Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4797

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-08-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
09/753618-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO5253, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, één van de zwaarste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte heeft een conflict over de huur van een woning beslecht door zijn voormalige huisgenoot thuis op te wachten en hem koelbloedig en welbewust met twee messen met kracht in de hartstreek te steken. Verdachte heeft hem vervolgens meerdere diepe steekwonden toegebracht, waardoor het slachtoffer zo goed als is “afgeslacht”. Aan de verwondingen die op de rug van het slachtoffer zijn aangetroffen, is af te leiden dat verdachte het reeds dodelijk verwonde slachtoffer is gevolgd in zijn vlucht naar buiten om zich er van te verzekeren dat hij niet levend zou ontkomen. Het slachtoffer is in doodsangst op het balkon over het tussenschot naar het balkon van de buren geklommen, alwaar hij een gruwelijke dood moet zijn gestorven. Gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/753618-08

Datum uitspraak: 7 augustus 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

adres: [adres].

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Rijnmond, De Schie, Rotterdam" te Rotterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 oktober 2008, 6 januari 2009, 4 februari 2009, 17 april 2009, 24 juni 2009 en 24 juli 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Kramer en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 juli 2008 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een of meer mes(sen), althans met een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) (meermalen) in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 van het Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs(1)

3.1 De feiten

De rechtbank gaat op grond van de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 juli 2008 om 23:41 uur ontving de politie een melding dat bij een woning aan de [adres 2] te Alphen aan den Rijn een man zou zijn neergestoken. Ter plaatse, op het balkon van een flatgebouw, troffen de opsporingsambtenaren een man aan, gekleed in uitsluitend een onderbroek, wiens lichaam geheel onder het bloed zat. Pogingen tot reanimatie werden door het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel spoedig gestaakt, omdat duidelijk was dat de man overleden was.(2) Verdachte werd ter plaatse aangewezen als mogelijke dader. De opsporingsambtenaren zagen verdachte in de overdekte galerij van de flat staan met in zijn rechterhand een sporttas. Verdachte zei spontaan: “Ik weet het, ik heb het gedaan”.(3) Een getuige heeft verdachte tevens horen zeggen: “Eindelijk heb ik die kankerlijer te pakken!”(4) Verdachte is hierop aangehouden. Tijdens het transport naar het politiebureau heeft verdachte tevens uit eigen beweging gezegd: “Ik heb het gedaan. Ik hoop dat hij dood gaat. Als hij niet dood is, die [slachtoffer], dan kom ik na zeven jaar terug, dan pak ik hem opnieuw, dan vermoord ik hem alsnog.”(5)

Het aangetroffen slachtoffer is door opsporingsambtenaren aan zijn gelaat en haar herkend als de hun ambtshalve bekende [slachtoffer], in leven woonachtig aan de [adres 1] te Alphen aan de Rijn.(6) Bloedverlies en weefselschade ten gevolge van meervoudig steekletsel zijn de oorzaak geweest van het intreden van de dood van het slachtoffer. Er was blijkens het verslag van de sectie sprake van velerlei letsel: aan de borst waren centraal en links nabij de oksel meerdere scherprandige huidperforaties, aan het hoofd drie huidklievingen, aan de linkerarm verschillende huidinsnijdingen en meerdere huidkrassen in de hals en rug. Voorts is een onderhuidse bloeduitstorting aan de voor- en binnenzijde van de rechterbovenarm aangetroffen.(7)

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 2 juli 2008 rond 21:00 uur bij zijn buurman aan de [adres 2] aan de deur heeft geklopt en aangebeld om over het balkon naar zijn woning op nummer [adres 1] te klimmen.(8) Doordat de sloten van de woning inmiddels door [slachtoffer] waren vervangen kon hij het huis op andere wijze niet meer binnenkomen. Verdachte verklaarde onder meer naar binnen te willen gaan om zijn spullen op te halen. Eenmaal in de woning is verdachte naar de bovenverdieping gegaan en heeft hij zijn kleding in een sporttas gedaan. Hierop bemerkte hij dat de voordeur op slot zat en heeft hij boven op de thuiskomst van [slachtoffer] gewacht. Om ongeveer 22:30 uur hoorde verdachte de deur dicht vallen. Verdachte heeft toen twee keukenmessen gepakt en een kwartier gewacht met de messen in zijn hand. Hierna is hij, met de messen nog steeds in zijn hand, de trap af gegaan en is het tot een treffen met [slachtoffer] gekomen, waarbij hij hem gestoken heeft.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 juli 2008 met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan. Ten aanzien van het bewijs van de voorbedachte raad heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad zich te beraden op hetgeen hij volgens een aantal getuigenverklaringen reeds van plan was tegen [slachtoffer] te ondernemen. Hij is naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft daar met twee messen onder handbereik de thuiskomst van het slachtoffer afgewacht. Vervolgens heeft hij zich na het plegen van het feit tevreden uitgelaten over wat hij had gedaan. Naar het oordeel van de officier van justitie komt verdachte geen beroep op noodweer toe. Hij erkent immers dat hij zichzelf in de richting van het slachtoffer, op wie hij boos was, begeven heeft, terwijl hij zich voorafgaand aan diens aanwezigheid in de woning had bewapend met twee messen.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen doodslag kan worden bewezen verklaard, daar geen sprake is geweest van voorbedachte raad. Het enige doel van verdachte was immers het ophalen van zijn spullen en het vergaren van bewijs voor cocaïnehandel door [slachtoffer]. Verdachte is ook zonder wapens naar de woning gegaan. Hij had geen voornemen om het slachtoffer om het leven te brengen. Hij wilde na het pakken van zijn spullen de woning weer verlaten, maar bemerkte dat de voordeur op slot zat. Hij realiseerde zich eerst op dat moment dat er een confrontatie tussen hem en [slachtoffer] onvermijdelijk was en pas toen heeft hij de messen gepakt. Hij was bang en in paniek. Hij heeft met stampen op de trap duidelijk gemaakt dat hij in de woning was en dat [slachtoffer] hem met rust moest laten. Hij heeft geprobeerd bij de voordeur, waarin inmiddels de sleutel stak, te komen, maar werd, voor hem dit lukte, aangevallen door [slachtoffer].

[Slachtoffer] kwam op hem af en maakte een slaande beweging met zijn arm. Verdachte voelde een harde klap tegen zijn hand en hoofd en is hierdoor aan zijn hand en gebit gewond geraakt. Hij heeft toen met de messen in de richting van de buik van [slachtoffer] gestoken. Hij bemerkte dat hij met een spijkertrekker was geslagen; [slachtoffer] liet deze vallen. Verdachte heeft toen nogmaals met de twee messen gestoken in zijn richting.(9)

De verdediging is van mening dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweerexces, en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Verdachte en [slachtoffer] woonden al geruime tijd samen in de flat aan de [adres 1] in Alphen aan den Rijn. [slachtoffer] had echter, vanwege een conflict over de huur, eind juni 2008 nieuwe sloten op de voordeur van de woning laten zetten, zodat verdachte daar niet meer in kon. Via [A] had verdachte enkele goederen terug gekregen, zoals zijn (lege) portemonnee en dergelijke, maar hij wilde ook zijn andere spullen uit het huis terug. Verdachte was woest over het feit dat hij het huis, dat hij als zijn woning beschouwde, niet meer in kon.(10) Op de middag van 1 juli 2008 heeft verdachte over de telefoon tegen zijn ex-vriendin [B], met wie hij in de woning had samengewoond, gezegd: “[B], zal ik hem neersteken? Dan kan jij je huis weer krijgen en ga ik naar de gevangenis.”(11) Ook getuigen [C] en [D] hebben verklaard dat verdachte op 2 juli 2008 om het feit dat hij zijn huis niet binnen kon heel boos was.(12) Tevens hebben zij verklaard dat verdachte van plan was het slachtoffer iets aan te doen. Zo heeft [D] verklaard dat verdachte die avond over [slachtoffer] had gezegd: “Hij hoeft maar iets verkeerd te zeggen en ik maak hem af” en “Als je over een uur sirenes hoort, dan weet je genoeg.”(13) In een latere verklaring, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, heeft de getuige bevestigd dat de verdachte die avond heel obstinaat en boos was. Hij zou gezegd hebben: “Als ik [bijnaam] [de rechtbank verstaat: slachtoffer [slachtoffer]] tegenkom in de woning, dan weet ik niet wat er gebeurt.”(14) Tegen [C] heeft verdachte volgens deze gezegd: “Ik ga via de buren, ik ga over het balkon en als hij probeert binnen te komen, dan schop ik de kop van zijn romp af.”(15) Ook deze getuige is door de rechter-commissaris gehoord en heeft daarbij zijn eerder tegenover de politie afgelegde verklaring bevestigd.(16)

Op 2 juli 2008 om 21.00 uur is verdachte naar de woning gegaan en is via het balkon van de buren van nummer [adres 2] binnen gekomen. Hoewel de buren daar aanvankelijk niet toe geneigd waren, daar hun woning sinds enkele dagen regelmatig door de bewoners van nummer [adres 1] als overpad werd gebruikt, hebben zij verdachte toch tot hun balkon toegelaten.(17) Verdachte heeft in de woning de komst van [slachtoffer] afgewacht. Hij is in slaap gevallen en werd na enige tijd wakker van het dichtslaan van de voordeur.

Verdachte heeft toen een mes van het aanrecht en een mes uit de gleuf van de bank gepakt en heeft een kwartier bij de kast gestaan met de twee messen in zijn hand. Vervolgens is hij naar beneden gelopen met de messen in zijn hand.(18)

De rechtbank acht de verklaring ter zitting van verdachte dat hij toen bang en in paniek was niet aannemelijk. De getuige [D] heeft verklaard dat zij niet de indruk had dat verdachte bang was voor het slachtoffer. Zij heeft eveneens verklaard dat hij juist heel boos was op het slachtoffer.(19) De rechtbank merkt nog op dat verdachte, als hij daadwerkelijk zo bang was voor het slachtoffer, had kunnen proberen het huis vóór de terugkeer van het slachtoffer op een andere wijze (dus wederom via het balkon) te verlaten. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij het niet waagde om de buren nogmaals te storen acht de rechtbank weinig geloofwaardig.

De rechtbank acht ook de verklaring van verdachte dat hij toen hij, na de thuiskomst van het slachtoffer, naar beneden liep alleen de bedoeling had het huis te verlaten niet aannemelijk. Verdachte heeft een kwartier staan wachten en heeft naar eigen zeggen niets anders dan stilte gehoord. Aannemelijk is dat het slachtoffer naar bed was gegaan, een aanname die wordt ondersteund door het feit dat het slachtoffer slechts gekleed in een onderbroek is aangetroffen.(20) Desondanks is verdachte naar eigen zeggen stampend de trap afgelopen. Veeleer had het in de rede gelegen dat verdachte zich zo stil mogelijk had gehouden om ongezien weg te kunnen komen door de voordeur, waarin hij inmiddels de sleutel had zien zitten. Hier komt nog bij dat verdachte de tas met spullen, één van de hoofdredenen waarom hij volgens eigen zeggen naar de woning was gekomen, niet mee naar beneden heeft genomen.(21) De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat verdachte bewust de confrontatie met het latere slachtoffer heeft opgezocht.

Voorts acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij, eenmaal beneden, werd aangevallen en met een spijkertrekker op het hoofd werd geslagen en daardoor gewond is geraakt niet geloofwaardig. Verdachte heeft eerst in zijn verhoor van 15 juli 2008 te kennen gegeven dat hij tengevolge van de aanval van het slachtoffer bijna knock-out zou zijn gegaan, dat hij daarbij gewond zou zijn geraakt, dat het plaatje van zijn gebit zou zijn gebroken en dat daar tanden zouden zijn uitgevallen.(22) Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie blijkt echter dat er bij verdachte, vlak na diens aanhouding, geen verwondingen aan het hoofd en de mond zijn geconstateerd. Er werden slechts kleine schaafwondjes aan zijn hand waargenomen. Op een vraag aan verdachte of hij verder iets had, heeft hij ontkennend geantwoord. Ook is niet geconstateerd dat hij moeilijk sprak door bijv. een gebroken gebit.(23)

De ter terechtzitting overgelegde tandartsnota d.d. 18 juli 2008, derhalve gedateerd 16 dagen na het feit, kan hier niet aan afdoen. Immers, uit die nota valt niet af te leiden dat verdachtes gebit op 2 juli 2008 is beschadigd; dat zou ook op een later tijdstip kunnen zijn gebeurd. De rechtbank houdt het er dus voor dat verdachte, met uitzondering van enkele lichte schaafwonden (zonder bloed(24)) aan een van zijn handen, ten tijde van zijn aanhouding op 2 juli 2008 niet gewond was, hetgeen zich bezwaarlijk verhoudt tot zijn verklaring dat hij had moeten vechten voor zijn leven,(25) dat hij gedurende dat gevecht bijna knock-out zou zijn gegaan en met een spijkertrekker op het hoofd zou zijn geslagen.

Daarentegen zijn op het hoofd van het slachtoffer verwondingen aangetroffen die het gevolg kunnen zijn van een aanval met een zwaar voorwerp; daarvoor komt de spijkertrekker in aanmerking.(26) Op de tweezijdige kop van de spijkertrekker is DNA-materiaal van het slachtoffer en niet van de verdachte aangetroffen.(27) De rechtbank acht het op grond van deze bevindingen eerder aannemelijk dat juist het slachtoffer is aangevallen met de spijkertrekker. Verdachte heeft ter verklaring van de hoofdwonden van het slachtoffer gesteld dat het slachtoffer in de hal in het bloed zou zijn uitgegleden en zijn hoofd tegen de deurpost zou hebben gestoten.(28) Het slachtoffer zou echter twee maal op deze wijze moeten zijn gevallen om aan twee huidklievingen te komen.(29) Over een tweede val heeft verdachte echter niet verklaard. Daarenboven zijn op de plaats waar het slachtoffer zou zijn uitgegleden geen veegsporen geconstateerd,(30) iets dat bij uitglijden voor de hand zou hebben gelegen.

Ten slotte wijst de rechtbank nog op het rugletsel van het slachtoffer, bestaande uit meerdere rugkrassen, tengevolge van krassend of snijdend mechanisch geweld,(31) waaruit geconcludeerd kan worden dat verdachte het slachtoffer ook van achteren heeft benaderd, een conclusie die niet past bij een aanval door het slachtoffer. Verdachte heeft voor dit letsel – evenmin als voor de “grote huidklieving tot diep in de spieren” in het linkerbeen van het slachtoffer – dan ook geen verklaring kunnen geven.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Met welk doel verdachte naar de woning van het slachtoffer is gegaan kan in het midden blijven, nu hij welbewust de komst van het slachtoffer in de woning heeft afgewacht en na thuiskomst van het slachtoffer met twee messen in de hand een kwartier heeft staan wachten voor hij willens en wetens de confrontatie opzocht. Met die beide vaststellingen is immers bewezen dat er bij hem sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg.

Uit het bovenstaande volgt tevens dat de rechtbank van oordeel is dat er op geen enkel moment sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer, reden waarom het beroep op noodweer(exces) geen doel treft.

3.5 De bewezenverklaring

Op grond van het onder 3.1 en 3.4 overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht dat:

hij op 02 juli 2008 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] met messen meermalen in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft matiging van de strafmaat bepleit, gezien de omstandigheden waarin verdachte verkeerde. Verdachte kon op 2 juli 2008 al gedurende een week niet meer in zijn woning komen en heeft op allerlei mogelijke manieren geprobeerd een oplossing te vinden. In zijn radeloosheid heeft hij de feiten begaan.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, één van de zwaarste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte heeft een conflict over de huur van een woning beslecht door zijn voormalige huisgenoot thuis op te wachten en hem koelbloedig en welbewust met twee messen met kracht in de hartstreek te steken. Verdachte heeft hem vervolgens meerdere diepe steekwonden toegebracht, waardoor het slachtoffer zo goed als is “afgeslacht”. Aan de verwondingen die op de rug van het slachtoffer zijn aangetroffen, is af te leiden dat verdachte het reeds dodelijk verwonde slachtoffer is gevolgd in zijn vlucht naar buiten om zich er van te verzekeren dat hij niet levend zou ontkomen. Het slachtoffer is in doodsangst op het balkon over het tussenschot naar het balkon van de buren geklommen, alwaar hij een gruwelijke dood moet zijn gestorven.

Door verdachtes handelen is op brute wijze een einde gemaakt aan het bestaan van een man in de kracht van zijn leven. Hierdoor is onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden en is de rechtsorde ernstig geschokt. Zo moet het incident een bijzonder schokkende ervaring zijn geweest voor de buren, die het slachtoffer in zijn doodsnood hebben horen schreeuwen en op wier balkon hij, badend in het bloed, is overleden.

Het hiervoor overwogene kan slechts tot één oordeel leiden, namelijk dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur dient te worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezen verklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen gruwelijke omstandigheden waaronder dit is begaan onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat verdachte zich na het plegen van het delict zeer tevreden heeft betoond over wat hij had aangericht en hij ook tot nu toe nauwelijks blijkt heeft gegeven van berouw.

Tevens speelt in de beslissing van de rechtbank het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 juli 2008 aangaande verdachte een rol; daaruit blijkt dat hij in het verleden voor verscheidene geweldsdelicten meerdere malen tot gevangenisstraffen is veroordeeld. Kennelijk heeft hij hieruit geen lering getrokken.

De raadsman heeft matiging van de strafmaat bepleit; hij heeft erop gewezen dat er sprake was van een langer lopend conflict, waarin ook het slachtoffer een bepaalde rol heeft gespeeld. Uit het bovenstaande blijkt dat de rechtbank deze visie niet deelt. Wat er verder zij van de rol van het slachtoffer, onverminderd dient te blijven gelden dat daarin nooit de aanleiding kan en mag worden gezocht om een ander mens van het leven te beroven.

De rechtbank zal dan ook de hierna te vermelden straf opleggen, die zwaarder is dan door de officier van justitie gevorderd.

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de totstandkoming van rapportages door de reclassering, de psycholoog en de psychiater. Hierdoor heeft de rechtbank geen inzicht kunnen krijgen in zijn persoon en in het bijzonder is niets duidelijk geworden over de mate van toerekenbaarheid van het strafbare feit. Nu aanknopingspunten die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden ontbreken, dient de rechtbank ervan uit te gaan dat het bewezen verklaarde feit volledig aan verdachte kan worden toegerekend. Dit betekent dat de op te leggen straf in het bijzonder, naast vergelding, zal strekken tot langdurige bescherming van de samenleving tegen verdachte.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.267,37 aan materiële schade.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dit bedrag, groot € 5.267,37, subsidiair 61 dagen hechtenis ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij], wonende aan [adres].

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is door verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.267,37. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 2 juli 2008 is ontstaan.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.267,37, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij], wonende aan de [adres].

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) het onder 16 genummerde voorwerp zal worden verbeurdverklaard en dat de onder 5 t/m. 15 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de beslagenen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen de vordering van de officier van justitie.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het onder nummer 16 vermelde voorwerp (een vleesmes, merk [ merk]), dat bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit is aangetroffen, onttrekken aan het verkeer, nu dit aan verdachte toebehorende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

De rechtbank zal, nu onduidelijk is aan wie de voorwerpen onder 5 tot en met 15 die in de [adres 1] zijn aangetroffen, toebehoren, van deze voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden gelasten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

24c, 36b, 36d, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

moord;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 3 juli 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 8 juli 2008;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij] een bedrag van € 5.267,37, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.267,37, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij], [adres];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 61 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden van de op de beslaglijst onder 5 t/m 15 vermelde voorwerpen;

gelast de onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst onder 16 vermelde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. E. Rabbie, voorzitter,

Y.J. Wijnnobel - van Erp en J.M. Ghrib, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T.B.H. Nguyen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2009.

Mr. Ghrib is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal (p-v) wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal met nummer PL 1630/08-005632 van politie Hollands-Midden, met bijlagen. Waar verwezen wordt naar de verklaring van verdachte ter terechtzitting betreft dit het onderzoek ter terechtzitting van 24 juli 2009.

2 p-v bevindingen, p. 121-124; zie voorts het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer in verband met een niet-natuurlijk overlijden, p. 1119-1120.

3 p-v bevindingen, p. 38-39

4 p-v verhoor getuige [G], p. 556.

5 p-v bevindingen, p. 39.

6 p-v bevindingen, p. 133.

7 een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 7 november 2008, pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, door F.R.W. van de Goot, p. 1261-1263.

8 verklaring van verdachte ter terechtzitting.

9 verklaring van verdachte ter terechtzitting.

10 verklaring van verdachte ter terechtzitting.

11 p-v van bevindingen, p. 627.

12 p-v verhoor getuige [D], p. 674 en p-v verhoor getuige [C], p. 752-753.

13 p-v verhoor getuige [D], p. 675.

14 p-v verhoor van getuige [D], op 29 april 2009 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, § 5 en 12.

15 p-v verhoor getuige [C], p. 749.

16 p-v verhoor van getuige [C], op 3 juni 2009 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, § 3 en 4.

17 p-v verhoor getuige [E], p. 538; p-v verhoor getuige [F], p. 544.

18 verklaring van verdachte ter terechtzitting.

19 p-v verhoor van getuige [D], op 29 april 2009 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, § 11 en 8.

20 p-v van bevindingen, p. 123.

21 verklaring van verdachte ter terechtzitting.

22 p-v van verhoor verdachte, p. 81.

23 p-v van bevindingen, p. 91.

24 een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 27 augustus 2008, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop gepleegd in Alphen aan den Rijn op 2 juli 2008, door R.J. Bink, p. 1226.

25 p-v van bevindingen, p. 1284.

26 een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 18 december 2008, letselbeoordeling door B.F.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts, TR 36, ongenummerd; een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 20 mei 2009, letselbeoordeling door B.F.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts, p. 1399.

27 een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 27 augustus 2008, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop gepleegd in Alphen aan den Rijn op 2 juli 2008, door R.J. Bink, p. 1228, 1229, 1230

28 verklaring van verdachte ter terechtzitting.

29 een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 20 mei 2009, letselbeoordeling door B.F.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts, p. 1400.

30 een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 9 september 2008, bloedspoorpatroononderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] te Alphen aan den Rijn op 2 juli 2008, door M.J. van der Scheer, p. 1187 en eigen waarneming van de rechters tijdens het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot de foto’s 85 t/m 94.

31 een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 7 november 2008, pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, door F.R.W. van de Goot, p. 1261, 1262.