Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6352

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
09-900411-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op zijn vriendin. Hij heeft haar zonder duidelijke redenen en in het bijzijn van haar 87-jarige vader met zeven messteken om het leven gebracht. [...] De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij van mening is dat de dood van zijn vriendin een ongeluk was en dat het hem “is overkomen”. Verdachte ziet vooral zichzelf als slachtoffer en heeft op geen enkele wijze spijt betuigd aan de nabestaanden.[...] De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, gezien de ernst van het feit weliswaar kort is te achten, maar naast de op te leggen maatregel [...], passend en geboden is. Gelet op [...] zal de rechtbank de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen. De rechtbank overweegt hierbij dat de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging een beveiligingsmaatregel is die de samenleving tegen ernstig recidivegevaar beoogt te beschermen. In dat kader is niet beslissend voor het opleggen van de maatregel of verdachte wel of niet wil meewerken aan een behandeling. Bovendien kan niet op voorhand worden uitgesloten dat verdachte later, bijvoorbeeld na een geruime tijd van onthouding van alcohol, alsnog besluit mee te willen werken aan een behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/900411-09

Datum uitspraak: 21 augustus 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

postadres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden, P.C.S. Unit 2" te ’s Gravenhage.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 augustus 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling en van hetgeen door de raadsvrouwe van verdachte mr. C.R.D. Kommer, advocaat te ’s-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 mei 2009 te Delft opzettelijk en met voorbedachten rade) [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [X] zeven, in elk geval een of meermalen, met een mes, in de borststreek en/of de rug, althans het bovenlichaam en/of in de arm(en) gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 mei 2009 te Delft opzettelijk [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [X] zeven, in elk geval een of meermalen, met een mes, in de borststreek en/of de rug, althans het bovenlichaam en/of in de arm(en) gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 8 mei 2009 zijn vriendin om het leven heeft gebracht door haar zeven maal met een mes in de borst, rug en arm te steken. Primair is dit ten laste gelegd als moord en subsidiair als doodslag.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en dus het primair ten laste gelegde heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe van verdachte heeft geconcludeerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer bij verdachte ontbreekt. De raadsvrouwe heeft subsidiair geconcludeerd dat verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachten rade.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.(1)

De feitelijke toedracht

Als vaststaand kan worden aangenomen dat verdachte zijn vriendin in de avond van 8 mei 2009 in het huis van haar vader, de [adres] in Delft, met een door hem uit een keukenla gepakt mes, verwondingen heeft toegebracht. Deze verwondingen hebben tot de dood van zijn vriendin geleid.(2)

Voor de beoordeling van de tenlastelegging zijn de volgende, zakelijk weergegeven, bevindingen van verbalisanten, de verklaringen van verdachte en de verklaringen van de enige getuige van het gebeuren, de vader van het slachtoffer, van belang.

Bevindingen verbalisanten

Verbalisant [A] heeft verdachte na het gebeuren die avond als eerste gesproken. Hij hoorde verdachte zeggen dat hij de dader was, dat hij alcohol had genuttigd, dat zijn vriendin hem de hele dag zou hebben lopen jennen en dat hij er genoeg van had en haar had gestoken. Hij vroeg meerdere malen aan verbalisant of ze dood was.(3)

Verbalisanten [B] en [C] hebben verdachte op 9 mei onder meer het volgende horen verklaren:

“Ik weet niet wat me gisteren bezielde, ze deed helemaal niets, ik heb een mes gepakt en heb haar gestoken. (…) Ik heb tegen één van uw collega’s gezegd dat ik het had gedaan, dat ik haar had neergestoken.”(4)

Verbalisant [D] heeft op 8 mei 2009 na het gebeurde in de woning van de vader van het slachtoffer, [vader], met deze gesproken en relateert daarover onder meer het volgende:

“’[vader] verklaarde mij dat hij op een stoel in de woonkamer zat. Zijn dochter was tevens in de woonkamer met haar vriend. Hij hoorde zijn dochter ruzie maken met haar vriend. Haar vriend was op een gegeven moment naar de keuken gelopen. Hij hoorde zijn dochter vervolgens aan haar vriend vragen waarom hij een mes in zijn zak stopte. Hij zag haar vriend vervolgens weer de keuken uit komen. Hij zag dat de vriend van zijn dochter de keuken weer uit kwam met een mes in zijn hand. Hij zag hierna dat de vriend van zijn dochter zijn dochter meerdere malen stak met het mes. Hij zag dat zijn dochter vervolgens op de grond viel.”(5)

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft een aantal, van elkaar afwijkende, verklaringen afgelegd.

Verklaring 9 mei te 13:35 uur:

Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 mei 2009 veel gedronken heeft. ’s Avonds zijn zijn vriendin [X], het latere slachtoffer, en hij bij haar vader, door verdachte ‘opa’ genoemd, thuis gekomen. Hij heeft verder onder meer het volgende verklaard:

“Thuis bij opa gingen [X] en ik in de woonkamer / huiskamer zitten. Opa zat daar al. (…) Ik was erg onrustig. Ik weet niet waarom. Ik heb hier geen verklaring voor. Op een gegeven moment ben ik opgestaan en ik liep alleen naar de keuken toe. In de keuken heb ik uit het linker ladenblok een mes gepakt. Ik weet nu nog steeds niet waarom ik dat mes heb gepakt. Het was een groot puntig vleesmes. (…) Nadat ik het vlees mes uit de keuken had gepakt, stopte ik het mes in de linker binnenzak van mijn jas. Ik liep toen vanuit de keuken terug de woonkamer in. In de woonkamer zaten [X] en opa nog steeds. Ik ging toen weer op mijn oude plek zitten, waar ik voordat ik de keuken in liep ook al zat. Ik hoorde toen dat [X] en opa verbaal tegen mij tekeer gingen. Ik voelde mij enorm op mijn nummer gezet. Kennelijk hadden zowel opa als [X] gezien dat ik dat mes had gepakt en zij spraken mij daar herhaaldelijk op aan. Zij bleven vragen waarom ik dat mes had gepakt en wat ik ermee wilde doen. Ik kan u zeggen dat ik nog steeds niet weet waarom ik dat mes had gepakt. (…) Ik was het zat. Ik wilde weg uit het huis. Ik stond op en wilde het huis verlaten. Ik zag dat [X] ook op stond aan de linker zijde van mij. Ik voelde dat [X] mij aan de linkerzijde van mijn jas vastpakte en mij naar haar toe trok. Zij is rechts en voor zover ik weet pakte zij mij met haar rechterhand vast aan mijn jas. Ik wilde dit niet. Ik wilde weg het huis uit. Ik zei nog dat ze mij los moest laten. Ik was boos, ik was echt boos. Ze trok hard aan mijn jas en ik werd boos, echt boos. [X] wilde niet dat ik weg ging en trok mij krachtig haar richting op naar voren. Ik pakte het vleesmes uit mijn binnenzak, kennelijk opzettelijk, ik hief mijn arm uit tot boven mijn hoofd. Ik had het mes toen boven mijn eigen hoofd vast en de punt van het mes wees naar beneden. [X] had mij nog steeds vast en liet mij niet los. Ik weet niet wat mij toen bezielde, maar ik heb kennelijk opzettelijk en met kracht met de punt van het mes in haar richting gestoken. (…) Ik weet dat ik [X] voordat ik haast viel nog een keer opzettelijk gestoken heb, omdat ze mij nog steeds vasthield.(6)

Verklaring 10 mei te 19:57 uur:

Verdachte heeft onder meer het volgende verklaard:

“Op een gegeven moment wilde ik weg. Ik wilde maar één ding, dat was het huis uit. Ik liep toen naar de keuken en pakte daar het vleesmes uit de keukenla. Ik liep niet gelijk het huis uit, omdat [X] mij riep, ze zag dat ik het mes pakte. Ik liep toen weer terug de woonkamer in. Ik ging weer zitten op mijn plekje waar ik ook al daarvoor zat. Ik zat daar toen 5 tot 10 minuten en in die tijd waren [X] en opa continu tegen mij aan het praten over het mes. Ze zeiden herhaaldelijk “Wat moet je met dat mes? Wat moet je ermee, zet dat mes terug, zet dat mes terug”. Dit bleven zij herhalen. Toen opeens, ik weet niet wat mij bezielde, ik stond op en wilde weggaan. Maar op dat moment trok [X] ook op en trok mij aan mijn jas. Ik probeerde mijn jas van haar hand weg te trekken, maar ze hield mijn jas zo stevig vast dat dat niet lukte. Toen dacht ik: “Ik pak het mes”, maar niet om haar daarmee aan te vallen, maar om haar ermee bang te maken. Ik pakte het mes uit mijn binnenzak, vermoedelijk pakte ik het mes met mijn linkerhand. Toen ik het mes had gepakt, maakte ik zwaaibewegingen ermee. (…) Ik heb het mes laten zien, of ik stak ermee, ik weet het echt niet precies meer. (…) Ik zat in de huiskamer met [X] en opa. Ik had toen helemaal geen woordenwisseling met [X]. Er is helemaal niets, helemaal geen woordenwisseling gevallen tussen mij en [X]. (…) [X] liep ruzie te maken met mij, ik zat op mijn stoel, ik wilde weggaan, zij pakte mij toen vast. En de rest van het verhaal kent u wel.”(7)

Verklaring verdachte ter terechtzitting, d.d. 7 augustus 2009:

Ter terechtzitting heeft verdachte, in de lijn van hetgeen hij tegen na te noemen psychiater en psycholoog over het gebeurde op de avond van 8 mei 2009 heeft gezegd, onder meer verklaard nu wel te weten waarom hij het mes uit de keukenla heeft gehaald. Weliswaar heeft hij tegenover de politie meermalen gezegd een goede band met de vader van [X] gehad te hebben, maar er waren ook spanningen in de verhouding met hem. Daarom wilde hij niet blijven slapen, maar naar het huis van [X] gaan. Uit voorzorg in verband met een conflict met zijn eigen familie, dat in het dossier aan de orde komt, heeft hij het mes uit de keukenla gepakt. Dit had niets met [X] te maken. Hij had geen enkele ruzie met haar. Hij is toen weer enige tijd op de bank gaan zitten, omdat hij het onbeleefd vond meteen weg te gaan. [X] en haar vader begonnen steeds maar over het mes te zeuren. Toen hij opstond om weg te gaan, pakte [X] hem vast om hem tegen te houden. Vervolgens heeft hij het mes gepakt en wat er toen gebeurde kan hij zich niet goed herinneren. [X] is gevallen en hij ook. Het kan zijn dat het mes daarbij in haar lichaam terecht is gekomen. Volgens hem heeft hij haar niet (meermalen) gestoken en had hij geen enkel opzet om dat te doen.

Verdachte heeft verklaard dat de heer [vader] hem [naam verdachte] noemt.

Verklaring getuige [vader] op 8 mei 2009

Getuige [vader] heeft onder meer het volgende verklaard:

“Op vrijdag 8 mei 2009 omstreeks 21:00 uur zat ik in de woonkamer in een stoel en [naam Y] zat tegenover mij op de bank. [Verdachte] stond ook in de woonkamer bij de bank. Ik hoorde dat [verdachte] en [Y] woorden hadden. Ze verhieven hun stemmen. Wat ze tegen elkaar zeiden weet ik niet. Tijdens de woordenwisseling zag ik dat [verdachte] naar de keuken liep. Vanuit mijn stoel kan ik zo in de keuken kijken. Ik zag dat hij in de keuken twee lades open trok. Ik zag dat hij uit één van de lades een groot vleesmes pakte. Ik gebruikte het mes wel eens om stukjes vlees te snijden, ik denk dat het mes 15 à 20 cm lang is. Ik hoorde [Y] zeggen: “Wat ga je met dat mes doen?” Intussen stond [verdachte] in de woonkamer. Ik zag dat [verdachte] naar [Y] toe liep. Ik zag dat hij haar heel stevig vastpakte. Ik zag dat [Y] wilde opstaan. Ik zag dat de manspersoon het mes uit zijn jas haalde en op [Y] in begon te steken. (…) U vraagt mij wie er in de woning is neergestoken. Dat is mijn dochter [X]. (…) [X] en [verdachte] woonden sinds een paar dagen bij mij in huis. Ze sliepen samen bij mij in huis. [X] en [verdachte] hadden sinds kort een relatie.(8)

Beoordeling

Verdachte heeft meermalen verklaard, zoals uit voormelde bevindingen van verbalisanten en uit zijn verklaringen tegenover de politie blijkt, het slachtoffer met het door hem uit de keukenla gepakte mes (meermalen) te hebben gestoken. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat het kan zijn dat het mes bij de val van [X] en hemzelf in haar lichaam terecht is gekomen en dat hij haar volgens hem niet heeft gestoken.

Dit laatste acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, gezien de eerdere verklaringen van verdachte, die het tegendeel inhouden, en, ook in samenhang daarmee, de bevindingen van de patholoog-anatoom, die, naast andere verwondingen, zeven steekwonden, waarvan een aantal diep, in het lichaam van het slachtoffer heeft geconstateerd.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer zeven maal met een mes in de borststreek, de arm en de rug heeft gestoken.

Verdachte heeft meermalen verklaard geen opzet te hebben gehad het slachtoffer te doden.

Ook de raadsvrouwe van verdachte heeft, in tegenstelling tot de officier van justitie, betoogd dat verdachte geen opzet had op de dood van het slachtoffer, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Verdachte had immers een liefdevolle relatie met het slachtoffer en had geen reden om haar opzettelijk van het leven te beroven. Ook de emotionele reactie op de dood van het slachtoffer zou er volgens de raadsvrouwe op wijzen dat er bij verdachte geen sprake was van enig opzet.

De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat het slachtoffer zeven maal door verdachte is gestoken in de buik en de borststreek voldoende is om aan te nemen dat verdachte tenminste de aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard dat het slachtoffer door deze steekwonden om het leven zou kunnen komen. Verdachte had derhalve tenminste het voorwaardelijk opzet op de dood van slachtoffer.

De raadsvrouwe van verdachte heeft verder bepleit dat bij verdachte geen sprake was van voorbedachte rade. De officier van justitie meent dat verdachte wel heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, zodat de hem primair ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank sluit zich aan bij de officier van justitie en overweegt hiertoe het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van het voor voorbedachte rade benodigde kalm beraad en rustig overleg, indien er een moment, hoe kort ook, is geweest waarop een verdachte zich heeft kunnen bezinnen op de gevolgen van zijn daad.(9)

Uit de verklaringen van verdachte tegenover de politie, ook de verklaringen die zijn neergelegd in bevindingen van verbalisanten, alsmede uit de verklaringen van de vader van het slachtoffer – alle zoals hiervoor zijn weergegeven – zou kunnen worden afgeleid, dat verdachte tijd heeft gehad voor het hiervoor bedoelde beraad en overleg, toen hij het mes uit de keuken ging halen en dat hij dat deed uit frustratie jegens het slachtoffer.

Nu er maar één getuige van de steekpartij, de vader van het slachtoffer, is geweest en er in het dossier aanwijzingen zijn van een mogelijke (beginnende) dementie, is zijn verklaring – namelijk dat er een woordenwisseling is geweest tussen verdachte en het slachtoffer, voordat verdachte het mes uit de keuken ging halen en dat verdachte, toen hij uit de keuken terug kwam, zijn dochter meteen heeft gestoken – mogelijk minder betrouwbaar. Op grond hiervan heeft de rechtbank onvoldoende objectieve aanknopingspunten voor het oordeel dat er voorafgaand aan de eerste messteek een moment van beraad en overleg als hiervoor bedoeld bij verdachte is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in elk geval na de eerste steek een moment geweest, waarop verdachte zich heeft bezonnen over de gevolgen van zijn daad, nu hij, volgens zijn eigen verklaring tegenover de politie, besloot opnieuw te steken, omdat het slachtoffer hem niet losliet en ondanks het feit dat hij al veel bloed zag op borst en kleding van het slachtoffer.(10) Dat dit moment erg kort is geweest doet hier, gelet op bovengenoemde jurisprudentie, niets aan af. Verdachte heeft op dat moment de keuze gemaakt om het slachtoffer nog zesmaal te steken, waarbij hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij hieraan zou kunnen overlijden, hetgeen helaas ook is gebeurd.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 08 mei 2009 te Delft opzettelijk en met voorbedachten rade [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [X] zeven malen, met een mes, in de borststreek en de rug en in de arm gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de persoon van de verdachte is een psychologisch en psychiatrisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport, gedateerd 24 juli 2009, opgemaakt door [E] (psychiater) en een rapport, eveneens gedateerd 24 juli 2009, opgemaakt door [F] (psycholoog). Beide deskundigen komen tot de conclusie dat ten tijde van het plegen van de delicten bij verdachte sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en borderline persoonlijkheidstrekken in combinatie met een alcoholafhankelijkheid. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

De officier van justitie sluit zich aan bij deze conclusies.

Verdachte zelf heeft aangegeven dat hij slechts maatschappelijke problemen heeft en niet lijdt aan een psychiatrische ziekte.

De rechtbank neemt de conclusies van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek over en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en strafbaar voor het bewezenverklaarde, aangezien niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en daarnaast – in navolging van het advies van de hierboven al genoemde deskundigen [F] en [E] – aan hem op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Verdachte vormt een ernstig gevaar voor zijn omgeving en er is een aanzienlijke kans op recidive.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet op te leggen. Zij wijst op het feit dat psychiater [E] in beginsel twijfelde aan de meerwaarde van TBS ter vermindering van het recidivegevaar. Volgens de verdediging is verdachte meer gebaat bij toezicht en begeleiding gericht op alcoholonthouding. Tevens zal gewerkt moeten worden aan een resocialiserend traject met een dagbesteding, betaald werk en huisvesting. Verdachte heeft aangegeven hieraan volledig mee te willen werken.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De op te leggen straf

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op zijn vriendin. Hij heeft haar zonder duidelijke redenen en in het bijzijn van haar 87-jarige vader met zeven messteken om het leven gebracht. Verdachte heeft de moord gepleegd in de woning van de vader van het slachtoffer, een plek waar zij zich veilig en geborgen voelde. Verdachte heeft het belangrijkste recht van het slachtoffer geschonden, namelijk haar recht om te leven. Bovendien heeft verdachte de nabestaanden hun dochter en moeder afgenomen.

De rechtbank merkt het handelen van verdachte aan als een zeer schokkende daad, die in de eerste plaats natuurlijk de nabestaanden treft, maar daarnaast ook de samenleving raakt, omdat ernstige geweldsfeiten als de onderhavige het gevoel van onveiligheid in de maatschappij versterken.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij van mening is dat de dood van zijn vriendin een ongeluk was en dat het hem “is overkomen”. Verdachte ziet vooral zichzelf als slachtoffer en heeft op geen enkele wijze spijt betuigd aan de nabestaanden. Dat de moord in hun levens diepe sporen heeft nagelaten, blijkt wel uit de aangrijpende slachtofferverklaring ter terechtzitting van de 17-jarige dochter van het slachtoffer.

Uit een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt voorts dat verdachte al eerder voor geweldsmisdrijven is veroordeeld, waaronder een poging tot doodslag op zijn toenmalige vriendin in 2005. Verdachte heeft voor dit feit, waarbij alcohol ook een rol heeft gespeeld, een gevangenisstraf opgelegd gekregen van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Dit heeft verdachte kennelijk niet doen besluiten om zijn alcoholverslaving aan te pakken om dergelijke feiten in de toekomst te voorkomen.

Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, gezien de ernst van het feit weliswaar kort is te achten, maar naast de op te leggen maatregel als hierna te melden, passend en geboden is.

De op te leggen maatregel

Uit de hiervoor vermelde psychiatrische rapportage door [E] blijkt het volgende.

Met betrekking tot de persoonlijkheid van verdachte blijkt er sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische kenmerken. Er is sprake van een al vele jaren bestaande alcoholafhankelijkheid. Ook is er een zeer hoog recidivegevaar voor gewelddadig gedrag geconstateerd. Onderzochte is ernstig verslaafd aan alcohol,waarbij er een verband is tussen die verslaving en de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis. Hoewel gezien de justitiële voorgeschiedenis, de aard van het delict en de verminderde toerekeningsvatbaarheid het adviseren van TBS met dwangverlening, volgens [E] voor de hand ligt, kan hij niet zonder meer aangeven wat de grootste kans van slagen zal hebben op het reduceren van het recidivegevaar en van de gestoorde agressieregulatie: een gevangenisstraf met of zonder aansluitend TBS met dwangverpleging.

Het voornoemde rapport van psycholoog [F] houdt het volgende in.

Naar inschatting van de psycholoog is de kans op recidive nog steeds volop aanwezig, temeer daar er geen sprake is van zelfinzicht, inzicht in problematiek alsmede enige motivatie om gedrag te willen veranderen. De geconstateerde persoonlijkheidsstoornis, de agressieproblematiek in combinatie met zijn chronische alcoholafhankelijkheid vormen letterlijk een levensgevaarlijke mix wat betreft het recidiverisico bij eventueel toekomstige relaties met vrouwen. De psycholoog is van mening dat verdachte een onacceptabel groot gevaarsrisico vormt voor de samenleving. De psycholoog adviseert vervolgens betrokkene naast straf een terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. De psycholoog tekent daarbij aan dat betrokkene niet open staat voor behandeling en dat de gesloten context van een TBS kliniek daarin vermoedelijk weinig verandering zal brengen.

Over de verdachte is tevens op 31 juli 2009 een voorlichtingsrapport opgemaakt door [G] van Reclassering Nederland, Regio Den Haag. Zij onthoudt zich van een strafadvies.

Verdachte heeft ter terechtzitting nogmaals aangegeven op geen enkele wijze te willen meewerken aan een behandeling. De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte ieder inzicht ontbreekt in de ernst van zijn alcoholverslaving en zijn psychiatrische- en agressieproblematiek. Mede hierdoor is de kans op herhaling van het plegen van gewelddadige feiten als het onderhavige zeer groot en vormt verdachte een gevaar voor de samenleving.

Gelet op de conclusies in de rapportage van, in bijzonder, de psycholoog [F] die de rechtbank overneemt, en de ernst van het bewezen verklaarde feit, zal de rechtbank de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen. De rechtbank overweegt hierbij dat de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging een beveiligingsmaatregel is die de samenleving tegen ernstig recidivegevaar beoogt te beschermen. In dat kader is niet beslissend voor het opleggen van de maatregel of verdachte wel of niet wil meewerken aan een behandeling. Bovendien kan niet op voorhand worden uitgesloten dat verdachte later, bijvoorbeeld na een geruime tijd van onthouding van alcohol, alsnog besluit mee te willen werken aan een behandeling.

Aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht is derhalve voldaan.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

moord;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. A.C.J. van Dooijeweert, voorzitter,

S.L. Donker en P.C.T. van Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. van Heemst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 augustus 2009.

Mr. Van Dam is buiten staat dit proces-verbaal te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van de doorgenummerde processen-verbaal van politie Haaglanden, genummerd PL1581/2009/11663-36, d.d. 10 mei 2009, met bijlagen; respectievelijk genummerd PL1581/2009/11663-56, d.d. 26 juni 2009, met bijlagen; respectievelijk genummerd PL1581/2009/11663-68, d.d. 23 juli 2009, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 44; deskundigenrapport patholoog-anatoom, blz. 104 e.v.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 42.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 51.

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 45.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 75 en 76.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 82 en 83.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [vader], blz. 56 en 57.

9 Zie HR 27 juni 2000, NJ 2000/605; HR 30 juni 2009, LJN BI4070; HR 7 december 1999, NJ 2000/263.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 76, tweede alinea na de vraag: “U vraagt mij wat er toen gebeurde”.