Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5196

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
299180 - HA ZA 07-3596
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0214, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verhaal kosten ontmanteling onderzeeboten Zwaardvis en Tijgerhaai. Dwaling, schuldeisersverzuim en stelplicht.

Kern van het geschil is of de Staat aanspraak kan maken op vergoeding van de (resterende) kosten die hij heeft moeten maken om tot ontmanteling van de onderzeeboten te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 299180 / HA ZA 07-3596

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Defensie),

zetelend te 's-Gravenhage,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.Th. Bouma,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RDM TECHNOLOGY HOLDING B.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Partijen zullen hierna de Staat en RDM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 augustus 2007;

- de akte tot overlegging producties van 21 november 2007 met 5 producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 3 producties;

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie met 3 producties;

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie met 4 producties;

- de conclusie van dupliek in reconventie met 11 producties;

- de akte houdende uitlating producties;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 12 december 1995 is tussen de Staat als verkoper en RDM als koper een koopovereenkomst gesloten strekkende tot verkoop van twee onderzeeboten van de Zwaardvisklasse, te weten de Tijgerhaai en de Zwaardvis. Deze overeenkomst zal hierna worden aangeduid als "de Overeenkomst", terwijl de Tijgerhaai en de Zwaardvis gezamenlijk zullen worden aangeduid als "de onderzeeboten". In de Overeenkomst is onder meer opgenomen:

"1.2 Furthermore the Netherlands (represented by the Royal Netherlands Navy (RNLN)) will render - on payment - technical support services, training facilities and maintenance of torpedoes on request of the RDM, pending availability of capacity to deliver such services. Conditions of delivery of such services will be arranged in a separate arrangement between the RNLN and the RDM.

(...)

11.1 The RDM may re-sell the Submarines mentioned in paragraph 1.1 only to governments of other countries which - at the discretion of the Netherlands Ministries of Foreign Affairs and Economic Affairs - are considered to be acceptable final destinations in respect of the Dutch armament exportation policy. (...)

11.3 If the RDM does not sell one or more of the Submarines mentioned in paragraph 1.1 before December 31, 2000, that Submarine(s) shall be dismantled and scrapped in accordance with the stipulations of the RNLN. Parties may mutually agree to extend this date if required.

(...)

14.1 This Contract is subject exclusively to Dutch law.

14.2 All disputes related to or arising from this Contract, which cannot be amicably resolved between the parties themselves to the full of their capability, shall be settled by the competent court of The Hague."

2.2. Op 17 oktober 2000 is aan RDM Submarines B.V., een (klein)dochter van RDM, een uitvoervergunning verleend voor de onderzeeboten (met toebehoren) naar Maleisië. De onderzeeboten zijn in het najaar van 2000 naar Maleisië verscheept. In de vergunning was een wederinvoerverplichting opgenomen. De termijn voor wederinvoer is door de Staat herhaaldelijk verlengd, laatstelijk tot 31 december 2004.

2.3. De in artikel 11.3 van de Overeenkomst genoemde termijn van 31 december 2000 is eveneens herhaaldelijk verlengd. In een brief van de advocaat van de Staat aan de toenmalig advocaat van RDM, mr. L. Spigt, van 4 november 2004, is evenwel onder meer opgenomen:

"(...) Beide onderzeeboten zijn in het najaar van 2000 naar een Maleisische marinehaven verscheept en liggen daar nog steeds. Gezien de geruime tijd die inmiddels is verstreken na verkoop en ook na aankomst in Maleisië lijkt verkoop aan een andere staat praktisch uitgesloten. In verband daarmee heeft de Staat besloten desgevraagd niet nogmaals met een nader uitstel in te zullen stemmen, tenzij u kunt aantonen dat verkoop aan een voor de Staat aanvaardbare derde partij op korte termijn te verwachten is. Dit betekent dat beide onderzeeboten zo spoedig mogelijk na 31 december 2004 zullen moeten worden gesloopt in overeenstemming met de voorwaarden zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen.

Gaarne zie ik uw reactie binnen 14 dagen tegemoet. Indien verkoop niet te verwachten is, verzoek ik u te bevestigen dat RDM Technology Holding BV haar verplichtingen wat betreft de sloop van beide onderzeeboten volledig zal nakomen en tot zo spoedig mogelijke sloop over zal gaan."

2.4. Mr. Spigt antwoordde op 22 november 2004 als volgt:

"(...) De heer [A.] deelde mij mede dat hij druk bezig is met de verkoop van de twee onderzeeboten. Hij verwacht binnenkort met meer informatie te kunnen komen, op grond waarvan kan worden aangetoond dat verkoop aan een voor de Staat aanvaardbare derde partij op korte termijn te verwachten is. Uiteraard zal de in de overeenkomst van 12 december 1995 voorgeschreven procedure voor een eventuele verkoop worden gevolgd. (...)"

2.5. In een brief van 31 december 2004 schreef mr. Spigt vervolgens aan de advocaat van de Staat:

"(...) Op dit moment is de heer [A.] in vergevorderde onderhandeling met verschillende landen met betrekking tot een eventuele koop van de twee onderzeeboten. Wij hadden verwacht u vandaag nadere concept stukken (offerte of LOI) met betrekking tot deze onderhandelingen te kunnen tonen. Het zal echter eerst begin volgende week worden dat we u nader kunnen informeren en u de namen van de geïnteresseerde landen kunnen disclosen. (...)"

2.6. Namens RDM berichtte mr. L.C.M. Berger, kantoorgenoot van mr. Spigt, de advocaat van de Staat in een e-mail van 31 december 2004 vervolgens:

"In vervolg op ons eerdere bericht van heden kan ik u meedelen dat de partijen waar thans serieuze onderhandelingen mee gevoerd worden Turkije en Cyprus betreffen."

2.7. De advocaat van de Staat verzocht mr. Spigt op 14 januari 2005 om nadere informatie en schreef vervolgens op 8 maart 2005:

"Na mijn brief van 14 januari jl. heb ik niets meer van u vernomen. Wij gaan er derhalve vanuit dat er van serieuze onderhandelingen over de verkoop van de twee onderzeeboten aan een voor de Staat der Nederlanden aanvaardbare partij geen sprake is. Namens de Staat laat ik u hierbij weten dat met het opnieuw verlengen van de termijn als bedoeld in artikel 11 lid 3 van de overeenkomst van 12 december 1995, na 1 januari 2005, dan ook niet kan worden ingestemd.

Op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 11 lid 3 dient RDM Technology Holding B.V. thans zorg te dragen voor het ontmantelen en slopen van beide onderzeeboten in overeenstemming met de daarvoor binnen Nederland geldende wet- en regelgeving.

Ik verzoek u mij binnen 10 dagen na dagtekening van deze brief te bevestigen dat uw cliënt daarvoor zal zorgdragen en mij binnen 30 dagen na dagtekening van deze brief een plan van aanpak zal voorleggen inhoudende de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij beide onderzeeboten zal ontmantelen en slopen.(...)"

2.8. Mr. Spigt antwoordde op 25 maart 2005:

"(...) Zoals ik u gisteren telefonisch meedeelde is cliënte doende om in de regio waarin de boten zich bevinden, te onderzoeken welke de mogelijkheden tot sloop zijn. Cliënte zegt u toe zich in te spannen om binnen 30 dagen een plan van aanpak aan u te doen voorleggen."

2.9. Op 22 april 2005 zond mr. Spigt de advocaat van de Staat een "uiteenzetting van het plan van aanpak". In dat Plan van aanpak is onder meer opgenomen:

"(...)

4. (...) Zo snel mogelijk na ontvangst van deze offertes, maar in ieder geval binnen 45 dagen na opgave door de Staat der Nederlanden van voldoende aanvaardbare werven, zal cliënte de opdracht tot sloop verlenen aan de uiteindelijk door haar geselecteerde werf.

Middels dit plan van aanpak heeft de Staat der Nederlanden de mogelijkheid om niet aanvaardbare werven af te wijzen, maar behoudt cliënte een onderhandelingspositie ten opzichte van de werven.

De door de Maleisische werf in rekening gebrachte kosten zullen volgens verwachting van cliënte kunnen worden voldaan uit de middels de sloop te genereren opbrengsten."

2.10. Op 29 april 2005 berichtte de advocaat van de Staat aan mr. Spigt dat "de sloop moet geschieden overeenkomstig de richtlijnen van IMO: 'Guidelines on Ship Recycling'". In zijn brief is voorts opgenomen:

"Voorts wijs ik erop dat de onderzeeboten en alle onderdelen daarvan moeten worden verschroot omdat het stategische goederen betreft. Wapensystemen, motoren en andere onderdelen mogen dus als zodanig niet afzonderlijk worden verkocht."

2.11. Bij een e-mail aan rdmtec2@attglobal.net van 5 mei 2005 was gevoegd een "Draft Preliminary agreement" dat betrekking heeft op een voorgenomen verkoop van de onderzeeboten door RDM aan Indonesië. Voorts was bij dat bericht een brief gevoegd van de "president" van RDM Technology Holding BV, [A.] aan de opperbevelhebber van de Indonesische marine. Deze brief, die in de aan de rechtbank overgelegde versie niet is ondertekend, was eveneens gedateerd 5 mei 2005. In de brief is onder meer de volgende passage opgenomen:

"In our proposal we have taken into account the support of the Royal Netherlands Navy (...). We have discussed this proposal at an earlier stage with the RNLN and they have initially reacted then in a positive way. However, for the moment we have to make a reservation for their support until agreement between RDMTH, the IN and RNLN has been reached.(...)."

2.12. Op 5 juli 2005 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de advocaat van de Staat enerzijds en [A.] en mr. Spigt anderzijds.

2.13. In een vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 17 augustus 2005, gewezen tussen de Staat als eiser en RDM als gedaagde, is RDM onder meer veroordeeld "ervoor te zorgen dat vóór 1 oktober 2005 een aanvang is gemaakt met de ontmanteling en sloop van de onderzeeboten overeenkomstig de door de Koninklijke Marine gestelde voorschriften". RDM heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, dat is geroyeerd na het sluiten van de hierna te bespreken overeenkomst van 17 maart 2006. In de door de advocaten van RDM bij dit kort geding gehanteerde pleitnota zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

"(...)

18. RDM is wel bereid tot ontmanteling en sloop over te gaan, zij heeft zich daartoe immers verbonden. Er dient echter wel duidelijkheid te bestaan over de voorwaarden van ontmanteling en sloop. Pas aan de hand van die voorwaarden, kan RDM immers een sloopwerf verzoeken een offerte uit te brengen.

(...)

29. (...) Daarbij zij opgemerkt dat RDM nog altijd serieuze onderhandelingen voert met landen die door de Staat worden geaccepteerd als exportlanden voor militair strategisch materieel.

(...)."

2.14. In een brief van 17 maart 2006 van de advocaat van de Staat aan mr. Berger is onder meer opgenomen:

"2. De lijst van strategische en niet-strategische goederen die ik u op 2 juni 2005 heb toegezonden blijven ongewijzigd. Zekerheidshalve sluit ik beide lijsten nogmaals bij.

(...)

5. De Staat is onherroepelijk gemachtigd tot verkoop van de onderdelen en het schroot materiaal en kan zich verhalen op de opbrengst daarvan. De Staat zal op zijn beurt de verkoop via de Werf laten lopen. Een eventuele meeropbrengst komt ten goede aan uw cliënte. Voor een eventueel te kort heeft de Staat een vordering op RDM-T Holding. Zie hieronder sub 9.

Ik ben mij ervan bewust dat uw cliënte de door de Staat gepretendeerde vordering nog niet als zodanig heeft erkend. Zulks geldt zowel voor de omvang van de claim als voor de afzonderlijke posten. In het kader van een praktische en tijdelijke oplossing gaat uw cliënte akkoord met de sloop en de verkoop van de onderdelen zonder dat de verdeling van de kosten en de opbrengst daarmee tussen partijen definitief is komen vast te staan. Onzerzijds wordt niet langer de in mijn brief van 14 februari jl. genoemde bankgarantie geëist.

(...)

9. Ik ben doende een lijst van kosten op te stellen. Telefonisch heb ik u reeds meegedeeld dat het hier onder meer betreft:

1. De kosten van de afkoop van de PSC-werf te Lumut. In totaal 4,76 miljoen Maleisische Ringgit (1 RM is circa € 0,23).

2. Liggelden PCS-werf te Lumut sinds december 2005 gedurende de eerste twee maanden circa RM 191.000 en vanaf 1 februari RM 100.000,-.

4. Reparatie circa RM 18.000,-.

5. Inhuur expertise op locatie in januari circa € 1.500,--.

6. Kosten van toezicht april, mei, juni nog te spreken doch voorlopig geschat op € 15.000,-- à € 25.000,-- exclusief reis- en verblijfkosten.

7. Kosten ontmanteling sloop en management etc. nog niet bekend (tender).

8. Advocatenkosten tot 1 maart 2006 zal ik u nog doen toekomen. Daarna pm.

10. Ik trek het kort geding van 15 maart a.s. in en u zult te eerst dienenden dage meewerken aan royement van het appel van het eerdere kort geding. (...)."

2.15. Mr. Berger antwoordde op 20 maart 2006:

"Bij deze bevestig ik dat hetgeen door partijen is overeengekomen juist is weergegeven in uw brief van 17 maart 2006.

(...)."

2.16. De Staat is in 2006 tot ontmanteling van de onderzeeboten en verkoop en verschroting van de onderdelen daarvan over gegaan.

2.17. In een verklaring van 29 september 2008 van [betrokkene B.] is onder meer opgenomen:

"(...) In het voorjaar van 2005 was ik betrokken bij de transactie/verkoop van twee onderzeeboten, welke RDM Technology Holding B.V. heeft verkocht aan Indonesië. Toentertijd trad ik op als verkoopagent van RDM TH in verband met deze verkoop.

(...) Genoemde contacten hebben ertoe geleid dat uiteindelijk in juni 2005 in het bijzijn van de Vice-President van Indonesië, Jusuf Kalla en een delegatie van het parlement van Indonesië gezamenlijk met mij en de heer [A.] de afspraak is gemaakt over de verkoop van de twee onderzeeboten aan Indonesië, elk voor een prijs van US Dollar 20 miljoen. Na deze overeenstemming te hebben bereikt, hebben wij ons diezelfde dag gezamenlijk (...) naar de Nederlandse Ambassade te Jakarta begeven en hebben verslag gedaan bij de Nederlandse ambassadeur.

(...)

Nadien, ik weet niet meer precies op welk moment doch geruime tijd later, ik schat eind 2006 of begin 2007, heb ik van een parlementslid van Indonesië, die ook bij het gesprek met de Vice President Kalla aanwezig was, vernomen dat de Nederlandse Staat reeds geruime daarvoor een negatief advies had gegeven aan Indonesië om de onderzeeboten te kopen. Ik kan mij goed herinneren dat dit gesprek in het Marriott Hotel in Jakarta heeft plaatsgevonden. Er is meegedeeld dat de onderzeeboten oude troep waren (de Staat heeft letterlijk het woord schroot - scrap - gebruikt) en de Nederlandse Staat geen ondersteuning zou verlenen bij een eventuele afname door Indonesië van de onderzeeboten, noch training, opleiding en onderhoud zou verstrekken. (...) Uit de opmerkingen van het betreffende parlementslid werd volkomen duidelijk dat de Staat der Nederlanden zich actief bemoeid had met het frustreren van de verkoop van de onderzeeboten en dat dat de enige reden was voor Indonesie om de gemaakte koopovereenkomst niet uit te voeren.

(...)".

2.18. In een "aanvullende verklaring" van 2 juni 2009 van [B.] is onder meer opgenomen:

"(...) Inmiddels heb ik weer contact gehad met de Indonesische autoriteiten. Genoemde Indonesische autoriteiten zijn voornemens zelf schriftelijke verklaringen af te leggen terzake van de aankoop van de 2 onderzeeboten van RDMTH door Indonesië, alsmede zullen zij in de verklaring bevestigen dat van de zijde van de Staat der Nederlanden bij monde van haar vertegenwoordigers zoals de Militair Attaché betreffende de verkoop van genoemde onderzeeboten aan Indonesië een negatief advies is gegeven, de onderzeeboten door deze vertegenwoordigers als 'scrap' zijn betiteld.

Deze Indonesische autoriteiten zijn zowel vertegenwoordigers uit de Indonesische politiek als vertegenwoordigers van de Indonesische Marine welke bereid zijn deze verklaringen schriftelijk af te leggen."

3.De vordering in conventie

3.1. De Staat vordert dat RDM bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 1.399.576,41, te vermeerderen met € 185.174,68 aan kosten voor juridische advisering, alsmede te vermeerderen met wettelijke rente, proceskosten en nakosten.

3.2. Aan die vordering legt de Staat, samengevat weergegeven, ten grondslag dat op RDM de verplichting rustte de onderzeeboten bij uitblijvende verkoop aan een voor de Staat aanvaardbare partij, te slopen. Toen RDM daarmee in gebreke bleef was de Staat genoodzaakt zelf activiteiten strekkende tot sloop van de onderzeeboten te ondernemen. Partijen hebben daarover nadere afspraken gemaakt die zijn neergelegd in de brief van de advocaat van de Staat van 17 maart 2006. Na verhaal op de opbrengst van de (onderdelen van de) onderzeeboten resteert voor de Staat de post van € 1.399.576,41 aan kosten, welke kosten door RDM dienen te worden gedragen.

3.3. RDM voert gemotiveerd verweer. Op stellingen en weren van partijen wordt hierna - waar nodig - nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. RDM vordert dat de Staat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tot betaling van door RDM geleden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente en te vermeerderen met de kosten van het geding.

4.2. Aan die vordering legt zij - samengevat weergegeven - ten grondslag dat de Staat de verkoop van de onderzeeboten aan Indonesië op onrechtmatige wijze heeft gefrustreerd. Dit heeft er uiteindelijk onnodig toe geleid dat de onderzeeboten dienden te worden gesloopt. De Staat heeft daarmee zelf gehandeld in strijd met de verplichtingen uit de Overeenkomst. RDM is daardoor opbrengsten misgelopen. Haar schade dient door de Staat te worden gedragen.

4.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. Op stellingen en weren van partijen wordt hierna - waar nodig - nader ingegaan.

5. De beoordeling

Inleidende overweging

5.1. Tijdens het pleidooi op 8 juni 2009 is door de advocaat van RDM uitvoerig ingegaan op "een lange reeks van geschillen die sedert 1991 zijn ontstaan en deels nog voortduren tussen de Staat enerzijds en het RDM concern en haar bestuurder, de heer [A.] anderzijds." Hij heeft aan zijn weergave van die reeks van geschillen de conclusie verbonden dat de Staat zich (ook) met betrekking tot de thans in het geding zijnde kwestie heeft laten leiden door onzuivere motieven en zijn wens met [A.] op geen enkele wijze nog zaken te doen. Waar dit betoog is uitgemond of zijn weerslag vindt in een concreet verweer met betrekking tot de vordering van de Staat of in een concrete grondslag voor de vordering van RDM, zal de rechtbank dat concrete verweer of die concrete grondslag hieronder beoordelen. Voor zover het betoog niet is uitgemond of zijn weerslag heeft gevonden in een concreet verweer of een concrete grondslag zal de rechtbank het onbesproken laten omdat het dan voor deze zaak niet relevant is. Voor de conclusie dat de Staat in meer algemene zin de bedrijfsvoering van het RDM concern en haar bestuurder [A.] frustreert zijn in het betoog ter zitting onvoldoende aanwijzingen te vinden.

in conventie

Grondslag(en) van de vordering

5.2. Kern van het geschil is of de Staat aanspraak kan maken op vergoeding van de (resterende) kosten die hij heeft moeten maken om tot ontmanteling van de onderzeeboten te komen. De Staat beantwoordt die vraag bevestigend op grond van enerzijds de Overeenkomst als zodanig en anderzijds de overeenkomst die is neergelegd in de brief van zijn advocaat van 17 maart 2006 en die hierna zal worden aangeduid als "de nadere overeenkomst".

5.3. De rechtbank is van oordeel dat in elk geval de nadere overeenkomst een grondslag voor het verhaal van de door de Staat gemaakte kosten biedt. Meer specifiek volgt dit uit paragraaf 5 van de nadere overeenkomst, waarin niet alleen met zoveel woorden is bepaald dat de Staat zich kan verhalen op de opbrengst van de (onderdelen van de) onderzeeboten, maar ook dat de Staat voor een eventueel tekort een vordering op RDM heeft. Op een dergelijk tekort ziet onderhavige vordering.

5.4. RDM heeft er terecht op gewezen dat in de nadere overeenkomst ook is opgenomen dat RDM de door de Staat "gepretendeerde vordering nog niet als zodanig heeft erkend." In het licht evenwel van de daarop volgende zin dat dit geldt voor de "omvang van de claim als voor de afzonderlijke posten" moet met de Staat worden geoordeeld dat het opgenomen voorbehoud niet de rechtsgrond van de vordering betrof, maar slechts de hoogte daarvan. Slechts die uitleg sluit ook aan bij het gegeven dat deze nadere overeenkomst tot stand is gekomen ter vermijding van een kort geding waarin de Staat vorderde te worden gemachtigd over te gaan tot verkoop van het sloopmateriaal en sluit voorts aan bij het gegeven dat RDM in deze procedure niet heeft betoogd dat de Staat zich ten onrechte voor een belangrijk deel van de door hem gemaakte kosten reeds heeft verhaald op de opbrengst van de verkoop van de onderdelen van de onderzeeboten. Dat brengt mee dat moet worden geconcludeerd dat het voorbehoud in de nadere overeenkomst slechts zag op de hoogte van de vordering en de posten waaruit die is opgebouwd. Juist bij de hoogte van de vordering en bij de posten waaruit die is opgebouwd heeft RDM in dit geding geen enkele kanttekening geplaatst, behalve voor zover het de kosten van de werf in Maleisië betreft. Het daarop betrekking hebbende verweer zal hieronder afzonderlijk worden besproken.

5.5. Het bovenstaande brengt mee dat de Staat in beginsel in elk geval uit hoofde van de nadere overeenkomst aanspraak kan maken op vergoeding van de (resterende) kosten van ontmanteling van de onderzeeboten.

Dwaling

5.6. Met betrekking tot de nadere overeenkomst heeft RDM betoogd dat die onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Aan dat betoog legt zij ten grondslag dat zij ten tijde van het sluiten van die overeenkomst er niet van op de hoogte was dat de doorgang van de verkoop van de onderzeeboten aan Indonesië door het optreden van de Staat was geblokkeerd. Dit betoog kan slechts slagen indien zou moeten worden aangenomen dat er niet alleen sprake was van een verkoop van de onderzeeboten aan Indonesië, maar ook van handelen van de Staat als door RDM gesteld en indien tot slot zou moeten worden aangenomen dat door het gestelde handelen van de Staat de koopovereenkomst niet is uitgevoerd. In elk geval voor die laatste conclusie heeft RDM tegenover de betwisting van de Staat onvoldoende feiten gesteld. In het bijzonder heeft zij niet gesteld dat zij bij de Indonesische overheid navraag heeft gedaan naar de redenen van het niet uitvoeren van de gestelde verkoopovereenkomst. Het feit dat, zoals ter zitting door RDM is gesteld, het dagvaarden van de overheid in Indonesië minder voor de hand ligt dan in Nederland, is daarvoor - ook als dat juist is - een onvoldoende rechtvaardiging. Van RDM had mogen worden verwacht dat zij, wanneer zij betoogt dat het afketsen van een overeenkomst met een gestelde waarde van $ 60 mln veroorzaakt is door de Staat, daarnaar ten tijde van dat afketsen bij de Indonesische overheid ten minste navraag had gedaan. Nu zij haar betoog dat de overeenkomst door het handelen van de Staat niet is doorgegaan niet van een voldoende feitelijke onderbouwing heeft voorzien kan ook niet worden geconcludeerd dat zij de nadere overeenkomst onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken heeft gesloten. De schriftelijke verklaringen van [betrokkene B.] maken dit niet anders nu zij juist op dit onderdeel onvoldoende concreet zijn. Het beroep op dwaling faalt dus, terwijl aan het bewijsaanbod - bij gebreke van voldoende gestelde te bewijzen feiten - voorbij moet worden gegaan.

5.7. Het bovenstaande brengt mee dat het beroep op dwaling faalt, zodat RDM ten onrechte de vernietigbaarheid van de nadere overeenkomst heeft ingeroepen. Daarmee staat vast dat RDM gehouden is aan de nadere overeenkomst.

Schuldeisersverzuim

5.8. RDM heeft aangevoerd dat de Staat zelf in verzuim verkeerde zodat niet kan worden aangenomen dat RDM in verzuim was met de nakoming van haar verplichting tot ontmanteling van de onderzeeboten over te gaan. Haar grondslag voor dat betoog is tweeledig. In de eerste plaats voert RDM aan dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 1.2 van de Overeenkomst door aan Indonesië kenbaar te maken geen assistentie te zullen verlenen bij het opleiden van het marinepersoneel en het onderhoud van de onderzeeboten. In de tweede plaats voert zij aan dat de Staat op 8 maart 2005 een nader uitstel voor ontmanteling van de onderzeeboten niet had mogen weigeren en aan die weigering later in dat jaar niet had mogen vasthouden. Dit betoog heeft in beide onderdelen betrekking op verplichtingen die de Staat volgens RDM op grond van de Overeenkomst had. Nu de vordering van de Staat in elk geval (ook) op de nadere overeenkomst kan worden gebaseerd is niet relevant of de Staat al dan niet met de nakoming van zijn verplichtingen uit de Overeenkomst in verzuim was. Een dergelijk verzuim raakt immers slechts de vraag of RDM op haar beurt in verzuim kon komen met de nakoming van haar verplichtingen uit de Overeenkomst, en aldus de vraag of de Staat vervolgens de ontmanteling van de onderzeeboten in haar plaats kon doen uitvoeren en de Staat RDM uit hoofde van wanprestatie voor de door hem geleden schade kon aanspreken, maar raakt niet de rechten en verplichtingen die partijen in de nadere overeenkomst hebben vastgesteld.

De voorwaarden van de sloop; misbruik van bevoegdheid

5.9. RDM heeft betoogd dat de Staat ten onrechte stringentere voorwaarden ten aanzien van de sloop van de onderzeeboten heeft gesteld dan oorspronkelijk overeengekomen, met name ten aanzien van de vraag welke onderdelen strategisch en welke onderdelen niet-strategisch waren. Zij heeft aangevoerd dat de Staat hiermee misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt. Voorts heeft zij tijdens het pleidooi op 8 juni 2009 gesteld dat deze opstelling van de Staat meebrengt dat niet langer kan worden geoordeeld dat uit de Overeenkomst voortvloeit dat RDM de kosten van de ontmanteling van de onderzeeboten dient te dragen. Dat betoog faalt in beide onderdelen reeds op de grond dat de nadere overeenkomst een afspraak over die voorwaarden bevat en daarmee moet worden geconcludeerd dat RDM op 20 maart 2006 met die voorwaarden heeft ingestemd.

De kosten van afkoop van de werf te Lumut

5.10. RDM heeft aangevoerd dat de Staat in elk geval geen aanspraak kan maken op de kosten die hij heeft gemaakt om de werf in Lumut, die zich op haar retentierecht beriep, af te kopen. Zij heeft in dit verband naar voren gebracht dat de opdracht aan de werf door RDM Submarines niet door haar is gegeven, zodat de vordering van de werf ook een vordering op RDM Submarines was en niet een vordering op haar. De Staat heeft van de werf dan ook een vordering op RDM Submarines en niet een vordering op haar verkregen, aldus RDM. De rechtbank volgt RDM niet in dit verweer nu in paragraaf 9 van de nadere overeenkomst de kosten van afkoop van de werf met zoveel woorden zijn genoemd. In paragraaf 5 van de nadere overeenkomst is in het kader van de daar geformuleerde vordering die de Staat op RDM zou verkrijgen bij een tekort ten aanzien van de door de Staat te maken kosten, verwezen naar paragraaf 9. Door in te stemmen met de nadere overeenkomst heeft RDM dan ook geaccepteerd dat de kosten van de werf in de vordering van de Staat op haar zouden worden meegenomen. Nu RDM niet heeft weersproken dát de Staat de gestelde kosten voor afkoop van de werf heeft moeten maken en zij daarmee het bestaan van die post heeft erkend kan ook niet worden geoordeeld dat zij zich kan beroepen op de zinsnede in de nadere overeenkomst met betrekking tot het voorbehoud voor de "omvang van de claim als voor de afzonderlijke posten". De rechtbank neemt daarbij opnieuw in aanmerking dat de nadere overeenkomst tot stand is gekomen in het kader van de onderhandelingen over (de intrekking van) een kort geding waarin de Staat vorderde te worden gemachtigd over te gaan tot verkoop van het sloopmateriaal en daarmee te worden gemachtigd de door hem gestelde kosten ten laste van de opbrengst van dat sloopmateriaal te brengen. Dat partijen bij die onderhandelingen niet mede het oog hadden op de kosten van de afkoop van de werf verhoudt zich niet tot het gegeven dat die post in paragraaf 9 van de nadere overeenkomst is opgenomen.

Redelijkheid en billijkheid

5.11. RDM heeft betoogd dat het in strijd zou zijn met (de strekking van) de Overeenkomst, de bedoeling van partijen en de redelijkheid en billijkheid om een negatieve opbrengst bij de sloop van de onderzeeboten voor rekening van RDM te laten komen. Dit betoog stuit af op hetgeen hierboven met betrekking tot de nadere overeenkomst is overwogen, nu RDM in die nadere overeenkomst heeft ingestemd met een ontmanteling waarbij de Staat voor resterende kosten een vordering op RDM zou hebben. Voor de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden die dit anders maken en die de nadere overeenkomst raken zijn onvoldoende feiten gesteld.

Conclusie

5.12. Het bovenstaande brengt mee dat de vordering van de Staat slaagt. Nu RDM geen opmerkingen heeft geplaatst bij de hoogte daarvan, zal de vordering in volle omvang worden toegewezen.

5.13. RDM zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

in reconventie

5.14. RDM heeft haar verweer in conventie doen uitmonden in een vordering in reconventie die ertoe strekt dat aan RDM de schade wordt vergoed die zij lijdt doordat de verkoop van de onderzeeboten aan Indonesië niet is doorgegaan. Haar gestelde schade bestaat uit de misgelopen koopsom, gederfde winst voor nieuwe versies van de onderzeeboten en misgelopen onderhoudscontracten, althans subsidiair de opbrengst op de militair niet strategische onderdelen inclusief de "plotseling door de Staat ten onrechte als militair strategisch aangeduide onderdelen, na aftrek van kosten door RDM terzake." Die vordering is blijkens de toelichting ter zitting van 8 juni 2009 primair gebaseerd op drie gestelde tekortkomingen van de Staat onder de Overeenkomst enerzijds en op een door de Staat gepleegde onrechtmatige daad anderzijds. Subsidiair is de vordering daarop gebaseerd dat de Staat uit hoofde van een gepleegde rechtmatige overheidsdaad de schade moet vergoeden die RDM lijdt doordat de Staat de voorwaarden waaronder de sloop van de onderzeeboten diende plaats te vinden, heeft gewijzigd.

5.15. De vordering in reconventie neemt, gelet op de gestelde schade, primair tot uitgangspunt dat de verkoop van de onderzeeboten aan Indonesië niet is doorgegaan door de gestelde tekortkomingen en het onrechtmatig handelen van de Staat. In conventie is bij bespreking van het beroep op dwaling overwogen dat RDM voor die conclusie onvoldoende feiten heeft aangedragen. Datzelfde geldt op dezelfde gronden in reconventie. Dat geldt niet alleen voor de gestelde tekortkoming van de Staat met betrekking tot het bepaalde in artikel 1.2 van de Overeenkomst, maar ook met betrekking tot de weigering van de Staat nader uitstel voor ontmanteling van de onderzeeboten te verlenen. Nu uit de door RDM gestelde feiten niet kan worden afgeleid wanneer en op welke gronden Indonesië heeft besloten de gestelde overeenkomst niet na te komen, kan immers evenmin daaruit worden afgeleid dat de weigering tot nader uitstel van de Staat bij die beslissing enige rol heeft gespeeld. Ook voor de conclusie dat het gestelde tekortkomen of het onrechtmatige handelen van de Staat bij de beslissing van de Indonesische autoriteiten enige rol heeft gespeeld zijn, zoals in conventie reeds overwogen en in het licht van het feit dat RDM daarnaar geen navraag bij de Indonesische autoriteiten heeft gedaan, onvoldoende feiten gesteld. Van enig verband tussen dat gestelde handelen en de door RDM gestelde schade is zodoende niet gebleken. Een nader onderzoek naar de vraag of sprake was van een overeenkomst met Indonesië en de vraag of de Staat is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld, kan dan achterwege blijven.

5.16. Voor zover de vordering in reconventie mede is gestoeld op het betoog over de voorwaarden waaronder de ontmanteling van de onderzeeboten heeft plaatsgevonden heeft, zoals eveneens in conventie al is overwogen, te gelden dat RDM met die voorwaarden in de nadere overeenkomst heeft ingestemd.

5.17. De vordering in reconventie stuit in de primaire grondslag daarop reeds af en aan nadere bewijslevering wordt niet toegekomen.

5.18. Subsidiair heeft RDM betoogd dat de Staat op grond van het leerstuk van schadecompensatie op grond van rechtmatige overheidsdaad gehouden is de schade te vergoeden die RDM lijdt als gevolg van het feit dat de Staat tot aanpassing is gekomen van de voorwaarden waaronder de sloop diende plaats te vinden. Zoals in conventie is overwogen stuit het verweer van RDM met betrekking tot die voorwaarden af op grond van het feit dat zij met die voorwaarden in de nadere overeenkomst heeft ingestemd. Voor de conclusie dat de Staat niettemin tot vergoeding van de schade gehouden is op grond van een gepleegde rechtmatige overheidsdaad - wat er verder van die grondslag in dit verband ook zij - heeft RDM in het licht van haar eigen instemming met die voorwaarden onvoldoende feiten gesteld.

5.19. RDM zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie:

- veroordeelt RDM tot betaling aan de Staat van € 1.399.576,41, te vermeerderen met € 185.174,68 en met de wettelijke rente over beide bedragen vanaf 1 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt RDM in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat begroot op € 4.831,31 aan verschotten en € 12.844,- aan salaris van de advocaat, te vermeerderen met de nakosten van € 131,- dan wel, indien betekening van het vonnis dient plaats te vinden, € 199,-, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt RDM in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat begroot op € 6.422,- aan salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 dagen na dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik, mr. J.J. van der Helm en mr. A.J.J.M Weijnen en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2009.