Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5609

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
316307 / HA ZA 08-2455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart voor recht dat de tussen de Gemeente 's-Gravenhage en [A] en gedaagden sub 3 bestaande gebruiksrelatie met betrekking tot de standplaats gelegen aan de Escamplaan bij [nummer] te Den Haag per 3 september 2008 is beëindigd en veroordeelt [A] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de standplaats te ontruimen. De rechtbank is ambtshalve bekend met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2009 (zie in het vonnis onder 2.17.) Als gevolg van de bij deze uitspraak uitgesproken schorsing van het besluit waarbij het bestemmingsplan Escamplaan werd vastgesteld, ligt het voor de hand dat de uitvoering van de door de Gemeente in het kader van de herontwikkeling van de locatie Escamplaan op korte termijn ingeplande werkzaamheden vertraging zal oplopen. Dit maakt dat aan het belang van de Gemeente bij het spoedig door [A] voldoen aan de veroordeling bij de huidige stand van zaken minder gewicht dient te worden gehecht dan aan het belang van [A] bij behoud van zijn woonwagen tot het moment dat op een tegen dit vonnis in te stellen rechtsmiddel zal zijn beslist. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal dan ook worden afgewezen. Zie ook BJ 5622 en BJ5624.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 316307 / HA ZA 08-2455

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE 'S-GRAVENHAGE,

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.R. de Jonge,

tegen

1. [A.],

wonende te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. E. Grabandt,

2. [B.],

wonende te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. E. Grabandt,

3. Zij die verblijven of wonen in of op de onroerende zaak of een gedeelte daarvan, staande en gelegen aan de Escamplaan bij [nummer] te Den Haag,

gedaagden in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk ook wel de Gemeente, [A.], [B.] en gedaagden sub 3 genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het verwijzingsincident van 19 november 2008, en de daarin vermelde processtukken;

- de conclusie van antwoord van [A.], tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- het tussenvonnis van 18 februari 2009 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 juli 2009 en de daarin vermelde processtukken;

- de brief van mr. De Jonge van 20 juli 2009;

- de brief van mr. Reumkens van 27 juli 2009;

- de brieven mr. Heinrich van 30 juli 2009;

- de brief van mr. Reumkens van 30 juli 2009, waarbij hij zijn brief van 27 juli 2009 heeft ingetrokken.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

De feiten

in conventie en in reconventie

Algemeen:

Op 5 juni 1997 heeft de Gemeente - anticiperend op de intrekking van de Woonwagenwet van 21 februari 1968 - de nota "Wonen op wielen in beweging" vastgesteld. In deze nota is beleid geformuleerd gericht op normalisatie en deconcentratie van de woonwagencentra binnen de gemeente Den Haag, waaronder het centrum aan de Escamplaan.

Op 1 maart 1999 is in werking getreden de Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Huisvestingswet, de Woningwet en enige andere wetten in verband met de integratie van de woonwagen- en woonschepenregelgeving. Deze wet bepaalde onder meer dat de Woonwagenwet werd ingetrokken. Daarmee verviel de in deze wet neergelegde verplichting voor een gemeente om op haar grondgebied een woonwagencentrum in stand te houden.

Vooruitlopend op de intrekking van de Woonwagenwet heeft de Gemeente in februari 1999 een aantal bewoners van het centrum aan de Escamplaan schriftelijk bericht dat woonwagenbewoners van te deconcentreren locaties ingevolge de toepasselijke overgangsregeling voorrang hebben bij de toewijzing van standplaatsen. Daarbij is aan een aantal van hen een ontheffing verleend van het verbod ingevolge artikel 10 van de Woonwagenwet om met een woonwagen een standplaats te hebben buiten een centrum en is hun toestemming verleend tot - kort gezegd - het innemen van een standplaats op het centrum aan de Escamplaan.

Op 23 juni 1999 heeft de gemeenteraad van Den Haag besloten tot wijziging van de Verordening precariobelasting, gebruiks- en genotsretributies 1998. Daarbij is een aantal bepalingen in de Verordening dat toen nog was gebaseerd op artikel 9 van de Woonwagenwet omgezet in bepalingen op grond van de Gemeentewet. De Verordening is met ingang van 1 juli 1999 gewijzigd.

De gemeenteraad van Den Haag heeft in het kader van het door de Gemeente gevoerde deconcentratiebeleid in 2001 het Raadsvoorstel 73/2001 aangenomen. Dit voorstel voorzag in een opsplitsing en renovatie van het centrum aan de Escamplaan. Daarbij was het de bedoeling dat dit centrum, dat op dat moment bestond uit 61 standplaatsen, opnieuw zou worden ingericht tot een centrum met 35 standplaatsen. Daarnaast zou in Ypenburg een nieuw centrum worden gerealiseerd, genaamd "De Bras", dat ruimte zou bieden aan 26 woonwagens. De uitvoering van dit besluit is achterwege gebleven omdat op 1 juni 2006 tot een koerswijziging werd besloten.

Op 1 juni 2006 heeft de Haagse gemeenteraad door het aannemen van Raadsvoorstel 83/2006 ingestemd met een wijziging van het woonwagenbeleid ten aanzien van het centrum aan de Escamplaan ten opzichte van het tot dan toe gevoerde deconcentratiebeleid. De Gemeente heeft daarbij ingezet op een vermindering van het aantal standplaatsen binnen de gemeente en het herstructureren van het centrum aan de Escamplaan tot een woningbouwlocatie. Inzet van de Gemeente is de locatie Escamplaan te herontwikkelen tot een nieuwe woonbuurt met ongeveer 90 woningen waarvan circa de helft sociale sector en de helft vrije sector. De beoogde herontwikkeling is in strijd met de thans geldende bestemming "Wonen-woonwagens (Wo-w)".

Ter uitvoering van het gewijzigde woonwagenbeleid ten aanzien van het centrum aan de Escamplaan heeft de gemeenteraad van Den Haag op 14 december 2006 ingestemd met het Plan van Aanpak woonwagenlocatie Escamplaan (hierna: " het Plan van Aanpak"). Uit dit Plan van Aanpak volgt onder meer dat als basis voor de herstructurering van het centrum aan de Escamplaan en voor het opstellen van een sociaal plan de GBA-gegevens worden gebruikt, met als peildatum 1 oktober 2006. Deze GBA-gegevens dienen om te bepalen welke huishoudens aldaar woonachtig zijn en welke huishoudens aan de hand van nadere criteria voor een bepaalde vorm van herhuisvesting in aanmerking komen. In het kader van de herhuisvesting onderscheidt het Plan van Aanpak tussen huishoudens die op grond van een of meerdere schriftelijke toezeggingen van de Gemeente (waaronder bijvoorbeeld een ontheffing van artikel 10 van de Woonwagenwet) in aanmerking kunnen komen voor een vervangende standplaats (groep van 56) en huishoudens voor wie dat niet geldt en die op een andere wijze in herhuisvesting moeten voorzien (groep 6) en aldus dienen te verhuizen naar een reguliere woning. Voor de groep van 56 zijn slechts 25 vervangende standplaatsen beschikbaar.

Als uitvloeisel van het Plan van Aanpak heeft de gemeenteraad van Den Haag op 5 juli 2007 ingestemd met het Sociaal Plan woonwagenlocatie Escamplaan (hierna: "het Sociaal Plan"). In het Sociaal Plan zijn nadere bepalingen opgenomen ten aanzien van de herhuisvesting en de daarbij behorende vergoedingen voor bewoners van het centrum aan de Escamplaan. Ten aanzien van de herhuisvesting is onder meer opgenomen dat bij de toewijzing van de 25 beschikbare vervangende standplaatsen achtereenvolgens wordt gekeken naar de inschrijfdatum als standplaatszoekende, de woonduur en de leeftijd van de bewoners. Dit beleid is gebaseerd op de in de Regionale Huisvestingsverordening 2005 neergelegde criteria en het eveneens voor de toewijzing van sociale huurwoningen geldende aanbodmodel. Het Sociaal Plan regelt - kort gezegd - de volgende vergoedingen;

- alle vertrekkende, precariorechten betalende bewoners (dus inclusief de groep van 6) komen in aanmerking voor een bedrag van € 5.141,-- aan verhuiskostenvergoeding, herinrichtingskosten daarbij inbegrepen;

- bewoners uit de groep van 56 die vertrekken naar een standplaats op een andere woonwagenlocatie komen in aanmerking voor een vergoeding van de verplaatsingskosten van hun woonwagen ten bedrage van € 19.500,-- respectievelijk € 26.000,-- (afhankelijk van de breedte van de woonwagen);

- de bewoners uit de groep van 56 voor wie geen vervangende standplaats beschikbaar is en die vertrekken naar een reguliere woning komen in aanmerking voor een op het bedrag van € 15.300,-- vastgestelde vergoeding voor het verlaten van de woonvorm. Voorts komen deze bewoners in aanmerking voor een uitkering gelijk aan de getaxeerde economische waarde van hun woonwagen (minimaal € 12.500,--).

De Gemeente heeft het centrum aan de Escamplaan overeenkomstig het Plan van Aanpak per 1 september 2007 voor de duur van één jaar aangewezen als actiegebied in de zin van artikel 3 van de Regionale Huisvestingsverordening Haaglanden 2005. Zolang deze actiegebiedaanwijzing liep, konden de bewoners aanspraak maken op voorrang bij het vinden van vervangende huisvesting. Daarnaast konden zij gedurende de actiegebiedaanwijzing aanspraak maken op de regelingen van het Sociaal Plan. De actiegebiedaanwijzing is uiteindelijk verlengd tot 1 februari 2009.

Ter uitvoering van het nieuwe beleid heeft de Gemeente bij brieven van 3 september 2007 aan de bewoners van het centrum aan de Escamplaan het feitelijk gebruik van de standplaatsen opgezegd tegen 3 september 2008. Bij brieven van 7 maart 2008 heeft de Gemeente de bewoners verzocht schriftelijk te bevestigen dat zij de standplaatsen op 2 september 2008 zouden verlaten, bij gebreke waarvan de bewoners een ontruimingsprocedure in het vooruitzicht is gesteld.

Bij deze rechtbank hebben twee bodemprocedures gediend van twee bewoners van het centrum aan de Escamplaan tegen de Gemeente. In beide zaken is primair een verklaring voor recht gevorderd dat de Gemeente verplicht is een vervangende standplaats te garanderen en subsidiair een veroordeling van de Gemeente om aan de desbetreffende bewoner een vervangende standplaats te garanderen. Bij vonnissen van 12 maart 2008 heeft de rechtbank, in navolging van de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een kort geding procedure voorafgaand aan een van deze procedures (vonnis van 15 september 2006), de vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de in het verleden aan de bewoners gedane toezeggingen niet een zodanig concreet karakter hadden dat zij voor wat betreft hun bindende karakter kunnen worden gelijkgesteld aan het sluiten van een privaatrechtelijke (huur)overeenkomst. In dat kader achtte de rechtbank van belang dat aan de bewoners niet een specifieke, geïndividualiseerde standplaats op een met name genoemd centrum is toegezegd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het de Gemeente vrijstaat om haar beleid te wijzigen op grond van een gewijzigd inzicht met betrekking tot de wijze waarop zij de algemene belangen behartigt, mits daarbij op zorgvuldige wijze wordt omgegaan met de belangen van degenen die aan het eerdere beleid verwachtingen hebben ontleend. De rechtbank heeft, alle omstandigheden van het geval afwegende, geoordeeld dat geen sprake is van een onzorgvuldige behandeling van de bewoners. Van één van de vonnissen van 12 maart 2008 is hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft het bestreden vonnis bij arrest van 30 juni 2009 bekrachtigd. Daarbij heeft het hof overwogen dat de Gemeente gerechtigd was haar beleid te wijzigen op grond van een afweging van de algemene (financiële-, huisvestings-, handhavings- en stedenbouwkundige) belangen, mits voldoende compensatie aan de bewoners werd geboden. Volgens het hof had de Gemeente in die zaak een passende compensatie aangeboden.

Naar aanleiding van de opzeggingsbrief van de Gemeente van 3 september 2007 heeft onder meer de Vereniging Woonwagencentrum Escamplaan bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 november 2007 heeft het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, overwegende dat de brief van 3 september 2007 geen besluit betreft als bedoeld in artikel 1:3 lid 1 Awb. Tegen het besluit van 27 november 2007 heeft de Vereniging Woonwagencentrum Escamplaan op 4 januari 2008 beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 10 april 2008 heeft de voorzieningenrechter zich aangesloten bij het oordeel van het College van Burgemeester en Wethouders dat de brieven van 3 september 2007 uitsluitend zijn gericht op opzegging van de binnen privaatrechtelijke kaders opgerichte gebruiksrelaties tussen de Gemeente en de bewoners als feitelijk gebruikers in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter heeft de verzochte voorlopige voorziening afgewezen en heeft -

op grond van artikel 8:86 Awb onmiddellijk uitspraak doende in de hoofdzaak - het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de Vereniging Woonwagencentrum Escamplaan op 18 april 2008 hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 20 augustus 2008 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep ongegrond verklaard en daarbij als volgt overwogen:

"2.3.1. Aan de vereniging e.a. moet worden toegegeven dat de aan de bewoners verleende ontheffingen - daargelaten of deze als ontheffingen als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet (oud) in eigenlijke zin kunnen worden aangemerkt, nu geen sprake was van het hebben van een standplaats buiten een centrum - de toezegging bevatten dat de bewoners hun standplaatsen op het woonwagencentrum Escamplaan mogen blijven innemen tot het moment dat elders in de regio standplaatsen beschikbaar zijn. Dit betekent echter niet dat de brieven van 3 september 2007 daarom besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van de tekst en de strekking van de brieven kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de algemeen directeur daarin uitsluitend civielrechtelijke betrekkingen heeft opgezegd en dat niet is beoogd enig publiekrechtelijk rechtsgevolg in het leven te roepen. Die brieven betreffen het beëindigen van de gebruiksrelaties, ontstaan als gevolg van het door de gemeente, als eigenaar, ter beschikking stellen van de grond tegen een door de bewoners, als feitelijke gebruikers van de grond, te betalen vergoeding. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling dan ook van oordeel dat deze brieven geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat het college het door de vereniging e.a. hiertegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard."

Bij brief van 21 april 2008 heeft de advocaat van de Gemeente de nog op het centrum aan de Escamplaan verblijvende bewoners een laatste gelegenheid geboden om binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat zij vrijwillig gehoor zullen geven aan de opzegging tegen 3 september 2008.

Mevrouw [H.] bewoonster van het centrum aan de Escamplaan en ingedeeld in de groep van 6 bewoners, heeft de Gemeente in kort geding gedagvaard en heeft gevorderd de Gemeente te veroordelen tot betaling van een voorschot op een in een bodemprocedure te vorderen schadevergoeding wegens beëindiging van de gebruiksovereenkomst aangaande de bij haar in gebruik zijnde standplaats. Daarbij heeft zij aangevoerd dat ook zij in aanmerking komt voor vergoeding wegens het verlaten van de woonvorm, vergoeding van de kosten van het inrichten van de huurwoning en de kosten van het slopen en afvoeren van de woonwagen. Door haar voormelde vergoedingen te onthouden, handelt de Gemeente volgens haar onrechtmatig. De voorzieningenrechter heeft het gevorderde bij vonnis van 26 september 2008 afgewezen en heeft daarbij overwogen - kort samengevat - dat het gemaakte onderscheid op grond van in het verleden al dan niet gedane toezeggingen niet ongerechtvaardigd is en dat niet aannemelijk is geworden dat de Gemeente jegens mevrouw [H.] onrechtmatig heeft gehandeld door haar bepaalde vergoedingen te ontzeggen die wel werden toegekend aan hen die in de groep van 56 bewoners waren ingedeeld.

De Vereniging Woonwagencentrum Escamplaan en een aantal bewoners hebben de Gemeente in kort geding gedagvaard waarbij zij hebben gevorderd de Gemeente te gelasten het Sociaal Plan alsmede alle reeds afgesproken individuele toezeggingen onverkort en volledig van toepassing te laten voor de bewoners tegen wie nog een ontruimingsprocedure aanhangig is totdat in die procedures onherroepelijk zal zijn beslist. De voorzieningenrechter heeft het gevorderde bij vonnis van 2 december 2008 afgewezen, onder verwijzing naar de hierboven genoemde vonnissen van 12 maart 2008 (zie hierboven onder 2.11.).

Een viertal bewoners van het centrum aan de Escamplaan heeft de Gemeente in kort geding gedagvaard en gevorderd de Gemeente te verbieden gebruik te maken van haar privaatrechtelijke bevoegdheden om haar publiekrechtelijke beleid ten aanzien van het centrum aan de Escamplaan uit te voeren. Daarnaast is gevorderd de Gemeente te veroordelen voor haar rekening en risico zorg te dragen voor de verplaatsing van de woonwagens naar nieuwe standplaatsen alsmede de Gemeente te veroordelen het Sociaal Plan aan te passen in die zin dat de kosten van verplaatsing van de woonwagens en de daarbij ontstane schade aan de bewoners zullen worden vergoed. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat geen sprake was van een onaanvaardbare doorkruising van het publieke recht en heeft de vorderingen bij vonnis van 26 januari 2009 afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 2008 (zie hierboven onder 2.12.) waarin is geoordeeld dat de opzegging van het gebruik géén publiekrechtelijke rechtshandeling is en dat geschillen over opzegging van de gebruiksrelatie thuishoren bij de civiele rechter, alsmede naar het in de onderhavige ontruimingsprocedures door de rechtbank gewezen incidentele vonnis van 19 november 2008 waarin als voorlopig oordeel is uitgesproken dat de rechtsverhouding moet worden aangeduid als bruikleen en níet als privaatrechtelijke huurovereenkomst.

Bij besluit van 5 februari 2009 heeft de gemeenteraad van Den Haag het bestemmingsplan "Escamplaan" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft een aantal bewoners beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens is om een voorlopige voorziening verzocht. De stelling van de bewoners is dat het bestemmingsplan ten onrechte is vastgesteld nu het voorziet in de opheffing van de woonwagenlocatie zonder dat vervangende woonwagenstandplaatsen worden aangeboden. Bij uitspraak van 22 juli 2009 heeft de Voorzitter van de Raad van State het beroep gegrond verklaard en bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de gemeenteraad van Den Haag van 5 februari 2009 voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" geschorst. Daartoe is als volgt overwogen:

"In het bestemmingsplan "Woonwagenlocaties", vastgesteld op 1 juni 2006, was aan het plangebied de bestemming "Woondoeleinden uit te werken (Wu)" toegekend, waarmee was voorzien in een uitwerkingsplicht voor woonwagenstandplaatsen. Blijkens de door verzoekers aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008, nr. 200701722/1, was inmiddels komen vast te staan dat het gemeentebestuur geen gevolg meer zou geven aan deze uitwerkingsplicht. Gelet hierop heeft de Afdeling geoordeeld dat die planregeling in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht en heeft de Afdeling goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden uit te werken (Wu)" betreffende de locatie escamplaan. Niettemin is in het voorliggende plan wederom gekozen voor een regeling waarin woonwagens zijn toegelaten, zodat het bezwaar dat ten onrechte niet is voorzien in vervangende standplaatsen niet in de besluitvorming is betrokken, terwijl het plan is gericht op herontwikkeling van de locatie met nieuwe woningen. Voorts is niet duidelijk hoe de weerlegging van de zienswijze van [verzoekers] in deze procedure, waarin wordt verwezen naar een passage waarin staat dat het raadsbesluit van 1 juni 2006 tot opheffing van de woonwagenlocatie los staat van het plan, zich verdraagt met de plantoelichting, waarin is aangegeven dat dit raadsbesluit juist de aanleiding voor het in procedure brengen van het plan is geweest. Gelet hierop betwijfelt de voorzitter of de belangen van de bewoners van de woonwagenlocatie in deze procedure voldoende zorgvuldig zijn afgewogen, althans of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven, zodat de voorzitter aanleiding ziet de voorlopige voorziening te treffen dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" wordt geschorst."

Ten tijde van de comparitie op 7 juli 2009 waren alle standplaatsen ontruimd op 4 na, waaronder de in dit geding aan de orde zijnde standplaats Escamplaan bij [nummer].

Zaakspecifiek:

[A.] en [B.] staan vanaf respectievelijk 31 maart 1999 en 26 februari 2008 ingeschreven op de standplaats gelegen aan de Escamplaan bij [nummer]. Voor het gebruik van de standplaats wordt jaarlijks een precario betaald van laatstelijk € 965,42.

Bij brief van 12 januari 2007 heeft de Gemeente, onder verwijzing naar het Plan van Aanpak, aan [A.] bericht dat hij op basis van de afwezigheid van een of meerdere aan hem gerichte schriftelijke toezeggingen van de Gemeente en op basis van de GBA-gegevens van 1 oktober 2006, behoort tot de groep van 6 bewoners die niet in aanmerking komt voor een alternatieve standplaats. De Gemeente heeft dit bij brief van 26 september 2007 nogmaals aan [A.] bevestigd.

De Gemeente heeft [A.] meerdere malen, laatstelijk bij brief van 17 december 2008, uitgenodigd om een afspraak te maken voor het aanvragen van een voorrangsverklaring voor een sociale huurwoning. Daarbij heeft de Gemeente [A.] ook gewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid bij het voorzien in andere huisvesting.

[A.] heeft geen gebruik gemaakt van de uitnodigingen.

Het geschil

in conventie

De Gemeente vordert, na vermeerdering van eis, dat het de rechtbank moge behagen bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de tussen de Gemeente en gedaagden, althans [A.] en [B.] bestaande gebruiksrelatie met betrekking tot de standplaats staande en gelegen aan de Escamplaan bij [nummer] te Den Haag per 3 september 2008, althans een in goede justitie te bepalen datum, is beëindigd;

II. [A.] en [B.] te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de standplaats gelegen aan de Escamplaan bij [nummer] te Den Haag met alle zich daarop, al dan niet van de zijde van gedaagden, bevindende goederen en/of personen, waaronder, maar daar niet toe beperkt, de daarop gestalde woonwagen inclusief een overkapping en een blokhut, te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de Gemeente te stellen en te laten en de standplaats na ontruiming en verlating niet wederom zonder toestemming van de Gemeente te betreden en/of geheel en/of gedeeltelijk in gebruik te nemen, met machtiging van de Gemeente om, indien gedaagden niet aan de veroordeling tot ontruiming voldoen, alsdan zelfstandig tot verwijdering en sloop van op de standplaats gestalde woonwagen inclusief een overkapping en een blokhut, alsmede van alle zich op de standplaats bevindende goederen en/of zaken over te gaan, een en ander met bepaling dat verwijdering en sloop op kosten van [A.] en [B.] plaatsvindt, en met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

III. gedaagden te veroordelen in de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de onder II gevorderde machtiging, waaronder de kosten van verwijdering en sloop van de op de standplaats gestalde woonwagen alsmede van alle zich op de standplaats bevindende goederen en/of zaken, indien gedaagden niet aan hun verplichting tot ontruiming voldoen, door gedaagden te voldoen op vertoon van de desbetreffende facturen;

IV. gedaagden te veroordelen in de proceskosten en de nakosten van € 131,-- dan wel € 199,-- indien betekening van het vonnis plaatsvindt, zulks met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na datum van vonniswijzing.

De Gemeente voert daartoe aan dat de tussen haar en gedaagden bestaande gebruiksrelatie met betrekking tot de standplaats aan de Escamplaan bij [nummer] als gevolg van de opzegging op 3 september 2008 rechtsgeldig is geëindigd. Dit maakt dat gedaagden vanaf die datum zonder recht of titel - en daarmee onrechtmatig - gebruik maken van deze standplaats. Gedaagden zijn dan ook gehouden de standplaats te ontruimen en de daarop gestalde woonwagen, inclusief overkapping en blokhut, te verwijderen. Als gedaagden niet vrijwillig tot ontruiming zullen overgaan, zal de Gemeente in staat moeten worden gesteld de standplaats zelf te ontruimen, door middel van sloop en afvoer met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van gedaagden. Van de Gemeente kan niet worden verwacht dat zij op kosten van de gemeenschap overgaat tot verplaatsing en opslag, gelet op de daaraan verbonden hoge kosten alsmede gelet op het feit dat gedaagden voldoende tijd hebben gehad om zelf tot verkoop over te gaan. Een machtiging als gevorderd is noodzakelijk omdat het opleggen van een dwangsom voor gedaagden onvoldoende prikkel zal geven om vrijwillig tot ontruiming van de standplaats over te gaan. De Gemeente wijst er daarbij op dat de bewoners daartoe reeds meer dan een jaar onbenut hebben gelaten. De Gemeente benadrukt ten slotte haar belang bij een spoedige ontruiming. Het is de bedoeling dat de grond uiterlijk 1 april 2010 bouwrijp aan de projectontwikkelaar zal worden overgedragen en dat betekent dat met de daarvoor benodigde grond- en saneringswerkzaamheden uiterlijk 1 november 2009 een aanvang zal moeten worden genomen.

[B.] voert gemotiveerd verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat haar inschrijving vanaf 26 februari 2008 op het adres Escamplaan bij [nummer] slechts een briefadres betreft en dat zij dus feitelijk geen gebruik maakt van de bewuste standplaats. [B.] stelt dat de Gemeente dit wist. Volgens [B.] heeft de Gemeente haar ook niet aangeschreven, zodat de gebruiksrelatie met betrekking tot de standplaats aan de Escamplaan bij [nummer] jegens haar niet is opgezegd. [B.] stelt niet in verzuim te verkeren en ook overigens niet aan de vorderingen van de Gemeente te kunnen voldoen. Volgens [B.] dienen de vorderingen jegens haar te worden afgewezen met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

[A.] voert eveneens gemotiveerd verweer, welk verweer hij doet uitmonden in de hieronder (3.7.) weergegeven vordering in reconventie. [A.] herhaalt het in het incident reeds ingenomen standpunt dat tussen hem en de Gemeente sprake is van een huurovereenkomst zodat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van de conventionele vorderingen. Bovendien is de huurovereenkomst volgens [A.] niet op de juiste wijze is opgezegd. Mocht de rechtbank oordelen dat geen sprake is van een huurovereenkomst, dan maakt de Gemeente zich in elk geval schuldig aan een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht nu zij langs civielrechtelijke weg probeert te bereiken wat zij langs publiekrechtelijke weg dient te bewerkstelligen. Dit vloeit volgens [A.] voort uit het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (LJN BH7845) en het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2006, NJ 2006, 445. Het woonwagencentrum heeft een publiekrechtelijke bestemming en de bewoners verblijven daar met publiekrechtelijke toestemming van de Gemeente. Met toepassing van bestuursdwang had de Gemeente dan ook hetzelfde resultaat kunnen bereiken als haar thans voor ogen staat. Tegen bestuursdwang had bezwaar en beroep kunnen worden ingesteld, terwijl het privaatrecht volgens [A.] niet een dergelijke met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt. [A.] voert voorts aan dat gelet op de verleende ontheffing op grond van artikel 10 van de Woonwagenwet en gelet op het geldende overgangsrecht, de bepalingen van de Woonwagenwet nog onverkort van toepassing zijn, hetgeen betekent dat de Gemeente op grond van artikel 61 van de Woonwagenwet uitsluitend kan ontruimen naar een andere standplaats. Tot slot stelt [A.] in het kader van zijn beroep op een onaanvaardbare doorkruising van het publieke recht dat de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening een exclusieve regeling bieden voor de verdeling van woonruimte.

Gelet op de zeer lage vergoeding die de Gemeente aanbiedt kan volgens [A.] niet van hem worden verlangd dat hij zelfstandig ontruimt. Verkoop is onmogelijk gebleken. Van toerekenbaar onrechtmatig handelen door het niet vrijwillig ontruimen is dan ook geen sprake. [A.] verkeerde ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding overigens ook nog niet in verzuim. Hij had immers tot 3 september 2008 (nadien verlengd tot 1 februari 2009) de tijd gekregen om de standplaats te verlaten en de Gemeente had dan ook nog geen opeisbare vordering op hem. Volgens [A.] heeft de Gemeente onvoldoende onderzocht of er alternatieven zijn voor sloop van de woonwagen. Daarnaast heeft de Gemeente onvoldoende belang bij ontruiming nu er slechts vage plannen zijn om de locatie Escamplaan te herstructureren en de bestemming nog niet is gewijzigd. Ten slotte is volgens [A.] sprake van strijd met het Europees recht en het discriminatieverbod nu de door het Comité van Ministers van de Raad van Europa geformuleerde aanbevelingen instructienormen behelzen die ook door de Gemeente behoren te worden nageleefd, hetgeen zij niet doet.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie, in de zaak van [A.]

[A.] vordert in reconventie bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. veroordeling van de Gemeente om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan hem een voorrangsverklaring voor een sociale huurwoning af te geven;

II. veroordeling van de Gemeente om zijn woonwagen tegen een onafhankelijk getaxeerde waarde (van minimaal € 12.500,--) aan te kopen, met de mogelijkheid bezwaar tegen de taxatie te maken en een taxatieprocedure te volgen conform de regeling in het Sociaal Plan;

III. veroordeling van de Gemeente om aan hem binnen acht dagen na betekening van dit vonnis een vergoeding te betalen van € 15.300,-- voor het verlaten van de woonvorm als gevolg van het feit dat geen vervangende standplaats voorhanden is;

IV. veroordeling van de Gemeente om aan hem binnen acht dagen na betekening van dit vonnis een verhuiskostenvergoeding te betalen van € 5.141,--;

V. veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

[A.] stelt daartoe dat de Gemeente - ook als zij gebruik maakt van haar privaatrechtelijke bevoegdheden - de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen, waaronder het zorgvuldigheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Deze beginselen zijn volgens [A.] door de Gemeente jegens hem niet in acht genomen, hetgeen onzorgvuldig, onbetamelijk en onrechtmatig is. Volgens [A.] valt niet in te zien waarom de Gemeente ten aanzien van het centrum aan de Escamplaan een ander beleid hanteert dan zij eerder deed in het kader van de op het publiekrecht gestoelde sanering van het woonwagencentrum aan de Leyweg, waarbij de bewoners wel een vervangende standplaats kregen toegewezen en hun kosten volledig werden vergoed. Evenmin valt volgens hem in te zien waarom in het Sociaal Plan ten aanzien van de groep van 6 bewoners een andere regeling is opgenomen dan ten aanzien van de groep van 56. Volgens [A.] zijn aan hem evenveel toezeggingen gedaan als aan de groep van 56 en heeft ook hij altijd aan zijn precarioverplichtingen voldaan. Dit maakt dat ook hij aanspraak kan maken op alle regelingen van het Sociaal Plan. [A.] stelt onevenredig in zijn belangen te worden geschaad doordat hem onvoldoende compensatie wordt geboden voor de schade die hij lijdt als gevolg van het gewijzigde beleid van de Gemeente. [A.] wijst in dat kader op het feit dat zijn woonwagen aanvankelijk is getaxeerd op € 207.000,-- en dat dit opgebouwde kapitaal als gevolg van het gewijzigde beleid van de Gemeente geheel zal worden vernietigd.

De Gemeente voert in reconventie gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Gedaagden sub 3

Tegen de niet verschenen gedaagden sub 3 is verstek verleend. Nu de vordering jegens hen de rechtbank noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, ligt deze voor toewijzing gereed. Gedaagden sub 3 zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

[B.]

De Gemeente heeft ter comparitie verklaard dat de vordering jegens [B.] als ingetrokken kan worden beschouwd bij gebrek aan belang, nu uit de GBA blijkt dat [B.] sedert 13 februari 2009 staat ingeschreven op het adres [adres] te Den Haag. Het belang bij de vordering tegen [B.] bestond volgens de Gemeente nog wel ten tijde van het initiëren van de onderhavige ontruimingsprocedure, zodat een compensatie van de proceskosten het meest in de rede ligt. [B.] heeft aangegeven zich niet te kunnen verenigen met een compensatie van de proceskosten nu de Gemeente volgens haar reeds vóór het uitbrengen van de dagvaarding bekend was met het feit dat zij slechts een briefadres had op het adres Escamplaan bij [nummer].

Nu de Gemeente geen belang meer heeft bij haar vordering jegens [B.] zal deze worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [B.] onvoldoende gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de Gemeente reeds vóór het uitbrengen van de dagvaarding bekend was met het feit dat slechts sprake was van een postadres. Dit geldt temeer nu door de Gemeente een GBA-uittreksel ten aanzien van [B.] is overgelegd waarin bij het adres Escamplaan bij [nummer] de letter "w" is vermeld, hetgeen volgens de Gemeente de afkorting is van "woonadres". Op grond hiervan is er geen reden om de Gemeente thans te veroordelen in de proceskosten. Het door de Gemeente gedane aanbod om de proceskosten te compenseren, komt de rechtbank redelijk voor. De proceskosten zullen dan ook worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

[A.]

De vordering in conventie en in reconventie hangen dusdanig met elkaar samen dat de rechtbank aanleiding ziet om deze hierna gelijktijdig te bespreken.

De rechtbank stelt voorop dat zij zich aansluit bij de vonnissen van deze rechtbank van 12 maart 2008 en het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 30 juni 2009 (zie hierboven onder 2.11.), waarin is geoordeeld dat het de Gemeente vrijstond om haar beleid ten aanzien van woonwagenstandplaatsen, welk beleid er tot 1 juni 2006 op was gericht om de bewoners van het centrum aan de Escamplaan een vervangende standplaats aan te bieden, te wijzigen op grond van een gewijzigd inzicht omtrent de wijze waarop zij de algemene belangen van de gemeente behartigt. Met de intrekking van de Woonwagenwet was immers de bijzondere juridische positie van het wonen in een woonwagen verdwenen. Het stond de Gemeente dan ook vrij om het algemene belang van het bieden van passende huisvesting aan iedere burger zwaarder te wegen dan het belang van de bewoners om in een woonwagen te kunnen blijven wonen. De behartiging van eerstgenoemd belang brengt mee dat de Gemeente bij schaarste van gronden waarop woningen gerealiseerd kunnen worden, de voorkeur mocht geven aan het realiseren van een woonvorm die minder beslag legt op de beschikbare ruimte dan het wonen in een woonwagen. Hieruit volgt reeds dat de Gemeente niet was gehouden om aan alle bewoners van het centrum aan de Escamplaan een vervangende standplaats aan te bieden.

De Gemeente dient in het kader van de uitvoering van haar gewijzigde beleid wel op een zorgvuldige wijze om te gaan met de belangen van de bewoners, in het bijzonder van hen die aan haar eerdere beleid verwachtingen ten aanzien een vervangende standplaats hebben ontleend. Het door de Gemeente gemaakte onderscheid tussen enerzijds een groep van 56 bewoners en anderzijds een groep van 6 bewoners is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en ook overigens niet ongerechtvaardigd. Dit onderscheid is immers daarop gebaseerd dat bij de groep van 56 bewoners in het verleden verwachtingen als vorenbedoeld zijn gewekt op grond van schriftelijke mededelingen, terwijl dit bij de groep van 6 bewoners niet het geval is. Het stond de Gemeente voorts in redelijkheid vrij om de groep van 56 bewoners op basis van dat gemaakte onderscheid meer vergoedingen te bieden dan de groep van 6 bewoners, respectievelijk om het beperkte aantal beschikbare vervangende standplaatsen binnen de groep van 56 bewoners te verdelen op basis van anciënniteit (woonduur). Aan alle bewoners is een redelijke verhuisvergoeding toegekend en ook de overige in het Sociaal Plan vermelde vergoedingen, respectievelijk de criteria aan de hand waarvan de respectieve vergoedingen zijn toegekend (zie hierboven onder 2.7.) komen de rechtbank niet onredelijk voor. In dat verband is nog van belang dat er geen verplichting voor de Gemeente bestond om de bewoners volledig schadeloos te stellen. Voorts heeft de Gemeente ten behoeve van hen die niet in aanmerking kwamen voor een vervangende standplaats dan wel voor wie geen vervangende standplaats beschikbaar was in het Sociaal Plan bepaald dat zij een voorrangsverklaring voor een sociale huurwoning kunnen aanvragen. Het Sociaal Plan moet worden beschouwd als een aanbod van de Gemeente om te komen tot vrijwillige ontruiming door de bewoners. Daarmee is ook het tijdelijke karakter van het Sociaal Plan gegeven. De Gemeente mocht de gelding van het plan dan ook beperken tot de duur van de actiegebiedaanwijzing (laatstelijk verlengd tot 1 februari 2009). Overigens krijgen degenen uit de groep van 56 bewoners voor wie geen vervangende standplaats beschikbaar was nog gedurende 5 jaar na 1 februari 2009 voorrang voor het geval er alsnog vervangende standplaatsen vrijkomen.

Conclusie op grond van het voorgaande is dat de Gemeente in beginsel op een zorgvuldige wijze is omgegaan met de belangen van de bewoners van het centrum aan de Escamplaan en dat zij de bewoners die niet in aanmerking kwamen voor een vervangende standplaats een passende compensatie heeft geboden.

De door [A.] gevoerde verweren zullen alle worden verworpen. De rechtbank verwijst daartoe naar het voorgaande en overweegt overigens als volgt.

Huurovereenkomst?

Rechtsgeldige opzegging?

Allereerst ligt ter beoordeling voor of de tussen de Gemeente en [A.] bestaande rechtsverhouding met betrekking tot standplaats aan de Escamplaan bij [nummer] als een huurovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. De rechtbank sluit zich daarbij aan bij het incidentele vonnis van 19 november 2008 (zie hierboven onder 2.16.) en overweegt overigens als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 9 van de Woonwagenwet kon de gemeenteraad, ingeval geen huurovereenkomst werd gesloten met de gebruiker van de standplaats, bij verordening per standplaats een bedrag vaststellen dat als vergoeding voor het hebben van de standplaats met een woonwagen in rekening werd gebracht. In het kader van de intrekking van de Woonwagenwet is stilgestaan bij dit publiekrechtelijk stelsel van retributieregelingen. Op grond van Artikel IX van de Wet tot wijziging van de Huisvestingswet behield een verordening vastgesteld op grond van artikel 9 van de Woonwagenwet haar rechtskracht gedurende een periode van zes maanden na inwerkingtreding van deze wet. Uit de Memorie van Toelichting van voormelde wijzigingswet volgt dat met de intrekking van de Woonwagenwet de bijzondere wettelijke grondslag voor het door een gemeenteraad opstellen van een retributieverordening is komen te vervallen. Indien een gemeente na inwerkingtreding van de wijzigingswet wenste vast te houden aan een retributieverordening, kon dit op basis van de autonome verordende bevoegdheid van de gemeenteraad ex artikel 149 van de Gemeentewet. Gedurende voornoemde periode van zes maanden kon een huurovereenkomst met de treffende bewoner worden gesloten dan wel een retributieverordening op basis van de Gemeentewet worden vastgesteld. Uit het voorgaande volgt dat de wetgever een omzetting van het precariostelsel naar een huurregime niet exclusief heeft voorgeschreven.

In casu heeft de Gemeente bewust gekozen voor handhaving van het precariostelsel door binnen de daarvoor geldende termijn een aantal bepalingen in de op dat moment geldende Verordening precariobelasting, gebruiks- en genotsretributies 1998 die gebaseerd waren op de Woonwagenwet om te zetten in bepalingen gebaseerd op de Gemeentewet (zie hierboven onder 2.4.). Onjuist is derhalve de stelling van [A.] dat de precarioverordening sinds de intrekking van de Woonwagenwet geen publiekrechtelijke basis meer heeft en dat (reeds) daarom sprake moet zijn van een huurovereenkomst.

Nu tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen, wordt hun rechtsverhouding niet beheerst door de bepalingen van titel 4 van boek 7 BW. Artikel 7:274 BW mist derhalve toepassing, zodat de vraag of de Gemeente de grond nodig heeft voor dringend eigen gebruik verder onbeantwoord kan blijven. De Gemeente is als eigenaar van de standplaats gerechtigd om het gebruik daarvan, met inachtneming van een redelijke opzegtermijn te beëindigen. Door op 3 september 2007 het feitelijk gebruik van de standplaatsen op te zeggen tegen 3 september 2008, heeft de Gemeente naar het oordeel van de rechtbank een redelijke opzegtermijn in acht genomen. Daarbij dient tevens in aanmerking te worden genomen dat de nog op het centrum aan de Escamplaan verblijvende bewoners feitelijk tot op heden gebruik hebben kunnen maken van hun standplaats en aldus bijna twee jaar de gelegenheid hebben gehad om vervangende woonruimte te vinden. Van een niet-rechtsgeldige opzegging is gelet op het voorgaande dan ook geen sprake.

Onaanvaardbare doorkruising publiekrecht?

Vervolgens is aan de orde de stelling van [A.] dat sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht. [A.] heeft in dat verband het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2006 (NJ 2006, 445) genoemd, alsmede het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (LJN BH7845), waaruit volgt dat het de Gemeente vrijstaat om gebruik te maken van haar privaatrechtelijke bevoegdheden tenzij sprake is van misbruik van bevoegdheid dan wel strijd met geschreven regels van publiek recht. Voorts brengt het door [A.] in stelling gebrachte leerstuk van de onaanvaardbare doorkruising het zogenaamde Windmill-arrest in herinnering (Hoge Raad 26 januari 1990, NJ 1991, 393), waarin aan de orde was de vraag of de overheid ingeval haar bij een publiekrechtelijke regeling ter behartiging van zekere belangen bepaalde bevoegdheden zijn toegekend, die belangen ook mag behartigen door gebruik te maken van haar op grond van privaatrechtelijk toekomende bevoegdheden, zoals die welke aan het eigendomsrecht zijn ontleend. Wanneer de betrokken publiekrechtelijke regeling daarin niet voorziet is voor de beantwoording van die vraag beslissend of het gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden die regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarbij moet onder meer worden gelet op de inhoud en strekking van de regeling (die mede kan blijken uit haar geschiedenis) en op de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling de belangen van de burgers zijn beschermd, een en ander tegen de achtergrond van overige geschreven en ongeschreven regels van publiek recht. Van belang is ook of de overheid door gebruikmaking van de publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat kan bereiken, omdat zo zulks het geval is, dit een belangrijke aanwijzing is dat geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg.

Het feit dat het centrum aan de Escamplaan een publiekrechtelijke bestemming heeft en dat de precarioheffing haar grondslag vindt in een publiekrechtelijke verordening, laat onverlet dat sprake is van ingebruikgeving met privaatrechtelijke toestemming van de Gemeente als eigenaar. De rechtbank sluit zich wat dat betreft dus aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 2008 (zie hierboven onder 2.12). Aan Gemeente staan dan ook de aan haar eigendomsrecht verbonden bevoegdheden ten dienste. Afgezien van de vraag of juist is de (door de Gemeente betwiste) stelling van [A.] dat een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt langs publiekrechtelijke weg (zie ook hieronder: 4.14.), kan [A.] niet gevolgd worden in zijn stelling dat een bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepprocedure meer waarborgen biedt dan de onderhavige civiele procedure. Ook de civiele rechter moet toetsen aan de door [A.] aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens de advocaat van [A.] is de toetsing door de civiele rechter in de praktijk vaak minder vergaand dan die door de bestuursrechter, maar daargelaten of dit zo is, leidt dat op zichzelf niet tot de conclusie dat de bestuursprocedure met meer waarborgen is omkleed. Waarom uit het arrest van 14 april 2006 (NJ 2006, 445) zou voortvloeien dat in casu de privaatrechtelijke weg is afgesneden vermag de rechtbank niet in te zien; [A.] heeft dit ook niet nader onderbouwd. Evenmin is duidelijk waarom het bestaan van de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening de thans gevolgde weg zou uitsluiten. De Gemeente heeft in dat verband terecht opgemerkt dat uit deze wet en verordening in elk geval geen plicht voortvloeit voor de Gemeente om een vervangende standplaats te garanderen. Uit het voorgaande blijkt dat geen sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het publiek recht dan wel handelen in strijd daarmee, noch van misbruik van privaatrechtelijke bevoegdheden.

[A.] heeft meer in het bijzonder nog aangevoerd dat de Woonwagenwet op grond van het overgangsrecht nog steeds rechtskracht geniet en dat de Gemeente op grond van artikel 61 Woonwagenwet slechts kan ontruimen naar een andere standplaats. Ook in deze (door de Gemeente betwiste) redenering kan [A.] niet worden gevolgd. Daargelaten dat aan [A.] geen ontheffing op grond van artikel 10 van de Woonwagenwet is verleend, zag de desbetreffende ontheffing op het verbod om met een woonwagen een standplaats in te nemen buiten een woonwagencentrum. De stelling van de Gemeente dat, anders dan bijvoorbeeld het centrum aan de Leyweg, het centrum aan de Escamplaan niet door middel van een raadsbesluit is opgeheven, is niet althans onvoldoende betwist. Dit betekent dat de verleende artikel 10-ontheffingen feitelijk zonder rechtsgevolg zijn gebleven omdat de bewoners van de Escamplaan niet in de situatie zijn komen te verkeren dat zij als gevolg van een opheffingsbesluit in strijd met artikel 10 van de Woonwagenwet een standplaats hadden buiten een centrum. Derhalve doet zich hier niet de situatie voor waarop de door [A.] bedoelde overgangsbepaling betrekking heeft, zodat de Gemeente ook geen gebruik kan maken van haar bevoegdheid ex artikel 61 van de Woonwagenwet. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de Gemeente terecht heeft opgemerkt dat ook een artikel 10-ontheffing geen absoluut recht op een vervangende standplaats gaf.

Verzuim?

[A.] stelt zich op het standpunt dat de Gemeente te vroeg heeft gedagvaard nu hij ten tijde van de dagvaarding nog niet in verzuim verkeerde. Ook dit verweer treft geen doel. In maart respectievelijk april 2008 heeft de Gemeente [A.] schriftelijk verzocht om naar aanleiding van de opzegging van de gebruiksrelatie te bevestigen dat hij de standplaats vrijwillig zou verlaten. [A.] heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Gemeente hieruit opmaken dat [A.] de standplaats niet vrijwillig zou verlaten. Aldus is [A.] zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt en was de Gemeente gerechtigd om tot dagvaarding over te gaan.

Gevorderde verklaring voor recht

Vordering tot ontruiming

Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, volgt dat de Gemeente de gebruiksrelatie met [A.] met betrekking tot de standplaats aan de Escamplaan bij [nummer] in het kader van haar gewijzigde beleid ten aanzien van woonwagenlocaties op een zorgvuldige wijze heeft opgezegd en dat aan die opzegging door [A.] - ondanks de hem gegunde ruime opzegtermijn - geen gehoor is gegeven. [A.] maakt daarmee vanaf 3 september 2008 zonder recht of titel gebruik van de standplaats, hetgeen maakt dat de door de Gemeente gevorderde verklaring voor recht alsmede de vordering tot ontruiming voor toewijzing gereed liggen.

Machtiging zelfstandige verwijdering en sloop

Partijen zijn verdeeld over de vraag of voor toewijzing vatbaar is de door de Gemeente gevorderde machtiging om, indien [A.] niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming zal voldoen, zelf over te gaan tot verwijdering en sloop van hetgeen zich op de bewuste standplaats bevindt. De rechtbank is van oordeel dat ook dit onderdeel van de vordering voor toewijzing vatbaar is. Daarbij verwijst zij in de eerste plaats naar hetgeen in hierboven onder 4.5. en 4.6. is overwogen. Hieruit volgt dat het de Gemeente vrijstond om naar aanleiding van een afweging van de door haar te behartigen algemene belangen haar beleid ten aanzien van woonwagencentra te wijzigen, ook als dit leidt tot vermindering van het aantal woonwagenstandplaatsen. Tevens volgt hieruit dat de Gemeente zich de belangen van de bewoners van de Escamplaan in voldoende mate heeft aangetrokken door hen een passende compensatie te bieden waarmee zij een vrijwillig vertrek voldoende heeft gefaciliteerd. [A.] heeft - ondanks dat hem reeds een ruime opzegtermijn is gegund - tot op heden geweigerd de standplaats vrijwillig te ontruimen. Bij gebreke van vrijwillige medewerking van [A.] heeft de Gemeente aldus belang bij de gevorderde machtiging om zelfstandig tot verwijdering van de woonwagen met toebehoren van [A.] over te gaan. De daartoe strekkende vordering ligt voor toewijzing gereed. [A.] heeft in dat kader nog aangevoerd dat de Gemeente de alternatieven voor sloop onvoldoende heeft onderzocht en daardoor niet heeft aangetoond dat de waarde van zijn woonwagen dusdanig laag is dat verplaatsing en/of opslag niet mogelijk zou zijn. Ook dit verweer slaagt niet nu het de Gemeente vrijstaat om in het kader van het afwegen van de belangen van de woonwagenbewoners tegen de door haar te behartigen algemene belangen, waaronder het belang van een verantwoorde besteding van gemeenschapsgeld, te kiezen voor sloop in plaats van (het onderzoeken van de mogelijkheden van) verplaatsing en/of opslag van de nog op het centrum aan de Escamplaan staande woonwagens op kosten van de gemeenschap. [A.] zal ook in dit vonnis nog een termijn worden gegund om vrijwillig tot ontruiming over te gaan. De rechtbank stelt deze termijn vast op 30 dagen na betekening van dit vonnis.

Strijd met Europees recht / strijd met discriminatieverbod?

Ook de (door de Gemeente betwiste) stelling van [A.] dat de Gemeente in strijd handelt met Europese regelgeving door van woonwagenbewoners te verlangen dat zij verhuizen naar een reguliere woning slaagt niet. [A.] heeft zich hierbij gebaseerd op de aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Nog daargelaten dat deze aanbevelingen geen rechtstreekse werking hebben en aldus niet kunnen worden ingeroepen ten overstaan van een nationale rechter, verschaffen deze aanbevelingen geen absolute rechten en sluiten zij een belangenafweging als door de Gemeente gemaakt, niet uit.

Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

Uit het hierboven onder 4.5. en 4.6. overwogene volgt reeds dat de Gemeente naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Daaraan doet niet af dat de bewoners van het centrum aan de Leyweg in het verleden allen een vervangende standplaats hebben gekregen. Zoals onder 4.5. en 4.6. is overwogen stond het de Gemeente vrij om haar beleid te wijzigen en in te zetten op een vermindering van het totale aantal beschikbare standplaatsen en heeft de Gemeente voorts zorgvuldig gehandeld bij de uitvoering van haar nieuwe beleid. De rechtbank volgt [A.] ook niet in zijn stelling dat hij ten onrechte in de groep van 6 bewoners is ingedeeld omdat aan hem evenveel toezeggingen zijn gedaan als aan de bewoners die in de groep van 56 zijn ingedeeld. Onbetwist is dat [A.] niet persoonlijk een schriftelijke mededeling van de Gemeente heeft ontvangen waaruit hij de verwachting kon ontlenen dat hij een vervangende standplaats zou krijgen. Daaraan doet niet af het feit dat [A.] naar eigen zeggen op een lijst van 26 bewoners heeft gestaan die door de bewoners van het centrum aan de Escamplaan, al dan niet op uitnodiging van de Gemeente, is opgesteld in het kader van een mogelijke verplaatsing van een aantal wagens naar het nieuw aan te leggen centrum De Bras. Het gaat hier immers een door de bewoners zelf gemaakte selectie en het betreft in elk geval géén schriftelijke toezegging van de Gemeente. Het feit dat mevrouw [I.] namens voormelde groep van 26 is opgetreden als woordvoerster in contacten met de Gemeente maakt voorts evenmin dat aan haar persoonlijk gedane toezeggingen in redelijkheid konden worden opgevat als toezeggingen aan [A.] zelf.

Gelet op de terechte indeling van [A.] in de groep van 6, kwam [A.] onder de gelding van het Sociaal Plan uitsluitend in aanmerking voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van € 5.141,-- en niet tevens voor een vergoeding voor het verlaten van de woonvorm en/of een vergoeding van de economische waarde van de woonwagen. Anders dan [A.] heeft betoogd is het door de Gemeente aan [A.] gedane aanbod dan ook niet in strijd met het zorgvuldigheids- of het evenredigheidsbeginsel. Zoals eerder overwogen mocht de Gemeente de gelding van het aanbod op grond van het Sociaal Plan voorts beperken tot de duur van de actiegebiedaanwijzing, dat wil zeggen tot 1 februari 2009 (zie hierboven onder 4.6., slot). [A.] heeft binnen deze termijn geen gehoor gegeven aan de opzegging van de gebruiksrelatie en evenmin is hij ingegaan op de diverse uitnodigingen van de Gemeente om een afspraak te maken voor het aanvragen van een voorrangsverklaring voor een sociale huurwoning (zie hierboven onder 2.21. en 2.22.). [A.] kan dan ook niet langer aanspraak maken op betaling van genoemde verhuiskostenvergoeding noch op afgifte van een voorrangsverklaring. De aard en de strekking van het Sociaal Plan, te weten een tijdelijk geldend aanbod tot een minnelijke regeling, gericht op het bewerkstelligen van een vrijwillig vertrek, staan er aan in de weg dat thans in een gerechtelijke procedure van de Gemeente alsnog de nakoming van dat aanbod kan worden afgedwongen. Dit zou bovendien ook niet rechtvaardig zijn tegenover de andere bewoners uit de groep van 6 die wel vrijwillig zijn vertrokken; een tegemoetkoming aan de wensen van [A.] zou jegens hen in strijd met het gelijkheidsbeginsel zijn. De reconventionele vorderingen zullen dus alle worden afgewezen.

Afronding

Uit al het voorgaande volgt dat de vorderingen in conventie jegens [A.] voor toewijzing gereed liggen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn wordt bepaald op 30 dagen na betekening van dit vonnis. De vorderingen in reconventie dienen op grond van het voorgaande te worden afgewezen. [A.] zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van het incident in conventie, en de gevorderde nakosten.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad?

De Gemeente heeft gevorderd om, met het oog op de in het kader van herontwikkeling van de locatie Escamplaan spoedig te starten bodem- en saneringswerkzaamheden, een eventuele veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

[A.] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens [A.] moet worden voorkomen dat de ontruiming tot voor hem onomkeerbare gevolgen leidt, dit met het oog op het instellen van hoger beroep tegen het in dezen te wijzen vonnis.

Artikel 233 Rv bepaalt dat de rechtbank haar vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit. Een dergelijke uitzondering doet zich hier niet voor. Nu tegen dit onderdeel van de vordering door [A.] verweer is gevoerd, moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het gestelde belang van de Gemeente bij het spoedig door [A.] voldoen aan de veroordeling zwaarder weegt dan het belang van [A.] bij behoud van de bestaande toestand tot op een tegen dit vonnis ingesteld rechtsmiddel zal zijn beslist. Hoewel aan de Gemeente moet worden toegegeven dat het enkele feit dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad voor [A.] zal leiden tot onomkeerbare gevolgen op zichzelf niet aan toewijzing hiervan in de weg kan staan, dient dit wel te worden meegewogen in het kader van hiervoor bedoelde belangenafweging. Deze belangenafweging dient naar het oordeel van de rechtbank op dit moment in het voordeel van [A.] uit te vallen. De rechtbank is ambtshalve bekend met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2009 (zie hierboven onder 2.17.) Als gevolg van de bij deze uitspraak uitgesproken schorsing van het besluit waarbij het bestemmingsplan Escamplaan werd vastgesteld, ligt het voor de hand dat de uitvoering van de door de Gemeente in het kader van de herontwikkeling van de locatie Escamplaan op korte termijn ingeplande werkzaamheden vertraging zal oplopen. Dit maakt dat aan het belang van de Gemeente bij het spoedig door [A.] voldoen aan de veroordeling bij de huidige stand van zaken minder gewicht dient te worden gehecht dan aan het belang van [A.] bij behoud van zijn woonwagen tot het moment dat op een tegen dit vonnis in te stellen rechtsmiddel zal zijn beslist. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal dan ook worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van [B.]:

- wijst het gevorderde af;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

ten aanzien van [A.] en gedaagden sub 3:

- verklaart voor recht dat de tussen de Gemeente en [A.] en gedaagden sub 3 bestaande gebruiksrelatie met betrekking tot de standplaats gelegen aan de Escamplaan bij [nummer] te Den Haag per 3 september 2008 is beëindigd;

- veroordeelt [A.] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de standplaats gelegen aan de Escamplaan bij [nummer] te Den Haag met alle zich daarop bevindende, al dan niet van de zijde van [A.] bevindende goederen en/of personen, waaronder, maar niet daartoe beperkt, de daarop gestalde woonwagen inclusief een overkapping en een blokhut, te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de Gemeente te stellen en te laten en de standplaats na ontruiming en verlating niet wederom zonder toestemming van de Gemeente te betreden en/of geheel of gedeeltelijk in gebruik te nemen, met machtiging van de Gemeente om, indien [A.] niet aan zijn veroordeling tot ontruiming voldoet, zelfstandig tot verwijdering en sloop van de op de standplaats gestalde woonwagen inclusief een overkapping en een blokhut, alsmede van alle andere zich op de standplaats bevindende goederen en/of zaken over te gaan, een en ander met bepaling dat verwijdering en sloop, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, plaatsvindt op kosten van [A.] en gedaagden sub 3, aan de Gemeente te voldoen op vertoon van de betreffende facturen;

- veroordeelt [A.] en gedaagden sub 3 in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Gemeente begroot op

(i) € 346,01 aan verschotten, ten aanzien van gedaagden sub 3 vermeerderen met de kosten van de advertentie in AD HC van 23 juli 2008,

(ii) € 2.034,-- aan salaris advocaat en

(iii) nakosten ad € 131,-- dan wel € 199,-- indien betekening van het vonnis plaatsvindt,

een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn tot de dag der algehele voldoening;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Valk en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2009 in tegenwoordigheid van de griffier