aan het licht zou komen hoe ver zijn betrokkenheid reikte, boven dat van [eiser] heeft gesteld en dat de Staat hem bewust 5 jaar in een verzwaard regime heeft laten zitten. Een aantal onderdelen van hetgeen [eiser] aanvoert is betwist zodat de juistheid daarvan niet is komen vast te staan. Overigens mist dit verwijt een feitelijke onderbouwing op grond waarvan beoordeeld zou kunnen worden of – en eventueel geoordeeld zou kunnen worden dat – bepaalde gedragingen jegens [eiser] onrechtmatig waren. Het verwijt is bij gebrek aan die feitelijke grondslag te vaag en kan niet leiden tot toewijzing van de vordering.

verwijt D

4.15. [eiser] verwijt de Staat voorts dat hij onder regie van politie en justitie is blootgesteld aan geweld en bedreiging.

[eiser] beroept zich daartoe op hetgeen hij heeft verklaard in 1998 over de bewapende bewaker '[F]' en de bedreiging door [A]. Hiervoor is al overwogen dat niet is komen vast te staan dat [eiser] daadwerkelijk is bedreigd om hem ertoe te brengen met de transporten door te gaan en de rechtbank verwijst in zoverre naar hetgeen daarover onder 4.7. is overwogen. Ook als voor wat betreft de gewapende bewaker en de bedreiging door [A] wordt uitgegaan van wat [eiser] daarover verklaarde, geldt echter dat daarmee nog niet de conclusie gerechtvaardigd is dat [eiser] onder regie van politie en justitie is blootgesteld aan geweld en bedreiging, omdat niet is gesteld of gebleken dat de betrokken politiemensen en/of het openbaar ministerie destijds wisten en ermee instemden dat [A] altijd een vuurwapen bij zich had en [eiser] bedreigde. Datzelfde geldt ten aanzien van het optreden van een bewaker. De door [eiser] gestelde regie door de Staat vereist ten minste wetenschap door de Staat. Nu die wetenschap niet is komen vast te staan kan de gestelde regie door de Staat niet worden aangenomen, zodat – nog afgezien van de vraag of bewezen kan worden geacht dat [eiser] daadwerkelijk is blootgesteld aan geweld en bedreiging – zijn aldus geformuleerde verwijt geen doel treft.

Verwijt E

4.16. [eiser] stelt dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door niet reeds bij het eerste transport, althans een van de volgende transporten, in te grijpen, bijvoorbeeld door hem aan te houden. Hij wijst erop dat het de taak van de overheid is om te voorkomen dat grote hoeveelheden verdovende middelen worden vervoerd en dat de Staat daarin is tekortgeschoten en stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de transporten naar Engeland doorgang te laten vinden. De Staat heeft op dit punt als verweer gevoerd dat de Staat niet verplicht was om in te grijpen en dat waar het doorlaten van drugstransporten afkeurenswaardig is – en inmiddels ook verboden – schending van die norm niet leidt tot een onrechtmatige daad jegens [eiser] omdat die norm er niet toe strekt te voorkomen dat een chauffeur van een drugstransport in het buitenland wordt aangehouden en veroordeeld. Dit verweer slaagt.

4.17. De Staat heeft niet betwist dat het doorlaten van de drugstransporten waar het in deze zaak over gaat onjuist is geweest en in strijd met wat van de overheid had mogen worden verwacht. Inmiddels zijn er ook regels die dat verbieden. Dat betekent echter niet dat de Staat jegens [eiser] een norm heeft geschonden door niet in te grijpen en niet te voorkomen dat hij zich aan die drugtransporten – en meer in het bijzonder het drugstransport in mei 1993 – zou schuldig maken. Er is geen algemene rechtsregel die de Staat verplicht om in te grijpen en te voorkomen dat burgers strafbare feiten plegen; een dergelijke regel vloeit niet voort uit de taak van de politie en het openbaar ministerie voor wat betreft het opsporen en vervolgen van strafbare feiten of uit de taak van de overheid om – kort gezegd – criminaliteit tegen te gaan. De norm die door de Staat is geschonden door grote hoeveelheden drugs 'door te laten' naar Engeland strekt ertoe het belang van de volksgezondheid te dienen en tot het voorkomen van een schending van de soevereiniteit van een andere staat. Voor zover de norm al ter bescherming van [eiser] als staatsburger zou strekken, geldt dat die norm niet strekt tot bescherming tegen de schade waarvoor [eiser] de Staat nu aansprakelijk stelt, te weten de schade die hij geleden heeft doordat hij 10 jaar in Engeland gedetineerd is geweest, waarvan jaren in een zwaar regime zonder dat daarvoor een grond bestond. Op de voet van artikel 6:163 BW bestaat er dan geen verplichting tot schadevergoeding, waardoor ook dit verwijt geen doel treft.

verwijt F

4.18. [eiser] stelt dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door na te laten de Engelse overheden ervan op de hoogte te stellen dat [eiser] geen leidende of initiërende rol had bij de transporten, waardoor [eiser] lange tijd op onjuiste gronden onder het verzwaarde regime gesteld en gehouden werd.

4.19. De Staat heeft in reactie hierop aangevoerd dat de hoofdofficier van justitie in Haarlem naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek door mr. [G] naar de gang van zaken rond de XTC-transporten naar Engeland en de rol van [eiser] daarin, de advocaat van [eiser] bij brief van 18 september 1998 heeft bericht dat [eiser] geen initiërende of leidende rol heeft gespeeld, en dat er geen aanwijzingen waren gevonden dat er voorbereidingen werden of waren getroffen om [eiser] uit zijn detentie te bevrijden. [eiser] heeft dat niet betwist. Hij heeft ook niet betwist dat die brief in het Engels was gesteld opdat zijn advocaat die aan de Engelse autoriteiten kon zenden in het kader van zijn verzoek om in een minder zwaar regime te worden geplaatst. Reeds hierom treft dit verwijt geen doel.

Voor zover [eiser] heeft willen aanvoeren dat de Staat eerder dergelijke informatie aan de Engelse autoriteiten had moeten doen toekomen, ervan uitgaande dat hij dan ook eerder in een minder zwaar regime zou zijn geplaatst, stuit dat af op het verweer van de Staat dat hij op zich niet gehouden is om (binnen een bepaald tijdsbestek) dergelijke informatie te verstrekken, dat hij zelf eerst in 1998 over de onderzoeksbevindingen van mr. [G] beschikte en dat niet voldoende aannemelijk is dat als dergelijke informatie eerder was verstrekt, [eiser] eerder in een minder zwaar regime zou zijn geplaatst. De Staat heeft zijn verweer op dat punt onder meer onderbouwd met een rapport van 'the prison Ombudsman' van 30 maart 2000, naar aanleiding van een klacht van [eiser]. Daaruit blijkt dat de beslissing van 'the Category A Committee' dat er geen aanleiding (meer) was om [eiser] als zodanig risico te beschouwen dat detentie in Category A aangewezen was, nog niet leidde tot overplaatsing van [eiser] naar een gevangenis met een lichter regime. [eiser] heeft een en ander niet, althans niet gemotiveerd weersproken.

4.20. Nu geen van de door [eiser] aangedragen verwijten doel treft en niet is komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem gestelde schade, zullen de vorderingen worden afgewezen.

4.21. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- vast recht € 244,00

- salaris advocaat € 2.034,00 (4,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  2.278,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 2.278,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. M.N. Noorman en mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2009.

w.g. griffier w.g. rechter