Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5448

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
AWB 09/17699, 09/17700
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Artikel 42, derde lid, van de Vw 2000 / afwijzing aanvraag / ingaan op zienswijze

Artikel 42, derde lid, van de Vw 2000, verplicht verweerder er niet toe op iedere in een zienswijze aangevoerde stelling afzonderlijk te reageren. Meer in het bijzonder behoeft in de beschikking niet te worden gereageerd op in de zienswijze opgenomen herhalingen van hetgeen tijdens het nader gehoor is verklaard. De voorzieningenrechter begrijpt de rechtspraak op dit punt aldus dat verweerder, indien in de zienswijze niet alleen een interpretatie wordt gegeven van de door de vreemdeling voorafgaande aan het voornemen verstrekte informatie, maar daaraan tevens iets wezenlijks wordt toegevoegd, daar een inhoudelijk oordeel over dient te geven in het afwijzende besluit. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraken van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 juni 2003 (JV 2003, 361) en van 25 augustus 2003 (JV 2003, 302). De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers zienswijze van 16 mei 2009 in wezen een herhaling is van wat hij reeds in het nader gehoor heeft verklaard en waarop de staatssecretaris reeds in het voornemen heeft gereageerd. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 42, derde lid, van de Vw 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09 / 17699 (beroep) & AWB 09 / 17700 (voorlopige voorziening)

V-nr: *

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

(eiser [naam] en) verzoeker, geboren in [datum] 1989, van Iraakse nationaliteit,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Gunster, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Op 17 mei 2009 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 mei 2009 waarbij de aanvraag van verzoeker van 12 mei 2009 om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 is afgewezen. Eveneens op 17 mei 2009 is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt de uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 12 juni 2009. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Al-Hamawandi als tolk Koerdisch.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Asielrelaas

Verzoeker heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Een groep islamisten heeft met geweld van verzoeker geëist dat hij zich bij hen aansluit om voor hen te gaan werken. Verzoeker is twee keer door hen ontvoerd en mishandeld. Hij heeft besloten niet met hen te gaan samenwerken. Om zijn leven te redden heeft hij vervolgens Irak verlaten.

3. Standpunten partijen

1. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker binnen 48 procesuren in het aanmeldcentrum (AC) afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Vastgesteld is dat verzoeker bij zijn aanvraag geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute vast te kunnen stellen. Het wordt verzoeker tevens aangerekend dat hij onvoldoende concrete en verifieerbare informatie heeft verstrekt omtrent de reisroute. Daardoor is de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Dat betekent dat van het relaas van verzoeker een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Verweerder stelt dat dit niet het geval is en dat verzoekers asielrelaas niet geloofwaardig wordt geacht. Hiertoe overweegt verweerder - zakelijk weergegeven en voor zover relevant - het volgende. Verzoeker heeft verklaard dat hij twee maal is ontvoerd door een onbekende islamitische groepering, op 1 november 2008 en op 5 januari 2009, om hem te dwingen met hen samen te werken. Er wordt echter geen geloof gehecht aan het door verzoekers te berde gebrachte feitencomplex nu hij op essentiële delen van zijn asielrelaas tegenstrijdige, vage, bevreemdingwekkende en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd. Gezien het bovenstaande komt verzoeker niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, van de Vw 2000.

2. Verzoeker stelt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Ter zitting heeft verzoeker documenten overgelegd ter staving van zijn identiteit en nationaliteit, te weten een nationaliteitsverklaring, een identiteitskaart en een pas van de sportschool. Deze documenten dienen volgens verzoeker te worden meegenomen in onderhavige procedure op grond van artikel 83 van de Vw 2000. Bovendien is verzoeker van mening dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 42, derde lid van de Vw 2000. Verweerder is immers niet op het gestelde in de zienswijze ingegaan, maar heeft volstaan met de opmerking dat de overweging dat de zienswijze niet leidt tot een ander oordeel. Het bestreden besluit is, gezien het bovenstaande, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

3. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de aldaar door verzoeker overgelegde identiteits- en nationaliteitsdocumenten niet bij de beoordeling van het verzoek mogen worden betrokken omdat dit in strijd zou zijn met de goede procesorde. Bovendien blijft overeind dat verzoeker geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn reisroute.

4. Overwegingen

Wettelijk kader

1. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

3. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

4. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar;

5. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

6. Verweerder heeft in paragraaf C14/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) beleidsregels neergelegd over zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen van asielzoekers. Voor die beoordeling is van belang of van omstandigheden als vermeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 sprake is. In dat geval moet van het relaas positieve overtuigingskracht uitgaan en mag het geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden bevatten. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

7. Op grond van artikel 42, derde lid, van de Vw 2000 wordt, indien de aanvraag wordt afgewezen, ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling.

Beoordeling van het verzoek

8.1 Verzoeker stelt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 42, derde lid, van de Vw 2000. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 42, derde lid, van de Vw 2000, verweerder niet ertoe verplicht op iedere in een zienswijze aangevoerde stelling afzonderlijk te reageren. Meer in het bijzonder behoeft in de beschikking niet te worden gereageerd op in de zienswijze opgenomen herhalingen van hetgeen tijdens het nader gehoor is verklaard. Het gaat erom dat uit de beschikking blijkt welke gevolgtrekking verweerder heeft verbonden aan in de zienswijze ingenomen standpunten. De voorzieningenrechter begrijpt de rechtspraak op dit punt aldus dat verweerder, indien in de zienswijze niet alleen een interpretatie wordt gegeven van de door de vreemdeling voorafgaande aan het voornemen verstrekte informatie, maar daaraan tevens iets wezenlijks wordt toegevoegd, daar een inhoudelijk oordeel over dient te geven in het afwijzende besluit. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraken van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 juni 2003 (JV 2003, 361) en van 25 augustus 2003 (JV 2003, 302).

8.2 In de zienswijze van 16 mei 2009 betoogt verzoeker dat verweerder een aantal verklaringen die verzoeker in zijn nader gehoor heeft afgelegd op onjuiste wijze heeft geïnterpreteerd en dat verweerder zijn asielrelaas dientengevolge ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hoewel het zo is dat in de zienswijze voor het eerst door verzoeker stelling wordt genomen op verweerders voornemen, is deze stelling gebaseerd op reeds bekende informatie, zijnde het nader gehoor. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers zienswijze in wezen een herhaling is van wat hij reeds in het nader gehoor heeft verklaard en waarop de staatssecretaris reeds in het voornemen heeft gereageerd. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 42, derde lid, van de Vw 2000.

9. Vervolgens dient de voorzieningenrechter te beoordelen of verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan verzoeker heeft kunnen tegenwerpen. Verweerder heeft verzoeker tegengeworpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn identiteit, nationaliteit en reisroute vast te kunnen stellen. Ter zitting heeft verzoeker een nationaliteitsverklaring, een identiteitskaart en een pas van zijn sportschool overgelegd. Onbetwist blijft dat verzoeker geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn reisverhaal. Verzoeker heeft verklaard dat de reis was geregeld door een reisagent en dat verzoeker nimmer reisdocumenten in zijn bezit heeft gehad. Deze omstandigheden doen echter volgens vaste jurisprudentie van de AbRS niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker de door hem gestelde reisroute, waar mogelijk, met documenten te staven. Verzoeker heeft met betrekking tot zijn reis onder meer verklaard dat hij in Turkije heeft overnacht en dat hij in een lange vrachtwagen heeft gereisd. Verzoeker kon niet vertellen wat de kleur was van de vrachtwagen, wat de naam van de chauffeur was of door welke landen hij heeft gereisd, terwijl wel van hem verwacht mag worden dit te weten. Verzoeker heeft derhalve geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute kunnen geven. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder het ontbreken van documenten ter staving van de reisroute aan verzoeker kunnen toerekenen. Verweerder heeft dan ook het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan verzoeker kunnen tegenwerpen. Het antwoord op de vraag of de door verzoeker ter zitting overgelegde stukken kunnen worden meegenomen in de beoordeling van onderhavige zaak, kan dus in het midden blijven.

10. Vervolgens is aan orde of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat verzoekers asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder dit oordeel heeft doen steunen op - onder meer - het navolgende. Verzoeker heeft wisselende verklaringen afgelegd over zijn leeftijd. Zo heeft hij eerst verklaard te zijn geboren op 10 november 1992, terwijl hij later heeft verklaard te zijn geboren op 10 november 1989. Verzoeker heeft geen antwoord kunnen geven op essentiële vragen, zoals welke beweging hem heeft ontvoerd, wanneer en op welke wijze hij contact met hen diende op te nemen of waaruit de samenwerking zou bestaan. Voorts heeft verzoeker niet duidelijk kunnen maken, waarom de groepering juist met hem wilde samenwerken. Verder heeft hij tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent de reden van zijn ontvoering op 5 januari 2009. Zo verklaarde verzoeker eerst dat hij de tweede keer is ontvoerd omdat hij geen contact had opgenomen met de islamisten, terwijl hij vervolgens verklaarde dat de aangifte van de ontvoering bij de politie de reden is geweest voor zijn ontvoering op 5 januari 2009. Tot slot is niet aannemelijk dat verzoeker tot aan zijn vertrek op ongeveer 23 april 2009 zonder problemen thuis zou hebben gewoond.

11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid gesteld dat de omstandigheden dat verzoeker niet wist welke beweging het precies betrof dat hem ook niet duidelijk was waarom juist hij was geselecteerd bevreemding wekken. De enkele verklaring van verzoeker, dat hem het een en ander niet is meegedeeld doet daar niet aan af, omdat dit juist het bevreemdingwekkende is. Uit de door verzoeker aangehaalde algemene bronnen kan voorts niet worden afgeleid dat religieuze bewegingen in Noord-Irak willekeurig mensen ontvoeren om hen te laten bijdragen aan hun doelstellingen. In dit verband is relevant dat eiser heeft verklaard er geen strenge geloofsovertuiging op na te houden. Ook de omstandigheid dat de beweging eiser twee maal zou hebben ontvoerd om hem tot bepaalde vorm van medewerking te dwingen zonder aan hem mee te delen waaruit die medewerking zou moeten bestaan, heeft verweerder in redelijkheid bevreemdend geacht. Dat verzoeker tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van zijn tweede ontvoering is in beroep niet betwist, evenmin als de tegenstrijdige verklaringen omtrent zijn leeftijd. Tot slot heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid in het nadeel van eiser laten meewegen dat hij na zijn tweede ontvoering nog enkele maanden thuis heeft verbleven en toen, zonder concrete aanleiding, alsnog Irak is ontvlucht. De niet onderbouwde stelling dat er thuis belemmeringen waren om hem te ontvoeren kan de daardoor ontstane twijfel niet wegnemen.

12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de geconstateerde bevreemdende elementen en tegenstrijdigheden in verzoekers verklaringen zelfstandig de conclusie kunnen dragen dat het asielrelaas van verzoeker positieve overtuigingskracht ontbeert en daarom ongeloofwaardig is. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid het relaas ongeloofwaardig bevonden. De overige aan dit standpunt ten grondslag gelegde argumenten en de daartegen ingebrachte gronden kunnen onbesproken blijven.

13. Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak. De voorzieningenrechter beslist dan ook met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk op dat beroep. De voorzieningenrechter verklaart het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker ongegrond. Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang afwijst.

14. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 09 / 17699

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 09 / 17700

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Runne, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: AR

Coll:AS

D: B

VK

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep ter zake van de asielaanvraag bedraagt één week.

De termijn voor het instellen van hoger beroep ter zake van de vrijheidsontnemende maatregel bedraagt eveneens één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.