Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5015

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
322919 - HA ZA 08-3550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvaring schip met brug. Aansprakelijkheid Staat als brugbeheerder? Aansprakelijkheid schip? artikel 8:546 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 322919 / HA ZA 08-3550

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

GUIDO BUCK SCHIFFAHRTS GMBH&CO KG MV "Simon B",

gevestigd te Cuxhaven, Duitsland,

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

TREXX INSURANCE COMPANY LIMITED,

gevestigd te Douglas, Isle of Man;

3. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

MITSUI SUMITOMO INSURANCE CO. LTD.,

gevestigd te Tokio, Japan,

4. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

NEMI FORSIKRING AS,

gevestigd te Bergen, Noorwegen,

5. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

ASSICURAZIONI GENERALI UK BRANCH,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

6. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

WARTA INSURANCE AND REINSURANCE COMPANY SA,

gevestigd te Warschau, Polen

eiseressen,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.C.M. Prasing- Remmé.

Partijen zullen hierna (in enkelvoud) Guido Buck en de Staat genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 oktober 2008 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 25 maart 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 22 juli 2009 met de daarin genoemde stukken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Eiseres sub 1 is eigenaresse van het schip Simon B, varende onder de vlag van Antigua & Barbuda. Eiseressen sub 2 tot en met 6 zijn cascoverzekeraars van de Simon B.

Op 2 juni 2006 heeft een aanvaring van de Simon B met de Spijkenissebrug plaatsgevonden. De Staat is beheerder van de Spijkenissebrug. De Spijkenissebrug werd ten tijde van het ongeval op afstand bediend vanuit de verkeersmanagementcentrale Zuid West Nederland te Rhoon.

Op de Simon B was ten tijde van het ongeval een loods aan boord. Zowel de bemanningsleden als de loods hebben schriftelijke verklaringen over de toedracht van het ongeval opgesteld. In de op 3 juni 2006 gedateerde verklaring van de kapitein van de Simon B, [kapitein], is onder meer opgenomen:

"(...) 18. While passing the High Voltage Power Cables the Pilot changed the VHF which was set on channel 04 to channel 18 and reported SIMON B to the Spijkenisserbrug. The conversation was in Dutch. Although I do not speak Dutch I understood that the Spijenisserbridge confirmed the opening of the bridge.

(...)

20. About 300 meters before we passed the measuring pole of the bridge on starboard (indicating the available bridge clearance) the Pilot called the bridge for the second time. The second call to the bridge was also in Dutch. The reply again seemed positive. The pilot asked me to reduce speed to slow ahead.

(...)

22. I could now see the bridge. First I only saw red lights on both sides and noted traffic on the bridge. Soon thereafter I also saw a green light indicating that the bridge would soon open. Traffic on the bridge stopped and the barriers on the bridge closed which I mentioned to the Pilot.

23. Contrary to previous indications given by the bridge and contrary to our expectations the bridge did not open. No information was given by the bridge reason why the Pilot called the bridge for the third time. I understood that the bridge now suddenly replied that it would not yet open.

(...)"

Een naar inhoud gelijkluidende verklaring heeft de kapitein op 2 juni 2006 afgelegd ten overstaan van de verbalisanten [verbalisant A.] en [verbalisant B.], die deze verklaring op 31 oktober 2006 hebben neergelegd in een proces-verbaal.

In de loodsverklaring, op 5 juni 2006 opgesteld door de loods die ten tijde van het ongeval aan boord van de Simon B was, [loods], is onder meer opgenomen:

"(...) Ter hoogte van de hoogspanningskabels benedenstrooms het Delta Ziekenhuis hebben we een voormelding gedaan aan de Spijkenisserbrug, met het verzoek om een opening. De Spijkenisserbrug kwam terug met het verzoek nogmaals te melden 500 meter bovenstrooms de voorhoogteschaal voor de Spijkenisserbrug. (...) De tweede melding aan de Spijkenisserbrug werd gegeven ca 400 meter bovenstrooms genoemde voorhoogteschaal. De Spijkenisserbrug antwoordde dat hij eraan zou beginnen. Ter hoogte van de 04 boei werd goed overzicht verkregen op de gehele Spijkenisserbrug, de lichten stonden op rood boven groen en even later zagen we dat het wegverkeer was gestopt. (...) Tussen de 04 en de 02 boei de Spijkenisserbrug opgeroepen met de vraag of die nog open zou gaan en de vaart verder teruggebracht. Nu antwoordde de Spijkenisserbrug dat er een storing was opgetreden en dat de brug niet open zou gaan. De grondvaart bedroeg op dat moment ca 7 knopen. Aan sector Oude Maas gemeld dat we de Simon B zouden afstoppen. Dit zo goed mogelijk proberen te doen.. (...)"

In een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige A.] ten overstaan van de verbalisanten [verbalisant B.] en [verbalisant A.] van 20 september 2006, is onder meer opgenomen:

"Op vrijdag 2 juni 2006, bevond ik mijn in de functie van brugwachter op de Spijkenisserbrug. (...) Omstreeks 14.25 uur die dag melde het zeeschip de "Simon B" zich op marifoon kanaal 18, met het verzoek de brug voor hem te laten draaien. De "Simon B" was afvarend op de Oude Maas met bestemming zee. Hij deelde mij tevens mede dat hij zich onder de hoogspanning bevond. Ik heb de oproep beantwoord en gevraagd of de "Simon B" zich 500 meter boven de voorhoogteschaal zich weer wilde melden. Ik hoorde dat de "Simon B" daaraan wilde voldoen. Toen ik enige tijd later op mijn camera schermen keek zag ik dat twee schepen zich net boven de voorhoogteschaal bevonden. Ik heb hierop de "Simon B" wederom opgeroepen met de vraag of hij zich bij de voorhoogteschaal bevond. Ik heb deze oproep drie keer moeten herhalen, voor ik antwoord kreeg. Ik heb hem toen meegedeeld dat ik direct de opening zou gaan draaien en heb de scheepvaartseinen op rood/groen gezet. Hierop heb ik direct de openings proceduren in gang gezet. Toen de landverkeerseinen gingen branden kreeg ik een storings melding die ik direct wegklikte, omdat die soms van invloed kunnen zijn op het openen van de brug. Soms wordt hierdoor de openings procedure onderbroken en niet afgemaakt. Toen de slagbomen omstreeks 14.37 uur gesloten waren, kreeg ik een storings melding. Ik heb hierop onmiddellijk de "Simon B" opgeroepen met de mededeling dat ik een storing aan de brug had en de brug niet kon openen. De "Simon B" vroeg mij hierop of ik enig idee had hoelang het ging duren. Ik heb hierop geantwoord dat de storingsbrugwachter onderweg was en deze in 15 minuten op de brug zou kunnen zijn. (...)"

In een op 14 april 2008 opgetekende verklaring van [Manager Operations] is onder meer opgenomen:

"(...) In december 2001 heb ik bij het Nederland Loodswezen de bestuursfunctie Manager Operations aanvaard. Die functie bekleed ik nu nog steeds. Naast mijn bestuursfunctie vaar ik ook nog als Registerloods.

(...)

Voor zover mij bekend is, draaide de Spijkenissebrug reeds sinds maart 2005 proef met bediening op afstand. In de eerste periode stond een brugwachter nog stand-by op de Spijkenissebrug. Daarna werd de Spijkenissebrug definitief op afstand bediend, zonder een brugwachter stand-by.

Nadat de brug definitief onbemand was en van afstand werd bediend (de exacte datum is mij overigens niet bekend) namen de klachten over de Spijkenissebrug toe. Toen de Spijkenissebrug nog werd bemand door een brugwachter waren er geen klachten over de brug.

De klachten betreffen voornamelijk de slechte bediening van de brug en de slechte communicatie met de operators van de Verkeerscentrale Zuidwest Nederland in Rhoon. Vanuit dit centrum wordt de Spijkenissebrug bediend.

(...)

Ik ben bekend met drie zogenaame 'near-mis'situaties en één aanvaring, alle in rechtstreeks verband staande met de slechte communicatie vóór het incident met de SIMON B.

(...)"

Op grond van artikel 9 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) is namens Guido Buck een bedrag van € 200.000,- als borgsom aan de Staat betaald. De schade aan de Spijkenissebrug bedroeg € 84.234,18, welk bedrag door de Staat op de voet van artikel 9 lid 3 Wbr is ingehouden op het bedrag van € 200.000,- dat voor het overige op 17 januari 2008 is terugbetaald.

De vordering

Guido Buck vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Guido Buck niet aansprakelijk is voor de schade aan de Spijkenissebrug. Voorts vordert zij dat de Staat wordt veroordeeld aan Guido Buck terug te betalen een bedrag van € 84.234,18, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 juni 2007 en dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 121.083,45en $ 372,80 aan herstelkosten van de Simon B en € 31.004,50 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander onder veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

Aan die vordering legt zij, samengevat weergegeven, ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld nu de Spijkenissebrug niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

De Staat voert gemotiveerd verweer. Op stellingen en weren van partijen wordt hierna, waar nodig, nader ingegaan.

De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Staat zijn zetel heeft te 's-Gravenhage, komt de rechtbank rechtsmacht toe te oordelen over dit geschil met partijen die zijn gevestigd in verschillende landen.

Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt een vordering uit onrechtmatige daad, behoudens rechtskeuze, in beginsel beheerst door het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden. Met partijen neemt de rechtbank dan ook tot uitgangspunt dat op deze zaak, waaraan Guido Buck een onrechtmatig handelen van de Staat ten grondslag legt, Nederlands recht van toepassing is.

De schade aan de Simon B

De vordering strekt er in de eerste plaats toe dat de Staat aan Guido Buck vergoedt de schade die zij heeft geleden door de beschadiging van de Simon B. Aan die vordering legt Guido Buck ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

Artikel 6.26 lid 4 van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) luidt:

"Voor het doorvaren van de doorvaartopening van een beweegbare brug kunnen tekens worden getoond aan weerszijden van de doorvaartopening op gelijke hoogte dan wel aan de stuurboordszijde daarvan.

Deze tekens betekenen:

a. twee rode vaste lichten boven elkaar (teken A.1; bijlage 7):

het doorvaren is verboden, de brug wordt niet bediend;

b. één rood vast licht (teken A.1; bijlage 7):

het doorvaren is verboden, de brug wordt bediend;

c. een rood vast licht en daaronder een groen vast licht (teken A.11; bijlage 7):

het doorvaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden toegestaan;

d. één groen vast licht (teken E.1; bijlage 7):

het doorvaren is toegestaan;

e. twee groene vaste lichten boven elkaar (teken E.1; bijlage 7):

het doorvaren is toegestaan, de brug bevindt zich in geopende stand en wordt niet bediend;

f. een rood vast licht en daaronder een groen flikkerlicht (teken A.11.1; bijlage 7):

het doorvaren is verboden, tenzij het schip de doorvaartopening zo dicht is genaderd, dat stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk is."

Bij beoordeling van de vordering neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat tussen partijen niet in geschil is dat de Simon B van de verkeersmanagementcentrale het bericht heeft gekregen dat de openingsprocedure van de brug in werking zou worden gezet en dat, in lijn daarmee, de bruglichten van rood naar "rood boven groen" zijn gegaan. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de bruglichten vervolgens weer naar (enkel) rood zijn gegaan en dat bij het opvaren van de Simon B het stadium waarin (uitsluitend) één groen licht is getoond, niet is bereikt. Niet in geschil is, met andere woorden, dat de Simon B niet het teken heeft gekregen dat het doorvaren van de brug was toegestaan.

Anders dan Guido Buck blijkbaar voorstaat, mocht de Simon B aan het verschijnen van het teken rood boven groen niet het onvoorwaardelijke vertrouwen ontlenen dat de brug ook daadwerkelijk en zonder meer zou opengaan en dat zij zonder meer het teken zou krijgen dat doorvaren was toegestaan. Het is immers altijd mogelijk dat een brug - om welke reden dan ook en anders dan was voorgenomen en door het teken rood boven groen aan het scheepvaartverkeer kenbaar gemaakt - niet opent. Wanneer een schip daardoor in aanvaring komt met de brug is de aansprakelijkheid van de beheerder van de brug dan ook niet gegeven. Indien dat zou worden aangenomen zou het teken rood boven groen immers geen onderscheidend vermogen hebben ten opzichte van het teken groen. De rechtbank onderkent daarbij met Guido Buck dat het doel van het teken rood boven groen mede is gelegen in een efficiënte doorstroming van het scheepvaartverkeer en er mede toe strekt dat schepen zich op het doorvaren van de brug voorbereiden, maar dat doet niet af aan de hierboven omschreven mogelijkheid dat een brug toch niet opent en dat een schip daarop in principe moet zijn voorbereid.

Over het bovenstaande zou anders geoordeeld kunnen worden indien moet worden aangenomen dat de brug, nadat het teken rood boven groen is gegeven, zonder goede reden en met veronachtzaming van de belangen van het opvarende schip, niet is geopend. Voor die conclusie, waarvan stelplicht en (eventueel) bewijslast op Guido Buck rusten, zijn in deze zaak onvoldoende aanwijzingen aangedragen.

Guido Buck heeft haar verwijten in dit verband ter comparitie aldus gespecificeerd dat zij van mening is dat een brug als de Spijkenissebrug nimmer dienst mag weigeren. Dat betoog gaat te ver, nu een brug - waartoe de rechtbank in dit verband de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen als slagbomen rekent - bestaat uit een complex elektronisch (beveiligings)systeem waarin een storing, zoals in elk elektronisch systeem, nimmer geheel is uit te sluiten. Voor de conclusie dat de storing op 2 juni 2006 te wijten is geweest aan een gebrekkig onderhoud heeft Guido Buck, tegenover het gemotiveerde verweer van de Staat dat de brug in vaste intervallen klein en groot onderhoud krijgt en heeft gekregen, onvoldoende feiten gesteld. Nu Guido Buck daarbij in het geheel niets heeft gesteld over de oorzaak van de storing en een de Staat daarvan te maken verwijt, en de Staat ter comparitie onweersproken heeft gesteld dat de storing was gelegen in de weigering van de afrijboom van de brug om neer te gaan, ziet de rechtbank geen aanleiding de Staat op te dragen nader onderzoek te doen naar het eventuele bestaan van een rapport over de storing. Het had primair op de weg van Guido Buck, die betoogt dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, gelegen dat betoog van een deugdelijke onderbouwing te voorzien.

Guido Buck heeft voorts gesteld dat het de Staat niet vrij stond de bediening van de Spijkenissebrug op afstand te regelen omdat een brugwachter ter plaatse de storing zou hebben kunnen voorkomen of zou hebben kunnen overbruggen. De conclusie dat een brugwachter ter plaatse de storing zou hebben kunnen voorkomen is niet van een deugdelijke onderbouwing voorzien. De onder 2.6 weergegeven verklaring van l[Manager Operations] kan als zodanige onderbouwing niet dienen nu die verklaring wel eraan uiting geeft dat er meer problemen in de bediening van de Spijkenissebrug (zouden; de Staat heeft dit betwist) zijn, maar heeft voor de storing op 2 juni 2006 in zoverre geen relevantie dat in die verklaring geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de conclusie dat de storing op 2 juni 2006 enig verband houdt met het verplaatsen van de bediening van de brug naar de verkeersmanagementcentrale.

De Staat heeft ter comparitie gemotiveerd weersproken dat een brugwachter ter plaatse de storing zou hebben kunnen overbruggen door ondanks het niet sluiten van de afrijboom de brug te openen. De Staat heeft in dit verband terecht aangevoerd dat het risico van het openen van de brug voor het wegverkeer in die situatie zo groot is dat hij tot het openen van de brug niet mag overgaan. Tegenover dat gemotiveerde verweer heeft Guido Buck onvoldoende feiten gesteld die tot een andere conclusie kunnen leiden. Het feit dat, zoals door Guido Buck gesteld, uit de VHF-opnamen blijkt dat er iemand naar de brug gestuurd zou worden om de brug te openen kan, tegenover het verweer van de Staat, niet de conclusie dragen dat die opening zou plaatsvinden ondanks de storing aan de afrijboom en dus dat een brugwachter ter plaatse ondanks die storing en voordat die zou zijn opgelost de brug zou hebben kunnen én mogen openen.

Guido Buck heeft haar verwijt aan de Staat ter comparitie voorts nog in die zin geconcretiseerd dat de bediening op afstand van de brug heeft geleid tot communicatieproblemen met het scheepvaartverkeer. Voor de conclusie dat de storing op 2 juni 2006 door gebrekkige communicatie te laat aan Simon B is gemeld en dat daardoor de aanvaring is ontstaan heeft zij evenwel, opnieuw tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat, onvoldoende concrete feiten gesteld. De vraag of er - meer in het algemeen - communicatieproblemen waren tussen de verkeersmanagementcentrale en het scheepvaartverkeer ter hoogte van de Spijkenissebrug, kan dan onbesproken blijven.

Het bovenstaande brengt mee dat Guido Buck onvoldoende feiten heeft gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Voor verdere bewijslevering - ook over de vraag of Simon B de aanvaring had kunnen voorkomen door over stuurboord te (pogen te) draaien in plaats van over bakboord - is dan geen ruimte.

Het bovenstaande brengt mee dat de vordering met betrekking tot de schade aan de Simon B moet worden afgewezen.

De schade aan de brug

De vordering strekt er voorts toe dat voor recht wordt verklaard dat Guido Buck niet aansprakelijk is voor de schade aan de brug en - in het verlengde daarvan - dat de Staat wordt veroordeeld aan Guido Buck terug te betalen het bedrag dat hij op de verstrekte garantie heeft ingehouden voor het herstel van de schade aan de brug.

De betaling op de voet van artikel 9 lid 1 Wbr is een betaling van een borgsom. Op de Staat rust in beginsel de plicht de borgsom terug te betalen, zij het dat hij op de voet van artikel 9 lid 3 Wbr een beroep op verrekening kan doen voor zover het betaalde bedrag is aangewend tot het herstel van de schade. Een dergelijke beroep op verrekening is slechts op zijn plaats indien het schip waarvan zekerheid werd geëist daadwerkelijk aansprakelijk is voor de schade. Beoordeling van de vordering van Guido Buck vereist derhalve beoordeling van de vraag of de Staat zich terecht op verrekening van de schade aan de brug met de betaalde borgsom heeft beroepen. Stelplicht en bewijslast daarvan rusten - behoudens de toepasselijkheid van bijzondere regels - op de Staat.

Uit het feit dat de Simon B op weg was naar Ierland leidt de rechtbank af dat de Simon B in elk geval in hoofdzaak bestemd was voor het drijven in zee en dat het daarmee een zeeschip is. Zijn aansprakelijkheid bij een aanvaring wordt aldus beheerst door titel 6 van boek 8 BW.

Uitgangspunt van die afdeling is dat, indien de aanvaring is veroorzaakt door de schuld van één schip, de eigenaar van het schip verplicht is de schade te vergoeden. De vraag of sprake is van schuld van de Simon B (in de zin van het begrip schuld van een schip als uitgelegd in het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2001, NJ 2002, 143) kan in dit geval in zoverre onbeantwoord blijven dat door de aanvaring met de brug sprake is geweest van een aanvaring met een "vaste zaak" als bedoeld in artikel 8:546 BW. Anders dan Guido Buck heeft betoogd, maakt het feit dat een deel van de brug in verticale richting kon bewegen niet dat de brugconstructie als zodanig geen "vaste zaak" in de zin van bedoeld artikel is. Daarmee is volgens artikel 8:546 BW uitgangspunt dat de Simon B aansprakelijk is voor de schade, tenzij blijkt dat de aanraking niet is veroorzaakt door de schuld van het schip. Stelplicht en bewijslast daarvan rusten op grond van deze bijzondere regel op Guido Buck.

Voor de conclusie dat de Simon B geen schuld in de zin van artikel 8:546 BW is te verwijten heeft Guido Buck geen afzonderlijke feiten gesteld. Uit hetgeen hierboven met betrekking tot de schade aan de Simon B is overwogen, moet worden afgeleid dat de schade in elk geval niet het gevolg is van een de Staat te maken verwijt. Nu hierboven ook is overwogen dat een schip er rekening mee moet houden dat een brug onder omstandigheden ondanks het teken rood boven groen desalniettemin niet opent, zijn er ook geen feiten te vinden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de Simon B aan de aanvaring geen enkele schuld heeft. Dit brengt in het licht van het bewijsvermoeden van artikel 8:546 BW reeds mee dat ook dit deel van de vordering niet kan slagen. Voor bewijslevering is bij gebreke van verder gestelde feiten, geen ruimte.

Resumerend

De vordering moet worden afgewezen. Guido Buck zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Guido Buck in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat begroot op € 4.784,- aan verschotten en € 4.000,- aan salaris van de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.