Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5682

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
AWB 09/16197, 09/16199
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL5276, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Mvv-aanvraag / niet-ontvankelijk / gronden te laat / geen verschoonbare termijnoverschrijding / goed verloop van de procedure

De gronden van het beroep zijn een dag te laat ingediend.

Als hoofdregel geldt dat strikt de hand wordt gehouden aan de gestelde termijnen, gelet op de grote aantallen zaken die behandeld moeten worden. De lijn van de rechtbank is dan ook dat van de bevoegdheid als gegeven in artikel 6:6 van de Awb gebruik wordt gemaakt indien sprake is van een termijnoverschrijding, tenzij die termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de termijnoverschrijding van één dag een goed verloop van deze procedure niet in de weg staat, waardoor het doel van de bepaling van artikel 6:6 van de Awb niet wordt gediend door niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Voor een goed verloop van rechterlijke procedures is het noodzakelijk dat procesdeelnemers zich aan gestelde termijnen houden. Dit geldt temeer voor professionele rechtsbijstandverleners. Handhaving van de hiervoor bedoelde hoofdregel vergt een heldere en strikte toepassing daarvan. Daarmee strookt niet om van geval tot geval te bezien of niet-verschoonbare overschrijding van de gestelde termijn al dan niet aan een goed verloop van de individuele procedure in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 09/16197 (beroep) AWB 09/16199 (voorlopige voorziening)

V-nr: *

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

eiseres en verzoekster [naam], geboren [datum] in 1979, van Turkse nationaliteit, hierna: eiseres,

gemachtig: mr. T.P.A. Weterings, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf bij zuster [naam] A.G.” afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 29 april 2009 ongegrond verklaard. Op 1 mei 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.

Op diezelfde dag heeft eiseres een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat verweerder wordt opgedragen eiseres te beschouwen als ware zij in het bezit van de gevraagde mvv.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2009. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig [twee namen] de dochters van referente.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

Beoordeling van het beroep

1. De rechtbank ziet zich ten eerste gesteld voor de vraag of het beroep ontvankelijk is.

2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het bezwaar- of beroepschrift de gronden van het bezwaar of beroep.

Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn

3. De rechtbank stelt het volgende vast. De gronden van het beroep zijn niet gelijktijdig met het inleidende beroepschrift ingediend. Bij brief van 7 mei 2009 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiseres is er daarbij op gewezen dat indien zij van die gelegenheid geen gebruik maakt, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De gronden van het beroep zijn door de vorige gemachtigde van eiseres verzonden per faxbrief op 5 juni 2009, waarmee de gestelde termijn met één dag is overschreden, hetgeen ook niet in geding is.

4. De rechtbank overweegt dat als hoofdregel geldt dat strikt de hand wordt gehouden aan de gestelde termijnen, gelet op het grote aantal zaken welke behandeld moeten worden. De lijn van de rechtbank is dan ook dat van de bevoegdheid als gegeven in artikel 6:6 van de Awb gebruik wordt gemaakt indien sprake is van een termijnoverschrijding, tenzij die termijnoverschrijding verschoonbaar is. Die lijn mag bekend worden verondersteld bij alle professionele rechtshulpverleners.

5. Eiseres heeft niet gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Wel heeft eiseres gewezen op de wetsgeschiedenis van artikel 6:6 van de Awb, waarin is vermeld dat niet-ontvankelijkverklaring een bevoegdheid en niet een plicht is en dat van gebruikmaking van die bevoegdheid bijvoorbeeld kan worden afgezien als het verzuim een goed verloop van de procedure niet in de weg staat. Eiseres heeft gesteld dat de termijnoverschrijding van één dag een goed verloop van deze procedure niet in de weg staat, waardoor het doel van de bepaling van artikel 6:6 van de Awb niet wordt gediend door niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Voor een goed verloop van rechterlijke procedures is het noodzakelijk dat procesdeelnemers zich aan gestelde termijnen houden. Dit geldt temeer voor professionele rechtsbijstandverleners. Handhaving van de hiervoor bedoelde hoofdregel vergt een heldere en strikte toepassing daarvan. Daarmee strookt niet om van geval tot geval te bezien of niet-verschoonbare overschrijding van de gestelde termijn al dan niet aan een goed verloop van de individuele procedure in de weg staat.

6.1. Eiseres heeft verder gesteld dat de Procesregeling vreemdelingenkamers het onmogelijk maakt om direct bij het inleidende beroepschrift gronden in te dienen. Eiseres heeft erop gewezen dat het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV) gebruikmaking van het een vaststaand formulier voorschrijft. Indien daarnaast beroepsgronden worden ingediend bij het CIV, worden deze teruggestuurd. Eiseres stelt dat hierdoor in vreemdelingenzaken in feite sprake is van slechts één mogelijkheid om de gronden in te dienen binnen één termijn, terwijl artikel 6:6 van de Awb juist beoogt om een vangnet te zijn en een tweede kans te bieden.

6.2. De rechtbank stelt voorop dat de Procesregeling vreemdelingenkamers inmiddels is vervangen door de Procesregeling bestuursrecht 2008 (zie www.rechtspraak.nl onder ‘Naar de rechter / Landelijke regelingen’). Ook onder de huidige regeling dient het beroep in vreemdelingenzaken te worden ingediend bij het CIV met gebruikmaking van het voorgeschreven formulier.

6.3. De rechtbank overweegt dat de voorgeschreven wijze van indiening van een beroep in vreemdelingenzaken niet in de weg staat aan indiening van beroepsgronden vanaf het moment dat bekend is door welke zittingsplaats de zaak wordt behandeld. De indiener van een beroep in vreemdelingenzaken is, net zo min als in andere bestuursrechtelijke procedures, niet gehouden om te wachten met het indienen van beroepsgronden totdat hij door de rechtbank erop is gewezen dat hij in verzuim is. Van professionele rechtsbijstandverleners mag zonder meer worden verwacht dat zij daarvan op de hoogte zijn. Van het door eiseres veronderstelde wezenlijke verschil met de normale gang van zaken in het bestuursprocesrecht is dan ook geen sprake.

6.4. Eiseres heeft er daarnaast op gewezen dat binnen de Sector Bestuursrecht van deze rechtbank een verschillende uitleg wordt gegeven aan artikel 6:6 van de Awb. In algemene bestuursrechtelijke zaken wordt aan het verlopen van de eerste termijn voor het indienen van beroepsgronden geen gevolg verbonden. Indien die termijn ongebruikt verstrijkt wordt nog een termijn van één week gegund.

6.5. De rechtbank stelt vast dat de werkwijzen binnen de verschillende teams van de sector bestuursrecht inderdaad van elkaar afwijken. Dit verschil is erin gelegen dat in algemene bestuursrechtelijke zaken de eerste zogenoemde herstelverzuimbrief per gewone post wordt verstuurd. Indien na het verstrijken van de termijn de geconstateerde gebreken niet zijn hersteld, wordt een tweede brief verzonden per aangetekende post. In die tweede brief worden de betrokkenen, anders dan in de eerste brief, erop gewezen dat indien de verzuimen niet tijdig worden hersteld, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. In vreemdelingenzaken wordt de eerste herstelverzuimbrief per fax verzonden. In deze eerste brief wordt reeds gewezen op de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring.

6.6. Dit verschil is terug te voeren op de wijze van verzending van de herstelverzuimbrieven. Op grond van artikel 2, lid 2, van de Procesregeling bestuursrecht 2008 (hierna: de Procesregeling) verzendt de griffier stukken, waarin de rechtbank een laatste termijn stelt voorafgaande aan mogelijke vereenvoudigde afdoening, aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax. Op grond van artikel 10, lid 2, van de Procesregeling vermeldt de herstelverzuimbrief dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld. In vreemdelingenzaken is gekozen voor verzending van de eerste herstelverzuimbrief per fax terwijl in de overige bestuursrechtelijke procedures die brief per gewone post wordt verzonden. Van een verschil in toepassing van artikel 6:6 van de Awb is dus geen sprake.

7.1. Eiseres heeft er verder op gewezen dat zij handelingsonbekwaam is en dat zij geen andere keuze had dan zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Eiseres meent dat de manifeste tekortkomingen van de vorige gemachtigde naar vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) niet voor haar rekening dienen te komen. Eiseres heeft ook gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 6 oktober 1998 (AWB 97/6696, MR 1998,52), waarin geoordeeld is dat de termijnoverschrijding niet aan de betrokkenen was toe te rekenen, omdat de gemachtigde de belangen van zijn cliënten schromelijk heeft verwaarloosd.

7.2. De rechtbank overweegt dat naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 29 januari 2009, LJN: BH1101) en het EHRM (onder meer het arrest van 5 oktober 2000, Maaouia tegen Frankrijk, nr. 39652/98, AB 2001, 80) procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen niet vallen binnen het bereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het beroep van eiseres op dat artikel en de jurisprudentie omtrent de uitleg daarvan, kan haar in dit kader dan ook niet baten.

7.3. Voor het overige overweegt de rechtbank als volgt. Naar vaste jurisprudentie komen fouten van de gemachtigde voor rekening en risico van de betrokkene. Eiseres heeft gesteld dat referente haar belangen behartigt en haar wettelijk vertegenwoordiger is. Niet is gesteld of gebleken dat referente niet in staat is de belangen van eiseres adequaat te behartigen. Zij heeft zich daarbij gewend tot een professionele rechtshulpverlener. Gesteld noch gebleken is dat de voormalige gemachtigde, afgezien van het voorliggende verzuim, onder de maat heeft gepresteerd. Dat maakt de onderhavige zaak ook anders dan die waarop de genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem zag. Bovendien was in die zaak gesteld dat de termijnoverschrijding vanwege de nalatigheid van de gemachtigde verschoonbaar was, hetgeen in deze zaak niet is gesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om, in afwijking van de vaste lijn van de jurisprudentie, de gevolgen van het nalaten van de vorige gemachtigde niet voor risico van eiseres te laten komen.

8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Griffierecht en proceskosten

10. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/16197,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/16199,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. van Meel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: MvM

Coll.: JW

D: C

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.