Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4750

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
AWB 08/44068
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Regulier / buiten behandeling stelling / alsnog in bezwaarfase betalen leges / toewijzing vovo

De procedure betreft een voorlopige voorziening hangende bezwaar. Verzoeker heeft op 5 september 2008 een aanvraag voor een reguliere vergunning ingediend. Bij brief van 11 september 2008 is verzoeker in de gelegenheid gesteld om op 15 oktober 2008 alsnog de leges te voldoen. Verweerder heeft de aanvraag, onder verwijzing naar artikel 4:2 van de Awb, bij besluit van 19 november 2008 niet in behandeling genomen, omdat verzoeker de verschuldigde leges niet heeft voldaan. De aanvraag is derhalve meer dan vier weken na afloop van de door verweerder gestelde herstel verzuim termijn buiten behandeling gesteld. Gelet op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 oktober 2004 (JV 2004/477) staat artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 in dit geval niet aan de behandeling van de aanvraag in de weg, mits verzoeker de verschuldigde leges alsnog in de bezwaarfase betaalt. Nu verweerder nog niet op het bezwaar heeft beslist en verzoeker de verschuldigde leges dus nog steeds in de bezwaarfase kan voldoen, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het op dit moment nog een redelijke kans van slagen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

registratienummer: AWB 08/44068

Datum uitspraak: 30 juli 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[de vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Sierra Leoonse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. T. Thissen,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 5 september 2008 heeft verzoeker een vergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’ aangevraagd. Bij besluit van 19 november 2008 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld.

Daartegen heeft verzoeker op 16 december 2008 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 16 december 2008 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 juli 2009. Verzoeker is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. N. Hamzaoui.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 4:2 van de Awb, besloten de aanvraag van verzoeker niet in behandeling te nemen, omdat verzoeker niet de voor de indiening van de aanvraag verschuldigde leges heeft voldaan, terwijl hij wel in de gelegenheid is gesteld dit gebrek te herstellen. Verzoeker is bij brief van 11 september 2008 in de gelegenheid gesteld om de leges op 15 oktober 2008 om 9.30 uur bij het IND-loket te voldoen. Daarnaast is verzoeker op 15 oktober 2008 nogmaals schriftelijk erop gewezen dat de leges aan het IND-loket kunnen worden voldaan. Hieraan is niet voldaan, verzoeker is niet verschenen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 augustus 2006 (LJN: AY7466).

3. Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat geen gelegenheid is geboden alsnog in bezwaar te voldoen. Uit de lijn van de Afdeling volgt dat indien de termijn van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb ongemoeid is verstreken er gelegenheid moet zijn geboden de leges hangende bezwaar te voldoen. Subsidiair stelt verzoeker zich op het standpunt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2008 (LJN: BD3801), in de wet geen plicht is te vinden voor verzoeker om bij de IND in persoon te verschijnen. In casu is verzoeker niet gewezen op de mogelijkheid om leges anders dan per kas of per pin te voldoen. Verzoeker heeft bij brief van 8 oktober 2008 het initiatief genomen om de leges op andere wijze te voldoen. Weliswaar wordt door verweerder gesuggereerd dat een derde namens verzoeker bevrijdend had kunnen betalen, echter een dergelijke eis vindt geen steun in een wettelijke regeling en is bovendien onnodig bezwarend. Verwezen wordt naar de overgelegde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg van 19 februari 2009 (AWB 08/26113) en de overgelegde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 23 april 2009 (08/44063).

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.34 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, is de vreemdeling terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier leges verschuldigd. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

6. In bovenvermelde uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2006 is onder meer het volgende overwogen.

“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, uitspraak van 21 oktober 2004 in zaak no. 200406363/1 (JV 2004/ 477), wijkt artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 slechts in zoverre af van artikel 4:5 van de Awb dat, indien betaling van de voor afdoening van de aanvraag verschuldigde leges achterwege blijft, de minister niet slechts de bevoegdheid toekomt die aanvraag niet te behandelen, doch dat hij daartoe ook gehouden is. Uit de tekst, noch de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling blijkt dat de wetgever daarmee tevens heeft beoogd af te wijken van het bepaalde bij artikel 4:5, vierde lid, van de Awb. Ingevolge beide wettelijke bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, is de minister, indien de vreemdeling na aanmaning onder termijnstelling in gebreke blijft de leges te betalen, gehouden de aanvraag binnen vier weken na afloop van de gestelde termijn buiten behandeling te stellen. Het in bezwaar tegen zodanig besluit alsnog betalen van de leges kan aan dat besluit niet afdoen.

Indien de minister een aanvraag niet binnen de daartoe gestelde termijn van vier weken buiten behandeling stelt, staat artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 niet aan de behandeling daarvan in de weg, mits de vreemdeling de verschuldigde leges alsnog in de bezwaarfase betaalt.”

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoeker bij brief van 11 september 2008 in de gelegenheid heeft gesteld om op 15 oktober 2008 alsnog de leges te voldoen. De door verweerder gestelde termijn is dus op 15 oktober 2008 verlopen. Pas bij besluit van 19 november 2008, meer dan vier weken na afloop van de gestelde termijn, heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Gelet op de bovengeciteerde overweging van de Afdeling staat artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 in dit geval niet aan de behandeling van de aanvraag in de weg, mits verzoeker de verschuldigde leges alsnog in de bezwaarfase betaalt. Nu verweerder nog niet op het bezwaar heeft beslist en verzoeker de verschuldigde leges dus nog steeds in de bezwaarfase kan voldoen, moet geoordeeld worden dat het bezwaar op dit moment nog een redelijke kans van slagen heeft.

8. Derhalve wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe.

9. Gelet op het bovenstaande behoeft de vraag of verweerder de eis heeft kunnen stellen dat verzoeker de leges per kas of per pin aan het IND-loket moet voldoen, thans geen beantwoording.

10. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand en het verschijnen ter zitting. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- treft de voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege blijft tot op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan verzoeker;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan verzoeker € 145,- te betalen ter vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. J.H.J. Baarsma-Reuchlin, griffier.

de griffier

de voorzieningenrechter

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2009.