Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5840

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
24-08-2009
Zaaknummer
09-900128-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord en verboden wapenbezit. Dit zijn zeer ernstige misdrijven. Hij heeft [aangever] met een vuurwapen voor diens woning staan opwachten om vervolgens, op het moment dat deze [aangever] naar buiten kwam, direct meerdere keren op hem te schieten. Hierbij heeft hij [aangever] geraakt in beide benen. Het letsel dat [aangever] heeft opgelopen bestaat uit een wond in zijn rechterbeen en twee gaten in zijn linkerbeen ten gevolge van een in- en uitschot.[..] De rechtbank weegt mee dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat verdachte, mede ten gevolge van zijn zwakbegaafdheid, beperkt was in zijn mogelijkheden om conflictsituaties op een adequate wijze op te lossen. Verder sluit de rechtbank haar ogen niet voor de twijfelachtige rol die [aangever] heeft gehad in het geheel en dat verdachte zich door deze [aangever] al een langere periode bedreigd heeft gevoeld. Het gebrek aan inzicht bij verdachte over de door hem begane feiten vindt de rechtbank wel zeer zorgelijk.[..] Het zal verdachte daarom op niet mis te verstane wijze duidelijk moeten worden gemaakt dat de wijze waarop hij het conflict met [aangever] heeft willen beslechten binnen onze samenleving niet kan worden getolereerd. Dit betekent dat mede ter bescherming van de maatschappij verdachte een langdurige gevangenisstraf zal worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/900128-09

Datum uitspraak: 20 augustus 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden-Zoetermeer te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 augustus 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.G. de Koning en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 02 februari 2009 te Delft, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 februari 2009 te Delft aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een doorschot in het onderbeen) heeft toegebracht, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) af te vuren op die [aangever];

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 februari 2009 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 2 februari 2009 tot en met 6 februari 2009 te Delft en/of te 's-Gravenhage een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (kaliber 7.65 mm, merk FN), en/of munitie van categorie III, te weten 8 voor dat pistool geschikte patronen (merk Geco), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 3:

hij op of omstreeks 18 juli 2008 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2008 te Delft [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op die [aangever] en/of een (aantal) kogel(s) op of in de richting van die [aangever] afgevuurd;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

3. Vrijspraak ten aanzien van feit 3.

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich op 18 juli 2008 schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, door met een vuurwapen gericht te schieten op aangever [aangever]. Zij grondt haar vordering op de verklaringen van aangever [aangever] en getuige [X], die op onderdelen worden ondersteund door andere verklaringen van getuigen in het dossier.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van aangever [aangever] en van getuige [X] dermate vaag zijn dat deze niet kunnen meewerken tot het bewijs. Naar zijn oordeel kan dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte dit feit, noch in primaire noch in subsidiaire variant, heeft begaan.

3.3 Het oordeel van rechtbank

Verdachte heeft het tenlastegelegde feit ontkend.

De rechtbank heeft de drie verklaringen, die aangever [aangever] over dit feit heeft afgelegd, getoetst op de betrouwbaarheid. De verklaring van 11 juni 2009, die hij bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, strookt niet met zijn eerdere verklaringen bij de politie van 20 oktober 2008 en 3 februari 2009. Op de onderdelen van het tijdstip waarop een conflict over een scooter tussen verdachte en aangever zou hebben plaatsgevonden en de precieze datum van de tenlastegelegde schietpartij, als ook over de lengte van de periode dat aangever verdachte al kende, wat hij noemt “kennen van de straat”, heeft hij wisselend verklaard. De afwijkingen in deze verklaringen acht de rechtbank van zodanige aard, dat de aangifte en verdere verklaringen van [aangever] voor wat betreft de schietpartij op 18 juli 2008 niet voldoende betrouwbaar kunnen worden geacht en daarom niet als wettig bewijs kunnen worden aangemerkt.

Getuige [X] heeft 4 verklaringen afgelegd, waarbij hij ook eenmaal als verdachte is gehoord. Hij heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte, die hij kent als ”[Y]”, op 18 juli 2008 heeft geschoten op de “Antilliaanse jongen”. Uit het dossier is duidelijk geworden dat “[Y]” de bijnaam is van verdachte.

In de overige zich in het dossier bevindende verklaringen van getuigen kan geen herkenning van verdachte worden gevonden.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele verklaring van [X] onvoldoende is voor het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene is geweest die op 18 juli 2008 op aangever [aangever] heeft geschoten. Een vrijspraak met betrekking tot dit feit dient dan ook te volgen.

4. Het bewijs(1)

4.1 De feiten.

De rechtbank gaat op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot feit 1 en 2 uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangever [aangever] en verdachte hebben elkaar op 2 februari 2009 bij toeval op het Centraal Station in Rotterdam gezien.(2) Zij kenden elkaar en tussen hen bestond al enige tijd een conflict omtrent een scooter. Zowel verdachte als aangever [aangever] woonden op dat moment in Delft.(3) [aangever] is op enig moment naar zijn huis aan de [adres] te Delft gegaan.(4) Verdachte is na die toevallige ontmoeting op het station in Rotterdam direct naar huis gegaan en heeft daar een doorgeladen vuurwapen en alle bijbehorende munitie opgehaald. Met het vuurwapen op zak is hij naar de wijk in Delft gegaan, waarvan hij wist dat [aangever] daar woonde. Diezelfde avond heeft een confrontatie tussen verdachte en [aangever] plaatsgevonden. Daarbij heeft verdachte met zijn meegebrachte vuurwapen op [aangever] geschoten.(5)

Later die avond heeft een opsporingsambtenaar naar aanleiding van de schietpartij onderzoek verricht in de nabijheid van de [straat] en hij heeft daar vier hulzen aangetroffen, één langs de gevel gelegen tussen perceel [nummer] en [nummer] van de [straat], één op een afstand van ongeveer vier à vijf meter daarvandaan onder een voertuig en vervolgens twee hulzen die midden op de rijbaan lagen aan het einde van de [straat].(6)

[aangever] heeft de volgende dag - 3 februari 2009 - aangifte van het schietincident gedaan. Daarbij heeft de verbalisant verwondingen gezien aan beide benen van [aangever].(7) Op 3 februari 2009 constateerde een arts dat het door [aangever] opgelopen letsel bestond uit een oppervlakkige schotwond aan het rechterbeen en een in- en uitschotwond aan het linkerbeen.(8)

Verdachte is op 6 februari 2009 aangehouden, nadat hij door een opsporingsambtenaar gefouilleerd was naar aanleiding van een verdenking van overtreding van de Opiumwet, waarbij op hem een vuurwapen werd aangetroffen.(9)

Uit onderzoek naar de aangetroffen hulzen door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt, dat drie van de vier hulzen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het pistool dat op 6 februari 2009 onder verdachte in beslag is genomen. De vierde huls is afkomstig uit een ander vuurwapen.(10)

De opsporingsambtenaren hebben vastgesteld dat het bij verdachte aangetroffen vuurwapen een vuurwapen is in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III, sub 1, van de Wet wapens en munitie (kaliber 6,65 mm, merk FN). De aangetroffen munitie is munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2, tweede lid, categorie III, van de wet Wapens en Munitie.(11) Verdachte heeft hierover bij de politie verklaard dat het vuurwapen van hem was en dat in het vuurwapen patronen zaten.(12)

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de bij dagvaarding onder 1. primair en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3 Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht, dat hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd over de verklaring die hij op 7 februari 2009 tegenover hen heeft afgelegd, niet juist is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, dat poging tot moord en/of doodslag niet kan worden bewezen omdat verdachte, al rennend, achterwaarts en naar beneden gericht heeft geschoten en dat hij dus niet doelbewust heeft gericht op aangever [aangever]. Bovendien heeft verdachte uitdrukkelijk aangegeven dat hij [aangever] niet wilde doden.

4.4 Het oordeel van de rechtbank over de tenlastelegging

Verdachte heeft op 7 februari 2009 een verklaring bij de politie afgelegd, nadat hij was geconfronteerd met het vermoeden van de verhorende verbalisanten – naar aanleiding van een eerste onderzoek van de gevonden hulzen - dat bij de schietpartij op 2 februari zijn wapen moest zijn gebruikt. Hij heeft toen zeer geëmotioneerd verklaard dat hij na de toevallige ontmoeting op 2 februari had besloten dat hij thuis zijn wapen zou gaan halen omdat hij helemaal gek werd van [aangever] en dat hij een eind moest maken aan die man; dat hij een daad moest stellen omdat er anders geen eind aan kwam. Voorts verklaarde hij dat hij zijn wapen is gaan halen en dat hij daarna naar de woning van [aangever] is gegaan en buiten op hem is gaan wachten, en dat –toen [aangever] naar buiten kwam- hij direct op hem heeft geschoten.(13)

In latere verklaringen heeft verdachte deze verklaring enigszins veranderd. Zo verklaarde hij op 17 februari dat hij het wapen is gaan halen om zich tegen [aangever] te beschermen, en dat hij hem die avond min of meer toevallig op weg naar de tramhalte is tegengekomen en dat hij toen zag dat [aangever] aan zijn kleding frommelde, waardoor hij dacht dat [aangever] een wapen had en hem zou willen neerschieten. Hij wilde wegrennen, [aangever] volgde hem en –in de ene lezing- is hij toen gestopt en heeft gericht op [aangever] geschoten, en - in de andere lezing - heeft hij al wegrennend, achterwaarts geschoten in de richting van [aangever] omdat hij zag dat deze naar de binnenzijde van zijn jas greep en een vuurwapen in zijn hand had.(14)

Ter terechtzitting heeft verdachte min of meer vastgehouden aan deze laatste lezing, dat hij [aangever] is tegengekomen bij de tramhalte en dat hij toen is weggerend, waarbij hij door [aangever] is achtervolgd. Hier heeft hij verder verklaard, dat hij niet meer verder kon rennen, omdat hij fysiek was uitgeput en ook omdat er een sloot was. Dat hij toen zag dat [aangever] naar zijn broeksband greep en dat hij hierop over zijn schouder in de richting van [aangever] heeft geschoten.(15)

De rechtbank meent dat de verklaring die verdachte op 7 februari 2009 heeft afgelegd, als authentiek en betrouwbaar moet worden beschouwd. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Deze verklaring van verdachte sluit, in tegenstelling tot de latere verklaringen van verdachte, aan bij de andere bewijsmiddelen in het dossier, zoals de verklaringen van [aangever] en in het bijzonder het proces-verbaal met betrekking tot de vindplaats van de aangetroffen hulzen. De hulzen zijn gevonden bij de [straat] hetgeen betekent, dat verdachte daar met zijn vuurwapen moet hebben geschoten. De verklaring van verdachte, zoals ter terechtzitting afgelegd, dat hij en [aangever] vanaf de tramhalte een stuk door de wijk hebben gerend, en dat pas op het moment, dat verdachte niet meer verder kon, door hem is geschoten, is daarmee niet in overeenstemming en derhalve niet geloofwaardig. In zijn verklaringen op 16 en 17 februari 2009 zegt hij [aangever] op weg naar de tram tegen te zijn gekomen na zijn bezoek aan [Z]. [Z] woont ten opzichte van de tramhalte in een andere richting dan waar de [straat] ligt en verdachte kan dus onmogelijk toevallig langs de [straat] zijn gekomen.(16) [Z] verklaart dat hij verdachte naar de tramhalte heeft gebracht.(17) Ook deze verklaringen van verdachte kunnen daarom niet geloofwaardig worden geacht.

Ook overigens is de rechtbank van mening dat de hevige emotionele toestand waarin verdachte ten tijde van het afleggen van de eerste verklaring verkeerde past bij datgene wat de verdachte aangeeft omtrent de reden waarom hij dit strafbare feit zou hebben begaan.

De opmerking van verdachte dat hij niet heeft verklaard zoals door de verbalisanten is gerelateerd, is verder niet aannemelijk geworden. De rechtbank heeft ook overigens geen aanwijzingen om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal, omdat dit proces-verbaal door twee verbalisanten op ambtseed is opgemaakt.

Beoordeling verweer ontbreken van opzet

De rechtbank acht de stelling van de raadsman van verdachte, dat er geen sprake is van opzet om [aangever] van het leven te beroven, omdat verdachte over zijn schouder en naar beneden heeft geschoten, gelet op de verklaring zoals die op 7 februari 2009 is afgelegd, niet aannemelijk. Verdachte is immers doelbewust naar het huis van aangever [aangever] gegaan, heeft hem daar opgewacht en toen hij hem zag, heeft hij op hem geschoten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld en dat dit opzet en dus ook het voornemen er op was gericht om aangever [aangever] van het leven te beroven.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat uit het hierboven beschreven handelen van verdachte blijkt dat er sprake was van kalm beraad en rustig overleg. Hij heeft derhalve met voorbedachten rade gehandeld.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair tenlastegelegde poging tot moord heeft begaan.

Het onder 2 tenlastegelegde voorhanden hebben van een verboden vuurwapen met munitie is daarmee eveneens bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht dat:

ten aanzien van feit 1:

hij op 2 februari 2009 te Delft, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een aantal kogels heeft afgevuurd op of in de richting van die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 2:

hij in de periode van 2 februari 2009 tot en met 6 februari 2009 te Delft en te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een pistool (kaliber 7.65 mm, merk FN), en munitie van categorie III, te weten 8 voor dat pistool geschikte patronen (merk Geco), voorhanden heeft gehad.

5. De strafbaarheid van het feit en de verdachte.

5.1 Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar van een wederrechtelijke aanranding en dat verdachte heeft gehandeld vanuit noodweer.

Verdachte werd achtervolgd en zag aangever [aangever] naar zijn jas grijpen. Als gevolg van de eerdere confrontaties tussen aangever en [aangever] mocht verdachte verwachten dat aangever [aangever] op hem zou schieten.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert dat er geen sprake was van een noodweersituatie.

5.3 Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman van verdachte. Zij overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de door de raadsman geschetste gang van zaken, namelijk dat [aangever] verdachte met een vuurwapen heeft bedreigd, wellicht op hem heeft geschoten en in ieder geval achter verdachte is aangegaan, niet aannemelijk is geworden. De rechtbank gaat uit van de verklaring van verdachte –zoals hierboven uitdrukkelijk is overwogen- dat hij doelbewust naar het huis van aangever [aangever] is toegegaan, omdat hij gek werd van [aangever] en hij daaraan een eind wilde maken, en dat hij ook feitelijk heeft gepoogd dat te bewerkstelligen.

Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt echter, dat één van de 4 hulzen, die bij de [straat] zijn gevonden, afkomstig is uit een ander vuurwapen dan het vuurwapen waarmee verdachte heeft geschoten. Hieruit zou kunnen worden afgeleid, -het door de raadsman van verdachte gestelde scenario- dat er wellicht die avond door [aangever] op verdachte is geschoten.

De rechtbank is echter van oordeel dat die mogelijkheid niet kan leiden tot een geslaagd beroep op noodweer door verdachte, nu de rechtbank als vaststaand aanneemt, dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg naar huis is gegaan. Hij heeft zich bewapend en is vervolgens naar het huis van [aangever] aan de [adres] toegegaan.Daar heeft hij op [aangever] staan wachten en vervolgens meerdere malen op hem geschoten. Het is verdachte’s keuze geweest zich aan een mogelijke confrontatie met het slachtoffer bloot te stellen; hij heeft de confrontatie gezocht. In dat geval staat er voor verdachte geen succesvol beroep op noodweer meer open. Er is namelijk in dat geval sprake van culpa in causa (eigen schuld).

Nu er geen sprake is van een noodweersituatie kan een beroep op noodweer-exces ook niet slagen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het bewezen verklaarde feit en verdachte strafbaar.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte, de grote angst die verdachte had voor aangever [aangever], het overlijden van zijn vader kort voor het gepleegde feit en het gegeven dat verdachte zwakbegaafd is. Verder voert de raadsman van verdachte aan dat uit de reclasseringsrapportage is gebleken dat verdachte in staat is een werkstraf uit te voeren; het is wellicht mogelijk om een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord en verboden wapenbezit. Dit zijn zeer ernstige misdrijven. Hij heeft [aangever] met een vuurwapen voor diens woning staan opwachten om vervolgens, op het moment dat deze [aangever] naar buiten kwam, direct meerdere keren op hem te schieten. Hierbij heeft hij [aangever] geraakt in beide benen. Het letsel dat [aangever] heeft opgelopen bestaat uit een wond in zijn rechterbeen en twee gaten in zijn linkerbeen ten gevolge van een in- en uitschot. Dat [aangever] geen ernstiger letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid, die niet aan verdachte te danken is.

Verdachte heeft door zijn handelen op een uiterst grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De aanleiding voor het plegen van dit misdrijf was, dat verdachte [aangever] wilde uitschakelen vanwege de angst die verdachte voor hem had naar aanleiding van een langer lopend conflict tussen beide, waarbij al eerder geweld ook door [aangever] zou zijn gebruikt. Er valt echter geen enkele reden te bedenken die zou rechtvaardigen dat verdachte niet naar de politie zou gaan met zijn gevoelens van angst voor [aangever]. Het is verdachte dan ook kwalijk te nemen dat hij op deze buitensporige wijze het recht in eigen hand heeft genomen.

De schietpartij speelde zich af op een openbare weg. De veiligheid van mogelijke omstanders is hierbij kennelijk geen enkel punt van afweging geweest. Dit soort acties leidt tot begrijpelijke en reële gevoelens van onveiligheid bij de bevolking. Ook heeft de verdachte de rechtsorde door dit feit schade toegebracht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Voorlichtingsrapport van de Reclassering d.d. 13 maart 2009. Hieruit volgt dat verdachte niet lijkt te beschikken over adequate vaardigheden om conflictsituaties te voorkomen of op te lossen. Verder zou zijn houding problematisch zijn, omdat hij de ernst van onderhavige feiten niet in lijkt te willen zien.

De rechtbank slaat tevens acht op de Rapportage Pro Justitia van drs. [psycholoog] (psycholoog) d.d. 29 april 2009. Hieruit volgt dat er, gezien de ontkenning van verdachte, geen uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid noch een advies over het strafrechtelijk kader kan worden gedaan. Begeleiding dan wel behandeling biedt weinig soelaas wegens gebrek aan motivatie bij verdachte.

De rechtbank weegt mee dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat verdachte, mede ten gevolge van zijn zwakbegaafdheid, beperkt was in zijn mogelijkheden om conflictsituaties op een adequate wijze op te lossen. Verder sluit de rechtbank haar ogen niet voor de twijfelachtige rol die [aangever] heeft gehad in het geheel en dat verdachte zich door deze [aangever] al een langere periode bedreigd heeft gevoeld.

Het gebrek aan inzicht bij verdachte over de door hem begane feiten vindt de rechtbank wel zeer zorgelijk. Zij acht het echter, gelet op het gebrek aan motivatie bij verdachte, niet passend om in de vorm van een bijzondere voorwaarde een behandeling op te leggen.

Het zal verdachte daarom op niet mis te verstane wijze duidelijk moeten worden gemaakt dat de wijze waarop hij het conflict met [aangever] heeft willen beslechten binnen onze samenleving niet kan worden getolereerd. Dit betekent dat mede ter bescherming van de maatschappij verdachte een langdurige gevangenisstraf zal worden opgelegd.

Alles overwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de jas die onder verdachte in beslag is genomen aan verdachte kan worden teruggegeven.

7.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de zwarte jas (voorwerp 3).

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 45, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder onder 3. primair en onder 3. subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1. primair en 2. tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

Poging tot moord;

ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van het blijkens beslaglijst met parketnummer 09/900128-09 inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

1.00 STK Jas, Kl: zwart, leer.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. De Ruiter, voorzitter,

Pabbruwe en Rochat, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Beek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2009.

mr. Rochat is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van de doorgenummerde bundel ambtsedige processen-verbaal, met de nummers 1581/2009/2694-36, 1581/2009/2694-61, 1581/2009/2694-121 en 1581/2009/2694-127, met bijlagen, van politie Haaglanden (doorgenummerd blz. 1 t/m 347) en proces-verbaal van politie Haaglanden met nummer PL1531/2009/21131, d.d. 19 april 2009, doorgenummerd blz. 1 t/m 21, met bijlagen

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 57-58; Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 185-187.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 250-253; Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 185-187

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 57-58

5 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 63-64; Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 185-187; Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 190-191; Verklaring verdachte ter terechtzitting

6 Proces-verbaal van bevindingen met bijlage, p. 68-69

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 57-58

8 Een geschrift, zijnde een Huisartsenbrief SEH van [...] (chirurgie/heelkunde), p. 134-135.

9 Proces-verbaal van aanhouding, p. 23-26

10 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, gedateerd 28 mei 2009, Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Delft, door [.....]

11 Proces-verbaal, p. 42-45

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 46-48

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 89-90; Proces-verbaal van bevindingen, p. 91-92

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 185-187; Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 190-191

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting

16 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 175-178

17 Verklaring getuige [Z] ter terechtzitting