Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6309

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/27886
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ8746, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / inspanningsverplichting bij inverzekeringstelling / consulaire bijstand voorafgaand aan de bewaring

De vraag ligt voor of de inspanningsverplichting ook geldt indien de voorafgaande strafrechtelijke detentie bestond uit een drie dagen durende inverzekeringstelling. De rechtbank stelt vast dat in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 een koppeling wordt gelegd tussen de strafrechtelijke detentie en de plek waar de detentie, zijnde een inrichting, wordt ondergaan. Het beleid noemt als voorbeeld de situatie van voorlopige hechtenis of een nog niet onherroepelijk vonnis. Hieruit leidt de rechtbank af dat voornoemd beleid aldus niet ziet op een situatie waarbij de vreemdeling op een politiebureau, als inverzekeringgestelde, verblijft in het kader van een net opgestart strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank overweegt daarbij dat het beleid ook is geschreven teneinde zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst, hetgeen tijdens een inverzekeringstelling, gelet op de maximale duur daarvan, in de regel slecht haalbaar zal zijn.

Anders dan eiseres kennelijk meent, is de rechtbank van oordeel dat uit het Weens Verdrag inzake consulaire betrekkingen noch uit artikel 5.5, tweede lid van het Vb 2000 volgt dat eiseres reeds voorafgaand aan de inbewaringstelling in de gelegenheid moet zijn gesteld om met haar consulaire vertegenwoordiging contact op te nemen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/27886

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

V-nr: *

in het geding tussen:

eiseres [naam], geboren [datum] in 1976, van (gestelde) Mongolische nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Kras, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Op 26 juli 2009 is eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 3 augustus 2009 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 13 augustus 2009. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig G. Lunter-Tuvdenbaatar als tolk in de Mongolische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

1. Eiseres heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Verweerder heeft zijn inspanningsverplichtingen geschonden. Tijdens het strafrechtelijke voortraject heeft de politie op 24 juli 2009 met eiseres gesproken. Uit de reactie van eiseres had de politie kunnen opmaken dat er wellicht sprake is van mensenhandel. De politie had conform het beleid in paragraaf B9 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 eiseres nader dienen te bevragen. Verweerder heeft dit nagelaten.

Het recht van eiseres op consulaire bijstand is voorts geschonden. Uit het proces verbaal van het ‘artikel 59–gehoor’ van 26 juli 2009 (dossierstuk 21) lijkt weliswaar te volgen dat eiseres gewezen zou zijn op het recht op consulaire bijstand, maar de reactie van eiseres is niet gerelateerd. Uit het proces-verbaal van 27 juli 2009 (dossierstuk 19) blijkt dat eiseres wel van dit recht gebruik wilde maken. Op die dag heeft zij immers contact opgenomen met het consulaat. Dit is een vreemde gang van zaken. Er mag worden aangenomen dat eiseres al op 26 juli 2009 consulaire bijstand wilde, maar hiertoe niet de mogelijkheid heeft gekregen. Uit jurisprudentie blijkt dat dit recht voorafgaand aan de inbewaringstelling moet worden uitgeoefend. Dat is hier niet gebeurd.

Voorts is het dossier onvolledig. Er blijkt niet uit wanneer eiseres naar het Huis van Bewaring is overgeplaatst en wanneer haar dossier daar is aangekomen. Dit is van belang voor de beantwoording van de vraag of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.

Tot slot ontbreekt het zicht op uitzetting. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 november 2008 (AWB 08/39706) blijkt dat de vorige vreemdelingenbewaring van eiseres is opgeheven wegens het ontbreken van het zicht op uitzetting. Naar vaste jurisprudentie moeten er dan bij een volgende bewaring nieuwe aanknopingspunten zijn. Deze zijn er niet. Daarnaast ontbreekt het zicht op uitzetting omdat er tijdens eerdere bewaringen geen laissez passer (lp) ten behoeve van eiseres is afgegeven.

2. Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Verweerder heeft de inspanningsverplichting niet geschonden. Uit het beleid van paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 blijkt dat er alleen een inspanningsverplichting is na een voorlopige hechtenis en niet een inverzekeringstelling. Mocht de rechtbank echter van oordeel zijn dat verweerder niet heeft voldaan aan de op verweerder rustende inspanningsverplichting, dan dient de belangenafweging in het voordeel van verweerder uit te vallen omdat eiseres ongewenst is verklaard.

Het recht van eiseres op consulaire bijstand is voorts niet geschonden. Eiseres heeft op 27 juli 2009 contact op kunnen nemen met het consulaat van Mongolië.

Ook heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. Eiseres is op 29 juli 2009 overgeplaatst naar [naam] een detentiecentrum. Op 30 juli 2009 is een vertrekgesprek gevoerd met eiseres en is de lp-aanvraag ingevuld en opgestuurd naar de lp-kamer. Op 31 juli 2009 is de lp-aanvraag ontvangen door de lp-kamer en op 7 augustus 2009 is deze ingediend bij de autoriteiten van Mongolië. Verweerder kan niet met zekerheid stellen wanneer het dossier is aangekomen, maar dit moet op 29 of 30 juli 2009 zijn geweest omdat op 30 juli 2009 een regievoerder is aangewezen en er een vertrekgesprek met eiseres is gevoerd. Tot slot ontbreekt het zicht op uitzetting niet. Er zijn nieuwe aanknopingspunten. Uit het proces-verbaal van het ‘artikel 59-gehoor’ blijkt dat eiseres heeft gesteld dat ze nu wel mee wil werken aan haar uitzetting. Voorts hebben de autoriteiten van Mongolië de lp-aanvraag in behandeling genomen. Niet kan op voorhand worden gesteld dat er geen lp afgegeven gaat worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

3.1. Blijkens paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Toch kan het voorkomen dat een vreemdeling na zijn detentie in vreemdelingrechtelijke bewaring gesteld moet worden. Dit kan zich voordoen bij detentie waarvan niet bij voorbaat de datum van ontslag vaststaat, zoals bij voorlopige hechtenis of een nog niet onherroepelijk vonnis.

Aan de vreemdeling wordt tijdens de strafrechtelijke detentie mededeling gedaan van het feit dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van Model M122, op schrift gesteld en aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt, moet eveneens een afschrift van deze mededeling worden gestuurd.

3.2.1 De rechtbank stelt vast dat in voornoemde paragraaf een koppeling wordt gelegd tussen de strafrechtelijke detentie en de plek waar de detentie wordt ondergaan. Dit volgt uit het feit dat tijdens de strafrechtelijke detentie aan de directeur van de inrichting waar de vreemdeling verblijft een afschrift van de in het beleid genoemde mededeling wordt verstrekt. Voorts noemt het beleid als voorbeeld de situatie van voorlopige hechtenis of een nog niet onherroepelijk vonnis. Hieruit leidt de rechtbank, gelijk verweerder heeft gesteld en gelijk haar uitspraak van 29 januari 2009 (AWB 09/225), af dat voornoemd beleid aldus niet ziet op een situatie als de onderhavige. Eiseres verbleef immers op een politiebureau in het kader van een net opgestart strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank overweegt daarbij dat het beleid in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 ook is geschreven teneinde zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst, hetgeen tijdens een inverzekeringstelling, gelet op de maximale duur daarvan, in de regel slecht haalbaar zal zijn.

3.2.2 Nu paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 niet op eiseres’ situatie van toepassing is, faalt het beroep op schending van de inspanningsverplichting reeds hierom.

4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Weens Verdrag inzake consulaire betrekkingen (Weens Verdrag) moeten de bevoegde autoriteiten van de ontvangende Staat, teneinde de uitoefening van de consulaire werkzaamheden met betrekking tot onderdanen van de zendstaat te vergemakkelijken, de consulaire post van de zendstaat onverwijld ervan in kennis stellen, dat binnen zijn ressort een onderdaan van die Staat is gearresteerd, gevangengenomen of in voorarrest is geplaatst of op enigerlei andere wijze in verzekerde bewaring wordt gesteld, indien de betrokkene zulks verzoekt. Elke mededeling aan de consulaire post gericht door de gearresteerde, zich in gevangenschap of in voorlopige hechtenis bevindende of anderszins vastgehouden persoon wordt door bovengenoemde autoriteiten eveneens onverwijld overgebracht. Bovengenoemde autoriteiten dienen de betrokken persoon onverwijld van zijn rechten krachtens deze alinea in kennis te stellen.

4.2. Ingevolge artikel 36, tweede lid, van het Weens Verdrag worden de in het eerste lid van dit artikel bedoelde rechten uitgeoefend overeenkomstig de wetten en regelingen van de ontvangende Staat, met dien verstande evenwel dat deze wetten en regelingen de verwezenlijking van de oogmerken waarvoor de in dit artikel verleende rechten zijn bedoeld, volledig moeten waarborgen.

4.3. Ingevolge artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de vreemdeling zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan diens naaste verwanten of aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.

4.4. De rechtbank constateert dat eiseres voorafgaande aan de inbewaringstelling van 26 juli 2009 is gewezen op haar recht om gebruik te maken van consulaire bijstand. Verweerder heeft aldus voldaan aan zijn verplichting om eiseres onverwijld in kennis te stellen van het haar toekomende recht op consulaire bijstand. Eiseres heeft vervolgens op 27 juli 2009 om 10.00 uur gebruik kunnen maken van dit recht. Anders dan eiseres kennelijk meent, is de rechtbank van oordeel dat uit voornoemde regelgeving niet volgt dat eiseres voorafgaand aan de inbewaringstelling in de gelegenheid moet zijn gesteld om met haar consulaire vertegenwoordiging contact op te nemen. Het standpunt dat uit jurisprudentie blijkt dat dit recht wel voorafgaand aan de inbewaringstelling dient te worden uitgeoefend, is door eiseres niet nader onderbouwd. Voorts is de rechtbank niet van oordeel dat verweerder, voorzover eiseres zich op dat standpunt heeft willen stellen, eiseres niet tijdig gelegenheid heeft geboden om contact met haar consulaire vertegenwoordiging op te nemen. Gelet op het voorgaande faalt ook deze beroepsgrond.

5. De rechtbank is voorts van oordeel dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat indien er ten tijde van het opleggen van de nieuwe maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet meer ontbreekt, deze nieuwe maatregel gerechtvaardigd is (zie onder andere de uitspraak van de AbRS van 27 november 2007, JV 2008/44). Gelet op de verklaring van eiseres in het aan de bewaring voorafgaande gehoor, is er sprake van een dergelijk aanknopingspunt nu eiseres heeft verklaard thans wel mee te willen werken aan haar uitzetting uit Nederland. Het feit dat eerdere lp-aanvragen voor eiseres niet hebben geleid tot afgifte van een lp, betekent naar vaste jurisprudentie van de AbRS (zie onder andere de uitspraak van 4 juni 2003, 200302227/1) voorts niet zonder meer dat de huidige lp-aanvraag bij voldoende medewerking van eiseres thans eveneens tot een negatief resultaat zal leiden. De autoriteiten van Mongolië hebben de aanvraag in onderzoek genomen en eiseres heeft verklaard nu wel mee te willen werken.

6. Voorts is de rechtbank van oordeel dat op basis van de thans voorliggende gegevens kan worden vastgesteld dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Eiseres is op 26 juli 2009 in bewaring gesteld. Op 29 juli 2009 is zij overgeplaatst naar [naam] een detentiecentrum. Op 30 juli 2009 is er een vertrekgesprek met eiseres gevoerd, is er een lp-aanvraag ingevuld en opgestuurd naar de lp-kamer. Op 31 juli 2009 is de lp-aanvraag door de lp-kamer ontvangen. Ten slotte is op 7 augustus 2009 de lp-aanvraag doorgezonden naar de Mongolische autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit voldoende voortvarend. Het feit dat het niet bekend is wanneer het dossier van eiseres in het detentiecentrum [naam] is aangekomen, maakt dit niet anders, gelet op de sinds 30 juli 2009 verrichte uitzettingshandelingen. Nu eiseres door het onvermeld laten van de datum van dossieroverdracht niet in haar belangen is geschaad, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan dit gebrek consequenties te verbinden.

7. Na beoordeling van de door of namens eiseres naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

8. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2009.

Afschrift verzonden op:

Conc.: JK

Coll:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.