Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6417

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
324240 - HA ZA 08-3777
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1306, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Verzwijging. 251K (oud). Polisuitsluiting, uitleg polis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 324240 / HA ZA 08-3777

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

[A.]

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. D.J. Moll,

tegen

de naamloze vennootschap

UNIGARANT N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Partijen zullen hierna [A.] en Unigarant genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 november 2008;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

- het tussenvonnis van 21 januari 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 5 juni 2009 en de daarin genoemde stukken.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A.] heeft met Unigarant op 1 juli 2005 een verzekeringsovereenkomst gesloten die onder meer dekking bood voor schade door diefstal van de aan [A.] toebehorende auto, te weten (met ingang van 5 juni 2006) een Subaru Impreza WRX STI met [kenteken]. Op deze verzekeringsovereenkomst waren van toepassing de Polisvoorwaarden Autoverzekering AUT ANA.

2.2. Onderaan polis aanvraagformulier dat de vrouw van [A.] namens [A.] heeft ingevuld, is de volgende passage opgenomen:

"Verklaring van de aanvrager

Bent u of de regelmatige bestuurder in de laatste acht jaar in aanraking geweest met politie of justitie? Bijvoorbeeld omdat u, of de regelmatige bestuurder, werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, geeft dan aan om welk strafbaar feit het ging, of het tot een rechtszaak is gekomen, wat het resultaat daarvan was en of eventuele (straf)maatregelen al zijn uitgevoerd. (U kunt deze informatie desgewenst vertrouwelijk aan de directie zenden).

(...)

U bent zelf verantwoordelijk voor de juiste beantwoording van het aanvraagformulier ook al vult een ander het formulier voor u in. Wij moeten immers aan de hand van de gegeven antwoorden een juiste inschatting van het te verzekeren risico kunnen maken.

U verklaart met de ondertekening van dit formulier dat deze vragen naar beste weten, juist en overeenkomstig de waarheid zijn beantwoord en dat u hiermee de aangevraagde verzekering wilt sluiten. Wanneer later, na het sluiten van de verzekering, blijkt dat u een of meer vragen onjuist of onvolledig hebt ingevuld, kunnen wij de verzekering nietig laten verklaren, al dan niet met premierestitutie. Dit recht is vastgelegd in artikel 251 Wetboek van Koophandel. Dit betekent bijvoorbeeld dat wij aan u bij een schadeclaim een vergoeding kunnen weigeren en de verzekering met terugwerkende kracht kunnen ontbinden."

Op het aanvraagformulier bevindt zich onder of naast deze passage geen witte ruimte voor het door de aspirant-verzekerde invullen van informatie. Anders dan andere vragen op het aanvraag formulier is er evenmin mogelijkheid om ter beantwoording van de vraag over het strafrechtelijk verleden "ja" of "nee" aan te kruisen.

2.3. [A.] heeft niets medegedeeld aangaande een eventueel strafrechtelijk verleden.

2.4. [A.] is op 21 april 2004 voorgeleid op verdenking van verduistering (eventueel in dienstbetrekking). Tegen hem is vervolgens een bevel inverzekeringstelling voor ten hoogste drie dagen uitgevaardigd. Ter gelegenheid van de inverzekeringstelling is [A.], volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, medegedeeld waarvan hij werd verdacht. [A.] heeft volgens dat proces-verbaal het volgende verklaard:

"In de rapportage van Ernest&Young staat dat ik ter goeder trouw gehandeld heb. Ik heb dus ook geen idee waarom ik ben aangehouden en waarom ik hier zit."

[A.] is vervolgens op 6 juli 2004 en 18 oktober opgeroepen om als getuige te verklaren in een strafzaak tegen [X.], hoofdverdachte in de verduisteringszaak waarin ook [A.] op 21 april 2004 als verdachte is aangemerkt. [A.] heeft vervolgens op 13 januari 2006 een dagvaarding ontvangen in verband met zijn aandeel in die kwestie. Die dagvaarding is ingetrokken, waarna [A.] op 27 juli 2006 een nieuwe dagvaarding heeft ontvangen waarbij hij is opgroepen om op 7 september 2006 te verschijnen voor de rechtbank Amsterdam. Bij vonnis van 21 september 2006 is [A.] wegens "schuldwitwassen" (art. 420quater Sr) veroordeeld tot een werkstraf van honderd uur waarvan vijftig voorwaardelijk. [A.] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Ten tijde van het de comparitie van partijen had de behandeling bij het gerechtshof te Amsterdam nog niet plaatsgevonden.

2.5. Op 9 december 2007 heeft [A.] aangifte gedaan van diefstal van de Subaru en Unigarant telefonisch op de hoogte gesteld van de diefstal. Unigarant heeft exeprtisebureau CED Forensic B.V. onderzoek laten verrichten naar de omstandigheden van de diefstal. De dagwaarde van de Subaru is tussen partijen vastgesteld op € 22.250,=.

2.6. Bij brief van 14 maart 2008 heeft Unigarant dekking voor de door [A.] als gevolg van de diefstal geleden schade geweigerd. Unigarant heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [A.] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst zijn mededelingsplicht ten aanzien van het strafrechtelijke verleden heeft geschonden.

2.7. Unigarant heeft in die brief voorts aan de orde gesteld dat zij ten onrechte een uitkering van € 9.478,87 heeft gedaan aan [A.] in verband met een eenzijdig ongeval in Duitsland op 25 februari 2007, door welk ongeval [A.] schade heeft geleden. Dit ongeval vond plaats op de Nordschleife van de zogenaamde Nürburgring. Dit is een voormalig Formule 1 circuit, waar thans tegen betaling van tol particulieren rondes kunnen rijden. De Nurburgring-Nordschleife is een openbare tolweg, alwaar de reguliere Duitse verkeerseregels gelden.

2.8. Artikel 17 lid 9 van de toepasselijke polisvoorwaarden bepaalt:

"Van de verzekering is uitgesloten schade: (...) Wedstrijden/snelheidsritten

Ontstaan tijdens verblijf op racebanen, circuits e.d. en tijdens het voorbreiden en/of deelnemen aan wedstrijden en snelheidsritten en/of -proeven, tenzij het gaat om puzzelritten die geheel binnen Nederland plaatsvinden, die niet langer dan 24 uur duren en waarbij het snelheidselement niet overheerst."

3. Het geschil

in conventie

3.1. [A.] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

(1) Unigarant veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 35.236,77, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de kosten van een de vervangende auto van € 41,60 excl. BTW per dag vanaf 1 november 2008 tot de dag der algehele voldoening;.

(2) voor recht verklaart dat Unigarant aansprakelijk is voor alle schade daaronder mede gebrepen de vervolgschade die [A.] als gevolg van het niet uitekeren heeft geleden en nog zal lijden;

(3) Unigarant veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. [A.] legt aan zijn vorderingen kort gezegd ten grondslag dat hij op grond van de tussen hem en Unigarant gesloten overeenkomst recht heeft op vergoeding van de door hem als gevolg van de diefstal van de Subaru geleden schade, volgens artikel 24 van de toepasselijke polisvoorwaarden vast te stellen op 110 % van de dagwaarde van de auto direct voor de schadegebeurtenis.

3.3. Unigarant voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. Unigarant vordert dat de rechtbank [A.], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van € 9.478,87, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2007 met veroordeling van [A.] in de kosten van de procedure in reconventie.

3.5. Unigarant legt aan haar vordering kort gezegd het volgende ten grondslag. De verzekeringsovereenkomst tussen haar en [A.] vernietigbaar is op de voet van artikel 251 K (oud): [A.] heeft immers zijn strafrechtelijk verleden bij het aangaan van de overeenkomst verzwegen. De gevolgen van die verzwijging worden op grond van het overgangsrecht beheerst door artikel 7:930 BW. Bij wetenschap van het feit waarvan [A.] werd verdacht had Unigarant de verzekeringsovereenkomst niet gesloten. Voorts stelt Unigarant zich op het standpunt dat [A.] handelde met de opzet Unigarant te misleiden. Dit betekent dat [A.] volgens de leden 4 en 5 van artikel 7:930 BW geen recht heeft op uitkering.

Ook los van de verzwijging was Unigarant volgens haar stellingen niet gehouden tot dekking van de op 25 februari geleden schade, nu het gaat om schade ontstaan op een circuit danwel racebaan, welke schade volgens artikel 17 lid 2 van de polisvoorwaarden van dekking is uitgesloten.

Unigarant heeft derhalve onverschuldigd betaald.

3.6. [A.] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussen Unigarant en [A.] gesloten verzekeringsovereenkomst in beginsel dekking biedt voor schade als de thans door [A.] gevorderde. Evenmin is de omvang van de gestelde schade in geding.

Is sprake van verwijging als bedoeld in artikel 251 K?

4.2. Voorafgaand aan de beoordeling het volgende. Op 1 januari 2006 is in werking getreden de Wet van 22 december 2005 tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. In deze nieuwe regeling komt een bepaling voor over de mededelingsplicht van de verzekeringnemer: art. 7:928 BW. De artikelen 7:929 BW en 7:930 BW geven regels voor het geval de verzekeringnemer niet aan deze mededelingsplicht heeft voldaan. Op grond van de eveneens van kracht geworden Invoeringswet titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek bepaalt het nieuw ingevoegde artikel 221 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek dat artikel 7:928 BW niet van toepassing is op verzekeringsovereenkomsten die vóór 1 januari 2006 zijn gesloten (lid 1). Volgens ditzelfde artikel zijn de artikelen 7:929 en 7:930 BW niet van toepassing op overeenkomsten die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn gesloten, indien de verzekeraar zich tegenover de verzekerde binnen een jaar nadat dit tijdstip is verstreken erop beroept dat aan de mededelingsplicht van art. 251 K. niet is voldaan. Het bovenstaande brengt mee dat Unigarant met juistheid heeft aangevoerd dat op de vraag of sprake is van verzwijging op grond van het overgangsrecht artikel 251 K van toepassing is, maar op de gevolgen van de verzwijging artikel 7:930 BW.

4.3. Bij de vraag of een verzekeraar een beroep toekomt op artikel 251 K (oud) is naar vaste rechtspraak van belang het zogenaamde kennisvereiste (kende de aspirant-verzekerde zelf het feit dat hij verzuimde mee te delen), het kenbaarheidsvereiste (was voor de aspirant-verzekerde kenbaar dat het verzwegen feit voor de verzekeraar van belang was voor de beslissing of en zo ja, onder welke voorwaarden, de verzekering zou worden gesloten) en het verschoonbaarheidsvereiste (is het (mede) aan de verzekeraar zelf te wijten dat hij niet op de hoogte is geraakt van het door de verzekeringnemer verzwegen feit). De door [A.] tegen het beroep op verzwijging gevoerde verweren vallen alle in te delen in één van deze categorieën. De rechtbank zal de verweren daarom aan de hand van deze indeling bespreken.

Kennisvereiste

4.4. Uit de door [A.] in het geding gebrachte stukken aangaande de strafvervolging stellen buiten twijfel dat [A.] in de laatste acht jaar voor het invullen van het aanvraagformulier verdacht werd van enig strafbaar feit. De bij dagvaarding gedane suggestie dat [A.] op dat moment nog uitsluitend als getuige werd gehoord in de zaak tegen (hoofd)verdachte [X.], wordt weersproken door het bij conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebrachte proces-verbaal van verhoor bij inverzekeringstelling. Uit dat proces-verbaal blijkt immers dat [A.] is medegedeeld waarvan hij verdacht werd, dat hem de cautie is gegeven en dat hij in verzekering is gesteld. Dat [A.] uit dit één en ander niet zou hebben begrepen dat hij zelf ergens van werd verdacht acht de rechtbank zó onwaarschijnlijk, dat zij dit verweer zal passeren.

Dat [A.] in de periode tussen de beëindiging van de inverzekeringstelling en het invullen van het aanvraagformulier nog slechts als getuige in de zaak tegen [X.] is gehoord en op dat moment nog niets vernam omtrent de voortzetting van de strafzaak tegen hem, maakt het bovenstaande niet anders. De conclusie is derhalve dat [A.] in de acht jaar voor het sluiten van de verzekering verdacht is geweest van een strafbaar feit en dat dit aan hem bekend was. Aan het kennisvereiste is derhalve voldaan.

Kenbaarheidsvereiste

4.5. Aan het kenbaarheidsvereiste is in zijn algemeenheid voldaan als het verzwegen feit of de verzwegen omstandigheid het onderwerp was van een uitdrukkelijke vraag in een vragenlijst of aanvraagformulier. Uit het stellen van een vraag over een bepaalde omstandigheid blijkt immers dat deze omstandigheid voor de verzekeraar van belang is. Dit laat onverlet dat de verzekeringnemer een vraag mag beantwoorden overeenkomstig de zin waarin hij deze in redelijkheid heeft mogen begrijpen.

4.6. De rechtbank passeert de stelling van [A.] inhoudende dat de vraag naar het strafrechtelijk verleden in dit geval te vaag of te open was, zodat hij niet behoefde te begrijpen dat hetgeen hem was overkomen daar ook onder viel. De op het aanvraagformulier gestelde vraag (zie rov. 2.2 hierboven) bestrijkt immers uitdrukkelijk ook de zich in deze zaak voordoende situatie dat er sprake is geweest van een verdenking, maar dat het (nog) niet tot een rechtzaak is gekomen. De formulering laat op dit punt niets aan duidelijkheid te wensen over. Dit betekent dat [A.] ook van de tegen hem gerezen verdenking melding had moeten maken. Dit geldt ook als [A.], zoals hij stelt, ten tijde van het invullen van het formulier dacht dat hij niet langer verdacht werd. De door [A.] nog naar voren gebracht onschuldpresumptie maakt dit alles niet anders. Bij een strafvervolging wordt inderdaad uitgegaan van de onschuld van de verdachte. Dit brengt echter, zoals [A.] bij dagvaarding zelf terecht opmerkt, niet mee dat een verzekeringnemer de verzekeraar, indien uit de door deze met het oog op de af te sluiten verzekering gestelde vragen blijkt dat hij ook daarover geïnformeerd wil worden, niet zou behoeven in te lichten over het feit dat tegen hem een strafvervolging is ingesteld.

Verschoonbaarheidsvereiste

4.7. Aan de orde is dan het verschoonbaarheidsvereiste: de verzekeraar moet de uiterste zorg betrachten om te voorkomen dat hij onbekend met voor hem van belang zijnde feiten en omstandigheden de verzekering afsluit. Deze zorgplicht gaat evenwel niet zo ver dat hij in beginsel niet mag vertrouwen op de juistheid van de door de verzekeringnemer gedane mededelingen. Bovendien geldt voor een beroep op het verschoonbaarheidsvereiste de eis dat de verzekeringnemer niet te kwader trouw heeft gehandeld.

4.8. [A.] stelt in dit verband in de eerste plaats dat de wijze waarop op het aanvraagformulier is gevraagd naar het strafrechtelijk verleden zodanig was, dat hij er niet op verdacht behoefde te zijn dat hij daadwerkelijk een vraag moest beantwoorden. Er is immers geen ruimte opengelaten om de vraag te beantwoorden en evenmin is, anders dan bij de andere vragen op het formulier, de mogelijkheid geboden om "ja" of "nee" aan te kruisen. Bovendien is sprake van een klein lettertype en staat de vraag onderaan het formulier.

4.9. Uit de door [A.] in het geding gebrachte kopie van het aanvraagformulier valt niet af te leiden dat de "verklaring van de aanvrager", waarin de vraag omtrent het strafrechtelijk verleden is opgenomen, in een kleiner lettertype is gesteld dan de rest van het aanvraagformulier. Ook de plaats op het formulier acht de rechtbank niet van belang. De daarop gerichte stellingen worden derhalve gepasseerd. Aan [A.] kan worden toegegeven dat het aanvraagformulier aan duidelijkheid had gewonnen indien de vraag naar het strafrechtelijk verleden met "ja" of "nee" beantwoord had moeten worden en op het aanvraagformulier bovendien een ruimte leeg was gelaten bestemd voor een toelichting voor het geval de vraag met "ja" beantwoord zou worden. Laatstgenoemde omstandigheid is echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat het aan Unigarant zelf te wijten is dat de vraag ten onrechte niet werd beantwoord. Bij de aspirant-verzekerde die het aanvraagformulier met enige oplettendheid doorleest kan er geen twijfel over bestaan dat er in het geval sprake is geweest van een verdenking van een strafbaar feit nadere informatie aan de verzekeringsmaatschappij dient te worden verstrekt. De rechtbank laat bij dit oordeel nog meewegen dat Unigarant de vraag naar het strafrechtelijk verleden vergezeld heeft doen gaan van een toelichting waarin duidelijk wordt gemaakt dat de onjuiste beantwoording ernstige gevolgen kan hebben voor het recht op uitkering.

4.10. [A.] beroept zich voorts op artikel 7:928 lid 5 BW dat bepaalt dat de verzekeraar zich niet erop kan beroepen dat vragen niet zijn beantwoord indien de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst. Zoals uiteengezet in rechtsoverweging 4.2 hierboven is art. 7:928 BW niet van toepassing is op deze verzekeringsovereenkomst die is gesloten voor 1 januari 2006. Echter, ook onder de vigeur van artikel 251 K geldt naar vaste rechtspraak dat de verzekeraar die genoegen neemt met een vragenlijst, waarin bepaalde vragen zijn opengelaten of met een streep dan wel anderszins onduidelijk zijn beantwoord, en op die op deze basis een verzekering afsluit, zich later niet met succes kan beroepen op verzwijging ten aanzien van de aldus onduidelijk of niet beantwoorde vragen.

4.11. Het gaat in dit geval echter niet om een vraag die onbeantwoord is gelaten (in de zin van een opengelaten antwoordruimte) maar om een vraag die, naar uit de formulering ervan duidelijk blijkt, alleen beantwoord behoeft te worden indien daadwerkelijk sprake is van een strafrechtelijk verleden. Unigarant mocht er naar het oordeel van de rechtbank derhalve van uitgaan dat [A.], nu hij geen informatie over zijn strafrechtelijk verleden verstrekte, bedoelde de vraag ontkennend te beantwoorden.

De gevolgen van de verzwijging

4.12. Uit het bovenstaande volgt dat sprake is van verzwijging als bedoeld in artikel 251 K. Aan de orde zijn vervolgens de gevolgen van de verzwijging voor het recht op uitkering, welke moeten worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:930 BW. Volgens het vierde lid van dat artikel, waarop Unigarant zich beroept, vervalt het recht op uitkering geheel indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten.

4.13. [A.] voert terecht aan dat stelplicht en bewijslast ten aanzien van het acceptatiebeleid rusten op Unigarant als verzekeraar. Laatstgenoemde heeft daartoe op de comparitie van partijen aangevoerd dat het beleid van de acceptatieafdeling inhoudt dat bij een recente strafrechtelijke vervolging slechts onder hoge uitzondering een verzekering gesloten wordt. Indien de verdenking betrekking heeft op verduistering, zoals in het onderhavige geval, zou in geen geval een verzekering zijn gesloten, te minder nu de verduistering zich afspeelde in de autobranche. [A.] heeft deze stellingen niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan. Daarbij weegt mee dat het de rechtbank zeer aannemelijk voorkomt dat juist een verdenking van verduistering reden is om een verzekeringsovereenkomst niet aan te gaan, nu de verzekeringsovereenkomst in hoge mate gestoeld is op een vertrouwensrelatie tussen verzekeraar en verzekerde.

4.14. [A.] heeft in dit verband nog aangevoerd dat een andere verzekering van hem bij Unigarant gewoon was blijven doorlopen, waaruit volgens hem volgt dat Unigarant zijn strafrechtelijk verleden niet van belang acht. Unigarant heeft daar onbetwist tegenin gebracht dat het doorlopen van de andere verzekering het gevolg was van een administratieve fout en dat die fout inmiddels is hersteld door opzegging van de desbetreffende verzekering. De rechtbank zal deze stelling van [A.] derhalve passeren.

4.15. Het bovenstaande brengt reeds mee dat Unigarant niet gehouden is tot uitkering van de diefstalschade aan [A.]. In het midden kan derhalve blijven of [A.] de onjuiste mededeling heeft gedaan met het oogmerk Unigarant te misleiden, zoals Unigarant stelt en [A.] betwist.

4.16. De vorderingen in conventie zullen worden afgewezen. [A.] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie, aan de zijde van Unigarant begroot op € 775,= aan vastrecht en € 1.158,= aan salaris advocaat.

in reconventie

4.17. Uit hetgeen is overwogen in conventie volgt dat aan Unigarant een beroep toekomt op artikel 251 K en dat dit beroep er op de voet van artikel 7:930 lid 4 BW toe leidt dat de vergoedingsplicht geheel vervalt. Dit brengt mee dat een uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst reeds gedane uitkering als onverschuldigd kan worden teruggevorderd. Dit geldt ook voor de betaling van € 9.478,= die Unigarant op 25 februari 2007 heeft gedaan in verband met (éénzijdig) ongeval in Duitsland. De in reconventie gevorderde hoofdsom zal derhalve reeds op deze grond worden toegewezen.

4.18. Unigarant heeft voorts aangevoerd dat ook in het geval geen sprake zou zijn van verzwijging de desbetreffende uitkering ten onrecht is gedaan, nu de schade is ontstaan op een circuit en dergelijke schade in artikel 17 lid 9 van de polisvoorwaarden van dekking is uitgesloten.

4.19. De rechtbank is van oordeel dat de reconventionele vordering ook op deze grondslag slaagt. Uit de door Unigarant in het geding gebrachte stukken blijkt zonder meer dat de Nordschleife-Nürburgring een voormalig Formule 1 circuit is, waarop men tegen betaling de stuurmanskunsten kan testen. Dat het circuit thans niet meer voor wedstrijden als Formule 1 circuit in gebruik is doet aan het karakter van circuit niet af. Ook het feit dat de Nordschleife-Nürburgring formeel een openbare weg is waar dezelfde regels gelden als op normale Duitse snelwegen is niet van belang. Doorslaggevend is dat de Nordschleife aangelegd is om te dienen als circuit en als zodanig, anders dan een normale openbare weg, niet is ontworpen om zo veilig mogelijk te zijn maar juist om zo uitdagend mogelijk te zijn. Op de Nordschleife-Nürburgring worden bovendien, zoals op een circuit gebruikelijk is, rondes gereden. Het gaat niet om een openbare weg in de gebruikelijke zin van het woord die door het normale verkeer benut wordt om van de ene bestemming naar de andere te komen.

4.20. De rechtbank is in het licht van het bovenstaande van oordeel dat [A.] bij de melding van de schade op het aanrijdingsformulier had moeten vermelden dat het (eenzijdige) ongeval had plaatsgevonden op de Nordschleife-Nürburgring. Hij heeft dat echter nagelaten en vermeldde slechts: "reed in Eiffelgebergte, de weg liep naar beneden slingerend. provinc. weg". Dit brengt mee dat hij de verzekeringsuitkering te kwader trouw heeft aangenomen en dat de gevorderde wettelijke rente derhalve, zoals door Unigarant ter comparitie betoogd, op de voet van artikel 6:205 BW toewijsbaar vanaf de dag volgende op die van de betaling.

4.21. [A.] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie, aan de zijde van Unigarant begroot op € 384,= aan kosten advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [A.] in de proceskosten, aan de zijde van Unigarant begroot op € 775,= aan griffierecht en € 1.158,= aan kosten advocaat;

in reconventie

- veroordeelt [A.] tot betaling aan Unigarant van € 9.478,87, met de wettelijke rente daarover vanaf 26 februari 2007;

- veroordeeld [A.] in de proceskosten, aan de zijde van Unigarant begroot op € 384,= aan kosten advocaat;

- verklaart dit vonnis voor zover gewezen in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009