Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5782

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
Awb 08/43776
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Irak / Kirkuk / ambtsberichten juni 2009 en UNHCR rapport van april 2009

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser naar voren gebrachte verslechterde situatie in Kirkuk, als omstandigheid moet worden beschouwd, waarvan, gezien het rapport van de UNHCR van april 2009, niet op voorhand is uitgesloten dat dit kan afdoen aan de eerdere afwijzing van eisers asielaanvraag. Dit betekent dat het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de rechtbank kunnen worden getoetst als ware het een eerste aanvraag. Hieruit volgt eveneens dat verweerder eisers aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgedaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de in het ambtsbericht van juni 2008 beschreven verslechterde situatie in Kirkuk en voorts gelet op de door de UNHCR in zijn rapport van april 2009 geconstateerde veiligheidsrisico’s in dit gebied, onvoldoende heeft gemotiveerd dat in december 2008 geen sprake was van een uitzonderlijke situatie, waarin eiser geen individuele kenmerken aannemelijk zou hoeven maken. De uitspraak van de ABRS van 25 mei 2009 staat aan dit oordeel van de rechtbank niet in de weg, reeds omdat de ABRS in die zaak een besluit uit 2006 heeft beoordeeld. Daarnaast was in die zaak geen beroep gedaan op het rapport van de UNHCR van april 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Meervoudige kamer

Zaaknummers: Awb 08/43776

Uitspraak in het geschil tussen

X

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: .

eiser

gemachtigde: mr. H. Postma, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. E. B. Rijpma, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 8 december 2008 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 15 december 2008 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 15 december 2008 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Op 6 januari 2009 zijn de gronden van het beroep en het verzoek ingediend.

1.3. Verweerder heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

1.4.Bij brief van 8 april 2009 heeft de rechtbank partijen verzocht te berichten welke consequenties moeten worden verbonden aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (HvJ EG) van 17 februari 2009, inzake de uitleg van artikel 15 c van Richtlijn 2004/83 EG (de Richtlijn). De termijn voor beantwoording is op verzoek van eisers gemachtigde verlengd tot 5 mei 2009. Verweerder heeft op 28 april 2009 een verweerschrift, onder meer inhoudende een reactie op de brief van 8 april 2009, ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 5 mei 2009 gereageerd.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, van 18 mei 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

1.6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

1.7. De rechtbank heeft partijen bij brief van 29 mei 2009 meegedeeld dat het vooronderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is heropend. Partijen is verzocht binnen 14 dagen te reageren op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 25 mei 2009. Deze termijn is op verzoek van verweerder nog eenmaal verlengd tot 26 juni 2009. Bij brief van 6 juni 2009 heeft de gemachtigde van eiser een reactie ingezonden. Verweerder heeft dit gedaan bij brief van 26 juni 2009.

1.8. Nadien hebben partijen schriftelijk toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb gegeven.

Het onderzoek is vervolgens gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiser heeft eerder, te weten op 23 april 2003, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel. Bij besluit van 28 maart 2006 is deze aanvraag afgewezen, nadat een eerder afwijzend besluit van 29 april 2005 door de rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, bij uitspraak van 11 januari 2006, registratienummer Awb 05/22358, was vernietigd, voor zover verweerder geweigerd had eiser in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Voor zover geweigerd was eiser in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, b en c van de Vw 2000 werd het beroep ongegrond verklaard. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, heeft bij uitspraak van 24 april 2007, Awb 06/19951, het tegen het besluit van 28 maart 2006 gerichte beroep van 20 april 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juli 2007 is deze uitspraak in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) bevestigd. Daarmee is de beslissing op de aanvraag van 23 april 2003 in rechte onaantastbaar.

2.2. Eiser heeft aan zijn, thans aan de orde zijnde, herhaalde aanvraag van 8 december 2008 ten grondslag gelegd dat hij samenwoont met een Armeense vriendin, met wie hij een kind heeft. Zijn vriendin is zwanger van een tweede kind. Eisers vriendin verblijft legaal in Nederland op basis van een verblijfsvergunning op grond van de generaal pardonregeling. Eiser kan nog steeds niet terug naar Irak. Omdat zicht op uitzetting naar Irak ontbrak, is de maatregel van bewaring opgeheven. Ook heeft eiser een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, juncto artikel 18 van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (verder: Richtlijn). Volgens eiser is sprake van een binnenlands gewapend conflict in (Centraal) Irak. Ook is door eiser gewezen op de conclusie van de Advocaat Generaal van het Europese Hof, waaruit zou blijken dat verweerders visie op artikel 15, aanhef en onder c van de Richtlijn, onjuist is. Overigens vindt eiser dat verweerder ten onrechte het categoriale beschermingsbeleid dat ten aanzien van Centraal Irak werd gevoerd, heeft beëindigd.

2.3. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, afgewezen. Verweerder heeft daartoe onder meer overwogen dat naar zijn mening artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn niet kan worden aangemerkt als een voor eiser relevante wijziging van recht, aangezien de bescherming die artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn biedt tevens wordt geboden door artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) bij uitspraak van 12 oktober 2007 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn noopt verweerder vooralsnog niet tot aanpassing van voormeld standpunt. Evenmin is dat het geval bij de Conclusie van de Advocaat Generaal van het Hof, aangezien deze conclusie niet bindend is. Verweerder heeft voorts overwogen dat hem niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Verweerder heeft daarbij aangegeven van mening te zijn dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afgeweken zou moeten worden van het beleid dat is opgenomen in de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) onder paragraaf C2/4.3 (bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard). De door eiser aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheden houden immers geen verband met de redenen van vertrek uit Irak. Reeds daarom zijn dit geen nova. Ook ten aanzien van (de beëindiging van) het categoriale beschermingsbeleid heeft eiser geen nova ingebracht volgens verweerder. Verweerder heeft in dat verband verwezen naar hetgeen in de vorige asielprocedure met betrekking tot artikel 29, eerste lid aanhef en onder d van de Vw 2000 is overwogen.

2.4. Eiser heeft zich in beroep onder andere op het standpunt gesteld dat het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn niet samenvalt met één van de toelatingsgronden voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zoals die zijn opgenomen in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Nu er in Centraal Irak voorts sprake is van een intern gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn dient artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn te worden aangemerkt als een voor eiser relevante wijziging van recht en had de aanvraag van eiser niet onder toepassing van artikel 4:6 van de Awb kunnen worden afgedaan. Eiser stelt daarnaast dat de (verslechterde) situatie in Centraal Irak, blijkend uit het meest recente ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2008, als nieuwe feiten en omstandigheden in de beoordeling van de zaak kan worden betrokken.

Eiser is ook van oordeel dat verweerder het categoriaal beschermingsbeleid voor (centraal) Irak niet had mogen afschaffen. Terugkeer naar Centraal Irak is van bijzondere hardheid.

Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat artikel 8 van het EVRM wordt geschonden met het bestreden besluit. Eiser heeft gezinsleven met zijn in Nederland toegelaten vriendin en zijn dochtertje.

2.5. In haar reactie op de brief van de rechtbank van 8 april 2009 heeft eisers gemachtigde, in aanvulling op het voorgaande, een beroep gedaan op een rapport van de UNHCR “Eligibility Guidelines”, openbaar gemaakt op 27 april 2009, waarin de UNHCR het standpunt inneemt dat asielzoekers uit de vijf Iraakse provincies Baghdad, Diyala, Kirkuk, Nineveh en Salah Al-Din het risico lopen van ernstige schade ten gevolge van een gewapend conflict. Volgens de UNHCR is het niveau van geweld in het voortgaande gewapend conflict in de genoemde vijf provincies zo hoog, dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar deze gebieden worden teruggestuurd op grond van hun aanwezigheid een reëel risico lopen van ernstige en individuele schade in de zin van artikel 15c van de Richtlijn, aldus eisers gemachtigde.

2.6. Verweerder heeft aangegeven geen inhoudelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de vraag of in Centraal Irak sprake zou zijn van een intern gewapend conflict als vorenbedoeld.

Met betrekking tot artikel 15 c van de Richtlijn is verweerders standpunt dat dit artikel materieel niet verder gaat dan artikel 3 van het EVRM. Het begrip “individueel” moet, blijkens het arrest van het Hof van Justitie EG van 17 februari 2009, aldus worden opgevat dat het ook betrekking heeft op schade die wordt toegebracht aan burgers ongeacht hun identiteit. Dat zal het geval zijn wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op de in artikel 15, c van de Richtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Het Hof heeft daarbij evenwel slechts het oog op uitzonderlijke situaties. Het Hof volgt, volgens verweerder, met zijn uitleg van artikel 15 van de Richtlijn het stramien dat wordt gevolgd bij de toepassing van artikel 3 van het EVRM door het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM): hoe slechter de mensenrechtensituatie in een bepaald land is, hoe minder de asielzoeker het bewijs zal hoeven te leveren dat hij vluchteling is of een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 3van het EVRM.

Artikel 15 c van de Richtlijn is daarom in de visie van verweerder geen wijziging van recht, zodat artikel 4:6 Awb onverkort van toepassing blijft. De uitspraak van de ABRS van 25 mei 2009 bevestigt de juistheid van verweerders standpunt, volgens verweerder.

Beoordeling van het beroep

2.7. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaatsen Middelburg (van 11 januari 2006), Dordrecht (van 24 april 2007) en van de ABRS van 4 juli 2007, in rechte is komen vast te staan dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000. De aanvraag van 8 december 2008, die thans ter beoordeling voorligt, wordt aangemerkt als een herhaalde aanvraag. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) – onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, AB 2007, 378 – volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de ABRS gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45) voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

2.8. De ABRS merkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan, feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve gelet op artikel 31, eerste lid, Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.9. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn is de persoon die voor een subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, van de Richtlijn niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

2.10. Ingevolge artikel 15 van de Richtlijn dient onder ernstige schade in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, Richtlijn te worden verstaan:

a).doodstraf of executie; of

b). foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een eiser in zijn land van herkomst; of

c). ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.11. De ABRS heeft bij uitspraak van 25 mei 2009, LJN BI4791 geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet, volgens de ABRS, in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in voormeld hangende de prejudiciële procedure gewezen arrest van 17 juli 2008 (N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk) - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn. Uit de in dit arrest door het Hof gegeven uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn kan worden geconcludeerd, volgens de ABRS, dat deze bepaling ziet op een situatie waarop artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, gelet op de uitleg van het EHRM van artikel 3 van het EVRM, eveneens betrekking heeft. Uit de rechtsoverwegingen van het Hof in voormeld arrest volgt volgens de ABRS dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn toepassing mist, indien de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict minder hoog is dan in de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie. De desbetreffende vreemdeling kan in dat geval, gezien de rechtsoverwegingen 39 en 40, aan artikel 15, aanhef en onder a en b, van de Richtlijn wel aanspraak op bescherming ontlenen, indien hij erin slaagt aannemelijk te maken dat hij specifiek wordt bedreigd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden. Ook in dat geval voorziet artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in de vereiste bescherming, nu artikel 3 van het EVRM, in het licht van de door het EHRM gegeven uitleg in de door de ABRS genoemde arresten van 30 oktober 1991, 11 januari 2007 en 17 juli 2008, alsdan eveneens bescherming zal vereisen.

In aansluiting op deze uitspraak heeft de ABRS in een uitspraak van 25 juni 2009, LJN: BJ1596, geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn niet kan worden aangemerkt als een wijziging van recht. Ook in de onderhavige zaak dient hiervan te worden uitgegaan.

2.12. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of eiser nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, die maken dat het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de rechtbank kunnen worden getoetst.

2.13. De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat eiser samenwoont en inmiddels een kind heeft geen nieuw feit is dat rechterlijke toetsing van het bestreden besluit als ware het een eerste afwijzing rechtvaardigt. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS kan een beroep op bescherming van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM niet in een asielprocedure worden beoordeeld. Hiertoe dient eiser een reguliere aanvraag in te dienen. Dit betekent dat op voorhand is uitgesloten dat de gewijzigde familie omstandigheden van eiser kunnen afdoen aan het eerdere besluit tot afwijzing van eisers asielaanvraag.

2.14. In de toelichting bij de herhaalde asielaanvraag van eiser van 8 december 2008 is ter onderbouwing daarvan onder meer gesteld dat de veiligheidssituatie in Centraal-Irak, in het bijzonder in het gebied waar hij vandaan komt (Kirkuk), is verslechterd. Verwezen is naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2008, waaruit de verslechterde situatie in dit gebied zou blijken. In beroep is daarnaast verwezen naar het rapport van de UNHCR van april 2009.

2.15. In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2008 wordt met betrekking tot de veiligheidssituatie in Irak het volgende vermeld (pagina 16 en 17):

“(…) Vanaf omstreeks eind augustus 2007 was de veiligheidssituatie in het algemeen verbeterd, waarbij het geweldniveau terug was op dat van vóór 2006.(…) De veiligheidssituatie in Kirkuk en Mosul is verslechterd (…)”.

In het door eiser aangehaalde rapport van de UNHCR van april 2009 wordt voor onder meer Kirkuk gepleit voor een prima facie benadering van asielzoekers. De UNHCR maakt in dit rapport onderscheid tussen drie gebieden. Irakezen afkomstig uit de provincies van het noorden van Centraal-Irak en Bagdad behoeven volgens UNHCR internationale bescherming. Zij zouden moeten worden beschouwd als vluchteling op basis van de criteria in het Vluchtelingenverdrag. Wanneer zij niet als vluchteling worden erkend, zou volgens UNHCR internationale bescherming moeten worden geboden door toepassing van een bredere definitie van het begrip ‘vluchteling’ of door een aanvullende vorm van bescherming.

2.16. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser naar voren gebrachte verslechterde situatie in Kirkuk, als omstandigheid moet worden beschouwd, waarvan, gezien het rapport van de UNHCR van april 2009, niet op voorhand is uitgesloten dat dit kan afdoen aan de eerdere afwijzing van eisers asielaanvraag. Dit betekent dat het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de rechtbank kunnen worden getoetst als ware het een eerste aanvraag. Hieruit volgt eveneens dat verweerder eisers aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgedaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de in het ambtsbericht van juni 2008 beschreven verslechterde situatie in Kirkuk en voorts gelet op de door de UNHCR in zijn rapport van april 2009 geconstateerde veiligheidsrisico’s in dit gebied, onvoldoende heeft gemotiveerd dat in december 2008 geen sprake was van een uitzonderlijke situatie, waarin eiser geen individuele kenmerken aannemelijk zou hoeven maken. De uitspraak van de ABRS van 25 mei 2009 staat aan dit oordeel van de rechtbank niet in de weg, reeds omdat de ABRS in die zaak een besluit uit 2006 heeft beoordeeld. Daarnaast was in die zaak geen beroep gedaan op het rapport van de UNHCR van april 2009.

2.17. Reeds hierom is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 4:6 en artikel 3:46 van de Awb. Verweerder dient opnieuw op eisers aanvraag te beslissen met inachtneming van het voorgaande. Nu een beoordeling van artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorafgaat aan een beoordeling van artikel 29, eerste lid aanhef en onder c en d van de Vw 2000, laat de rechtbank een behandeling van eisers beroepsgronden die hierop betrekking hebben in dit geding voor het overige achterwege.

2.18. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze worden gebaseerd op 3 punten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het beroep, 1 punt voor de zitting en twee maal 0.5 punt voor schriftelijke inlichtingen)

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 15 december 2008;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op eisers aanvraag met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,= en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, en mr.T.F. Bruinenberg en mr. R.L. Vucsán, leden en in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Wind als griffier op 18 augustus 2009.

de griffier

de voorzitter

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: