Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5678

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
AWB 09/23675, 09/23673, 09/23672
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC / Guinee / 15c Definitierichtlijn

Eiseres heeft een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en gesteld dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Guinee. Hierbij heeft zij in haar reactie van 14 juli 2009 onder meer verwezen naar het ambtsbericht van juni 2009. De gemachtigde van verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 25 mei 2009, LJN: BI4791 en zich op het standpunt gesteld dat alleen een geslaagd beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan worden gedaan indien sprake is van de situatie waarin de mate van geweld dusdanig is dat personen louter door hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009, C-465/07, JV 2009, 111, kan worden afgeleid dat voor een geslaagd beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet noodzakelijk is dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij specifiek wordt geviseerd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden. Dit is het geval indien sprake is van de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in deze bepaling. Uit voorgaande overwegingen volgt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij om redenen die met haar persoonlijke omstandigheden te maken hebben te vrezen heeft bij terugkeer naar haar land van herkomst. Voorts is reeds overwogen dat in Guinee geen sprake is van een uitzonderlijke situatie met een dusdanig hoge mate van geweld. Reeds hierom kan eiseres geen geslaagd beroep doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De vraag of in Guinee sprake is van een binnenlands gewapend conflict, alsmede de vraag of dat van belang is bij de beoordeling van de vraag of eiseres een geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, kan gelet hierop buiten beschouwing blijven.

Beroep ongegrond, verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09 / 23675 (voorlopige voorziening) AWB 09 / 23673 (beroep) AWB 09 / 23672 (beroep vrijheidsontnemende maatregel)

V-nr: *

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken tevens voorzieningenrechter

in het geding tussen:

eiseres en verzoekster [naam], geboren in [datum] 1985, van Guinese nationaliteit, hierna te noemen: eiseres,

gemachtigde: mr. E. de Geus, advocaat te Rotterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Op grond van artikel 13 in samenhang met artikel 5 van de Verordening (EG) Nr. 562/2006 (de Schengengrenscode) is eiseres op 25 juni 2009 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiseres is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 200) toegepast.

Bij beroepschrift van 30 juni 2009 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Op 30 juni 2009 heeft eiseres tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 juni 2009 waarbij de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht de uitzetting van eiseres achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

Het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel zijn behandeld ter zitting van 10 juli 2009. Eiseres is verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig dhr. O. Jobe, tolk in de Pular taal.

De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: de rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op informatie van na het bestreden besluit, waarop de gemachtigde van verweerder zich ter zitting heeft beroepen. Op 14 juli 2009 is de reactie van de gemachtigde van eiseres ontvangen. Daarop heeft de gemachtigde van verweerder bij brief van 15 juli 2009 gereageerd. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek, met toestemming van partijen zonder nadere zitting, gesloten.

2. Asielrelaas

Eiseres heeft het volgende relaas aan haar aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiseres is afkomstig uit Conakry. Eiseres woonde aldaar met haar moeder en haar dochtertje. Zij moesten erg hard werken om rond te komen. In januari 2007 is de moeder van eiseres overleden nadat zij thuis door een kogel was getroffen die door militairen was afgevuurd in verband met een staking. Tot mei 2007 is eiseres in het huis blijven wonen, maar omdat zij niet langer alleen de huur kon betalen is zij daarna bij een vriendin in een andere wijk van Conakry gaan wonen. Het was voor eiseres nog steeds heel moeilijk om in haar onderhoud te voorzien en er was steeds ruzie met de vriendin bij wie zij inwoonde. Een [naam] vriendin van haar moeder uit Mauritanië heeft eiseres gevraagd bij haar te komen wonen. In maart 2009 is eiseres naar [naam] de vriendin van haar moeder in Mauritanië gegaan, haar dochtertje is bij haar vriendin in Conakry achtergebleven. In Mauritanië aangekomen stelde [naam] de vriendin van haar moeder voor dat eiseres naar de vader van haar dochtertje in Nederland zou reizen. [naam] Zij heeft het ticket betaald en gezegd dat eiseres in Nederland contact met een man kon opnemen die haar werk zou geven, zodat eiseres het geld voor het ticket kon terugbetalen. Een vriend van [naam] de vriendin van haar moeder heeft een Schengenvisum voor eiseres geregeld. Deze vriend heeft eiseres een aantal keer verkracht, ‘in ruil’ voor het visum. Eiseres is via Marokko naar Nederland gereisd, waar zij op 26 april 2009 is aangekomen.

3. Overwegingen ten aanzien van de asielaanvraag

1. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres binnen 48 procesuren in het aanmeldcentrum (AC) afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, van de Vw 2000.

2. Eiseres heeft zich, gelet op de beroepsgronden en de daarop gegeven toelichting ter zitting, op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, c dan wel d, van de Vw 2000. Nu haar asielrelaas geloofwaardig is geacht dient, gelet op hetgeen is vermeld in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2008/18, eerder tot toelating te worden overgegaan. Eiseres heeft bij terugkeer te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van de zijde van de reisagent en van haar vriendin, omdat zij de reis niet heeft terugbetaald. Aannemelijk is dat de reisagent behoort tot een internationaal netwerk van mensenhandelaren en dat eiseres daartegen geen bescherming kan krijgen, zodat gelet op de brief van de staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer van 18 oktober 2007 dient te worden beoordeeld of eiseres bij terugkeer wederom verhandeld zal worden en of eiseres daartegen bescherming kan verkrijgen. Ook gelet op de positie van eiseres als alleenstaande moeder loopt zij bij terugkeer naar Guinee een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiseres zal gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden van verkrachting en vreest ook in de prostitutie terecht te komen om in haar levensonderhoud te voorzien. Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn). In Guinee is sprake van een binnenlands gewapend conflict. Voorts heeft eiseres onder verwijzing naar diverse informatiebronnen aangevoerd dat in Guinee sprake is van de situatie, dat eiseres door haar loutere aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Gelet op het feit dat eiseres getuige is geweest van de gewelddadige dood van haar moeder, komt zij voorts in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Dat eiseres niet direct na deze gebeurtenis is gevlucht, komt omdat zij de financiële middelen niet had. Verweerder had moeten onderzoeken of er feiten of omstandigheden waren waardoor eiseres haar land van herkomst niet binnen zes maanden na het overlijden van haar moeder kon verlaten. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat de algemene situatie in Guinee, zoals die blijkt uit eerdergenoemde diverse informatiebronnen, voor verweerder aanleiding zou moeten zijn voor het instellen van een categoriaal beschermingsbeleid. Hierbij is voorts verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, van 19 juni 2009, Awb 09/19430 en 09/19429.

3. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst.

4. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Eiseres is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

5. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

6. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

(…)

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar;

(…).

7. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

8. Op grond van artikel 2, aanhef en onder e, jo artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn wordt subsidiaire bescherming verleend aan de vreemdeling die een reëel risico loopt op ernstige schade, zijnde ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger, als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

9. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

De rechtbank overweegt als volgt.

10. Verweerder heeft de door eiseres naar voren gebrachte feiten geloofwaardig geacht en haar asielrelaas beoordeeld tegen de achtergrond van hetgeen bekend is over de situatie in haar land van herkomst. Het meest recente algemene ambtsbericht inzake Guinee van de minister van Buitenlandse Zaken betreft het ambtsbericht van juni 2009, dat de periode van medio februari 2008 tot en met eind juni 2009 beslaat. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting niet kunnen bevestigen dat dit ambtsbericht bij het bestreden besluit van 30 juni 2009 is betrokken. Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat het betreffende ambtsbericht dateert van na het bestreden besluit. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting ter onderbouwing van zijn standpunt op dit ambtsbericht beroepen. Nu de gemachtigde van eiser hierop bij brief van 14 juli 2009 heeft gereageerd, zal de rechtbank dit ambtsbericht gelet op het bepaalde in artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep betrekken.

11.1 Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

11.2.1 Ten aanzien van de stelling van eiseres, dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst te vrezen heeft voor de reisagent en voor de vriendin van haar moeder omdat zij het ticket niet heeft terugbetaald, heeft verweerder overwogen dat deze stelling niet nader is onderbouwd dan wel geconcretiseerd. De vriendin van haar moeder heeft eiseres volgens haar eigen zeggen uit liefde en vanwege de economische situatie van eiseres geholpen. Daarom valt niet in te zien dat deze vrouw, die in Mauritanië woont, eiseres in Guinee vanwege het terugbetalen van het ticket zou lastigvallen. Ten aanzien van de reisagent heeft eiseres nooit verklaard dat zij hem geld schuldig zou zijn. Op geen enkele wijze is geconcretiseerd dat hij tot een internationaal netwerk van mensenhandelaren behoort. Eiseres heeft enkel kunnen vertellen dat hij [naam afgekort] S wordt genoemd, aldus verweerder.

11.2.2 Uit voornoemde overwegingen leidt de rechtbank af dat verweerder de door eiseres aan de feiten ontleende vermoedens, dat zij bij terugkeer problemen zal ondervinden van de vriendin van haar moeder en de reisagent, niet deelt. Gelet op de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt om van de reisagent dan wel de vriendin van haar moeder een behandeling te ondergaan in strijd met artikel 3 van het EVRM.

11.3.1 Ten aanzien van hetgeen eiseres ten aanzien van haar positie als alleenstaande vrouw heeft aangevoerd, heeft verweerder opgemerkt dat eiseres in haar land van herkomst niet van hulp verstoken is geweest, nu zij hulp en onderdak bij een vriendin heeft gevonden die thans de zorg van haar dochtertje op zich heeft genomen. Dat vrouwen in Guinee zich in een sterk achtergestelde positie bevinden en dat zij gemakkelijk het slachtoffer van verkrachting worden, laat volgens verweerder onverlet dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dit persoonlijk bij terugkeer in haar land van herkomst heeft te vrezen. Gelet op het voorgaande acht verweerder niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Guinee als alleenstaande vrouw een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

11.3.2 De rechtbank overweegt dat uit de algemene informatie waarnaar eiseres ter onderbouwing van haar standpunt heeft verwezen, alsmede uit pagina’s 50 en 51 van het algemene ambtsbericht inzake Guinee van juni 2009, blijkt dat (alleenstaande) vrouwen in Guinee in een ondergeschikte positie verkeren en dat discriminatie, seksuele intimidatie en geweld tegen vrouwen wijdverbreid is. Gelet hierop heeft verweerder in WBV 2008/18 het beleid neergelegd dat vrouwen en meisjes die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Guinee, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid onder b, van de Vw 2000. Gesteld noch gebleken is echter dat alleenstaande vrouwen als een kwetsbare minderheidsgroep zouden moeten worden aangemerkt, op grond waarvan het enkele behoren tot die groep een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM zou kunnen opleveren. Eiseres moet derhalve aannemelijk maken dat er sprake is van omstandigheden op grond waarvan zij persoonlijk een dergelijke behandeling zal ondergaan. Nu eiseres enkel een beroep heeft gedaan op de algemene situatie van (alleenstaande) vrouwen in Guinee, heeft verweerder in redelijkheid geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande vrouw bij terugkeer naar Guinee een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

11.4.1 In de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 juli 2008 (NA tegen het Verenigd Koninkrijk, 25904/07, JV 2008/329), heeft het EHRM overwogen dat het mogelijk is dat de algemene situatie van geweld in het land van herkomst zo ernstig is, dat de enkele verwijdering van de vreemdeling naar dat land een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. In dat geval behoeft de vreemdeling niet aannemelijk te maken dat het geweld persoonlijk op hem is gericht.

11.4.2 Eiseres heeft gesteld dat zich een dergelijke uitzonderlijke situatie in Guinee voordoet. Hierbij is verwezen naar de volgende informatie. Het meest recente jaarrapport over Guinee van Amnesty International, waarin melding is gemaakt van de militaire coup in Guinee in december 2008. In 2008 vonden er demonstraties plaats tegen gebrek aan water en elektriciteit, de stijging in de prijzen van dagelijkse benodigdheden en het gebrek aan onderwijs en gezondheidsfaciliteiten. Veiligheidsdiensten gebruikten excessief geweld tegen demonstranten. Er braken onlusten uit en meerdere burgers vonden de dood in confrontaties tussen muitende soldaten en leden van de presidentiële garde. Marteling en andere vormen van mishandeling kwamen veelvuldig voor. Ook volgens het Human Rights Report 2008 inzake Guinee van het U.S. Department of State vonden er in Guinee in 2008 ernstige mensenrechtenschendingen plaats. Volgens het rapport van de International Crisis Group van maart 2009, bestaat er een groot risico dat er een ‘counter-coup’gepleegd wordt. Er zijn nog geen verkiezingen gepland door de nu heersende CNDD, ondanks de belofte daartoe ten tijde van de coup. Tot slot staat in een bericht van All Africa van 29 april 2009 vermeld dat Human Rights Watch melding maakt van veelvuldig geweld tegen burgers en zakenmensen door soldaten.

11.4.3 Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het ambtsbericht van juni 2009 op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een zo uitzonderlijke situatie. De rechtbank overweegt dat de informatie waarnaar eiseres heeft verwezen, is betrokken bij het ambtsbericht van juni 2009. Uit pagina 26 van het ambtsbericht blijkt onder meer het volgende. De veiligheidssituatie in Guinee is fragiel. In 2008 vonden in verschillende delen van het land demonstraties plaats, waarbij ten minste acht doden en een onbekend aantal gewonden vielen. Volgens internationale bronnen blijft het risico van een nieuwe staatsgreep bestaan. Aanhoudende berichten over o.a. diefstal, plundering, verkrachting, intimidatie en gewapende overvallen door militairen leidden ertoe dat de president eind april 2009 honderden militairen op zijn bevel bijeen riep in het militaire kamp Alpha Yaya Diallo. Op pagina 27 van het ambtsbericht staat onder meer vermeld dat naar aanleiding van plunderingen door militairen op de grote markt in Conakry, duizenden mensen op zaterdag 9 mei 2009 de straat opgingen om te protesteren. Ten minste twee mensen raakten gewond toen de politie op de menigte schoot. Tevens staat vermeld dat er tijdens de verslagperiode geen sprake was van gevechtshandelingen, noch binnen Guinee - ook niet op het moment van de staatsgreep – noch tussen Guinee en een ander land. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is van concrete aanknopingspunten op grond waarvan twijfel bestaat aan de juistheid of volledigheid van dit ambtsbericht. De conclusie luidt dat verweerder zich gelet op de informatie in het ambtsbericht terecht op het standpunt heeft gesteld, dat in Guinee geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van geweld dusdanig hoog is, dat eiseres louter door haar aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

11.5.1 Eiseres heeft een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en gesteld dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Hierbij heeft zij in haar reactie van 14 juli 2009 onder meer verwezen naar het ambtsbericht van juni 2009. De gemachtigde van verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 25 mei 2009 (LJN: BI4791) en heeft zich ter zitting en in haar brief van 15 juli 2009 op het standpunt gesteld dat alleen een geslaagd beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan worden gedaan indien sprake is van de situatie waarin de mate van geweld dusdanig is dat personen louter door hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op artikel 3 van het EVRM.

11.5.2 De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 (C-465/07, JV 2009, 111), kan worden afgeleid dat een geslaagd beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan worden gedaan indien sprake is van de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in deze bepaling. In dat geval is niet noodzakelijk dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij specifiek wordt geviseerd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden.

Uit voorgaande overwegingen volgt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij om redenen die met haar persoonlijke omstandigheden te maken hebben te vrezen heeft bij terugkeer naar haar land van herkomst. Voorts is reeds overwogen dat in Guinee geen sprake is van een uitzonderlijke situatie met een hoge mate van geweld. Reeds hierom kan eiseres geen geslaagd beroep doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

De vraag of in Guinee sprake is van een binnenlands gewapend conflict, alsmede de vraag of dat van belang is bij de beoordeling van de vraag of eiseres een geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, kan gelet hierop buiten beschouwing blijven.

11.6 Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.

12.1 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Verweerder heeft de gewelddadige dood van de moeder van eiseres niet betwist, maar overwogen dat eiseres na de dood van haar moeder nog meer dan een jaar in haar land is blijven wonen, zodat deze gebeurtenis niet kan worden aangemerkt als een aanleiding om haar land te verlaten.

In paragraaf C2/4.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is neergelegd dat, indien tussen de traumatiserende gebeurtenis en het vertrek van de betrokkene meer dan zes maanden zijn gelegen, deze aannemelijk moet maken dat er een verband bestaat tussen de gebeurtenis en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat de betrokkene het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenissen een ernstiger karakter hebben en het asielrelaas van de betrokkene aannemelijker is, een zwaardere onderzoeksplicht rust op de behandelend ambtenaar van de IND met betrekking tot de vraag of er feiten en omstandigheden waren waardoor de betrokkene het land van herkomst niet binnen zes maanden na het plaatsvinden van de gestelde gebeurtenis kon verlaten.

12.2 Uit het voorgaande volgt dat de stelling eiseres dat op verweerder een onderzoeksplicht rust kan worden onderschreven. Echter, na een vertrek van zes maanden na de traumatiserende gebeurtenis ligt de bewijslast ten aanzien van het causale verband bij de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres dit causale verband niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiseres de vraag of de dood van haar moeder aanleiding is geweest om haar land te verlaten, bevestigend heeft beantwoord (pagina 7). Voorts heeft zij op de vraag waarom zij niet eerder haar land heeft verlaten, geantwoord dat zij het niet kon betalen en niemand had die haar kon helpen. Uit de rest van het nader gehoor blijkt evenwel dat het niet zozeer het overlijden van haar moeder is geweest waardoor eiseres is gevlucht, maar meer de erbarmelijke omstandigheden waarin zij als gevolg van het overlijden van haar moeder terecht kwam. Deze omstandigheden vallen echter niet onder het traumatabeleid.

13. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het meest recente ambtsbericht inzake Guinee van de minister van Buitenlandse Zaken, alsmede de informatie van Human Rights Watch van 27 april 2009 over de situatie in Guinee die eiseres bij de zienswijze heeft overgelegd, gelet op de indicatoren zoals opgenomen in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 niet leiden tot invoering van een categoriaal beschermingsbeleid voor vreemdelingen uit Guinee. De rechtbank acht deze motivering voldoende, nu eiseres in haar zienswijze onder verwijzing naar eerdergenoemde informatie van Human Rights Watch slechts heeft gesteld dat er sinds de coup van december 2008 een cultuur van straffeloosheid heerst en dat militairen zich schuldig maken aan geweld en verkrachtingen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de AbRS van 14 september 2006 (LJN: AY8741). Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, nu eiseres ook in beroep onvoldoende gespecificeerd heeft aangegeven waarom verweerder in de daarbij overgelegde stukken aanleiding had moeten zien om, in afwijking van een eerdere algemene beleidsbeslissing, categoriale bescherming te bieden. De verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, treft geen doel omdat de vreemdeling in die uitspraak wel voldoende gespecificeerd had aangegeven waarom verweerder in die stukken aanleiding had moeten zien om in afwijking van een eerdere algemene beleidsbeslissing (opnieuw) een beleid van categoriale bescherming in te stellen.

14. Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak. De voorzieningenrechter beslist dan ook met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk op dat beroep. De voorzieningenrechter verklaart het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van eiseres ongegrond. Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang afwijst.

4. Overwegingen inzake de vrijheidsontnemende maatregel

15. Verweerder is voorts op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden. Verweerder voert het beleid dat onder meer tot - voortzetting van - de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 wordt besloten indien de asielaanvraag binnen de aanmeldcentrumprocedure is afgewezen.

16. De rechtbank is van oordeel dat gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden die maken dat verweerder - na afweging van alle bij de vrijheidsontnemende maatregel betrokken belangen - voornoemd beleid in het geval van eiseres in redelijkheid niet heeft kunnen voeren.

17. Ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is zodoende ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

18. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/23673,

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/23675,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 09/23672,

- verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

- wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: ST

Coll:

D: B

VK

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep ter zake van de asielaanvraag bedraagt één week.

De termijn voor het instellen van hoger beroep ter zake van de vrijheidsontnemende maatregel bedraagt eveneens één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.