Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4740

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
2008 / 39582
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK6567, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is met het circus waarbij zij werkzaam was op basis van een visum naar Nederland gereisd om voorstellingen te geven. Vervolgens heeft zij met nog een aantal andere leden van het circusgezelschap in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder acht door middel van het overleggen van een krantenartikel, aannemelijk gemaakt dat in Ethiopië bekend is geworden dat eiseres in Nederland asiel heeft aangevraagd. De door eiseres hieraan ontleende vrees om bij terugkeer veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf of de doodstraf is volgens verweerder echter slechts gebaseerd op vermoedens. De rechtbank heeft overwogen dat eiseres haar vermoedens dat zij, als gevolg van het feit dat de Ethiopische autoriteiten door middel van een krantenartikel op de hoogte zijn geraakt van haar asielaanvraag in Nederland, de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf krijgt, niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij terugkeer in de bijzondere belangstelling zou staan van de autoriteiten omdat er nauwe banden zijn tussen het circus en de autoriteiten en leidinggevenden van het circus hoge posities hebben in de aan de macht zijnde partij en zij door het indienen van een asielaanvraag het circus en dus ook de autoriteiten in diskrediet heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat door of namens eiseres, behoudens de stelling dat dit zo is, geen gegevens en/of stukken in het geding zijn gebracht waaruit blijkt of aannemelijk is dat die nauwe banden tussen de autoriteiten en het circus bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 08 / 39582

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres], eiseres,

gemachtigde [gemachtigde],

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij fax van 6 november 2008 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 oktober 2008. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te verlenen. Bij schrijven van 1 december 2008 heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend.

1.2. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

1.3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 25 maart 2009, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1]. Als tolk was aanwezig [naam 2].

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank overweegt allereerst het volgende. Bij schrijven van 3 juli 2009 heeft de gemachtigde van eiseres verzocht om heropening van het onderzoek ter zitting. De gemachtigde van eiseres heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij een nieuw ambtsbericht over Ethiopië uit mei 2009 en een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Utrecht van

15 mei 2009 over wil leggen. De rechtbank heeft in dat schrijven geen reden gezien om het onderzoek te heropenen. De gemachtigde van eiseres heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd waarom die stukken of de inhoud daarvan nopen tot een heropening van het onderzoek. In dit verband ziet de rechtbank nog aanleiding op te merken dat zij ook slechts aanleiding zou zien voor een dergelijke heropening indien uit die stukken feiten en/of omstandigheden zouden blijken die niet reeds eerder aangevoerd hadden kunnen worden.

Het enkel willen aanvoeren van nadere gronden is naar dezerzijds oordeel geen reden om een gesloten onderzoek weer te heropenen. Bij schrijven van heeft de gemachtigde van eiseres vervolgens nadere gronden ingediend, waarin een beroep is gedaan op een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar). Dat schrijven heeft de rechtbank bij haar beoordeling buiten beschouwing gelaten nu het onderzoek ter zitting niet is heropend en die nadere gronden de rechtbank ook geen aanleiding hebben gegeven alsnog tot een zodanige heropening te besluiten. De door eiseres bij schrijven van 23 juli 2009 ingezonden medische verklaring van 13 november 2008 van [naam 3], sociaal geneeskundige, inzake de medische situatie van mevrouw [eiseres] en het afschrift van de brief van [naam 5] van 22 juli 2009, waarin deze de gemachtigde van eiseres adviseert de medische verklaring aan het heropeningsverzoek ten grondslag te leggen, geven de rechtbank evenmin aanleiding tot heropening van het onderzoek. Deze medische verklaring heeft de gemachtigde van eiseres immers reeds eerder, bij schrijven van 1 december 2008, overgelegd zodat deze medische verklaring reeds om die reden bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken. De rechtbank overweegt vervolgens als volgt.

2.2. Eiseres, geboren op [geboortedatum] en van Ethiopische nationaliteit, heeft op

5 juni 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2.3. Eiseres heeft blijkens het rapport van het nader gehoor aan die aanvraag ten grondslag gelegd dat haar familie sympathisant is van de politieke beweging “Kinijit”. Haar vader is vanwege zijn lidmaatschap van deze politieke beweging gevangen genomen en in de gevangenis overleden. De broer van eiseres is verdwenen, hetgeen volgens eiseres eveneens te maken heeft met zijn politieke activiteiten voor de “Kinijit”. Eiseres zelf werd ook regelmatig lastiggevallen door militairen vanwege haar politieke activiteiten voor de “Kinijit”. Eiseres ondervond tevens problemen op haar werk bij het circus “Addis Abeba”. Eiseres is meerdere malen verkracht, door de directeur van het circus en twee blanke mannen die haar hadden meegenomen om een documentaire te maken. Toen eiseres met het circus op basis van een visum naar Nederland is gereisd om voorstellingen te geven, heeft zij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Van vrienden die naar Ethiopië hebben gebeld, heeft eiseres vernomen dat in Ethiopië in de krant heeft gestaan en op de radio is geweest dat de groep circusartiesten is ontvlucht en asiel heeft aangevraagd. Eiseres vreest dat de politie haar bij terugkomst zal opwachten en dat zij een levenslange gevangenisstraf of de doodstraf zal krijgen vanwege haar politieke activiteiten en de politieke activiteiten van haar familie en omdat ze wordt gezien als landverrader nu zij in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend.

2.4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Volgens verweerder heeft eiseres onvoldoende documenten overgelegd ter staving van haar asielrelaas en is het ontbreken van deze documenten toerekenbaar. Verder ontbeert het asielrelaas van eiseres volgens verweerder positieve overtuigingskracht.

2.5. Eiseres is van mening dat het ontbreken van documenten ter ondersteuning van asielrelaas haar niet kan worden toegerekend. Voorts meent eiseres dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar asielrelaas positieve overtuigingskracht mist. Eiseres is van mening dat haar ten onrechte een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a dan wel b, van de Vw 2000 is onthouden.

2.6. In het onderhavige beroep staat ter beoordeling of het besluit van 16 oktober 2008 in zoverre de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.7. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000 als volgt.

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;”

2.8. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967, 76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;”

2.9. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.10. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

2.11. In artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel mede betrokken wordt de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.12. Het ter zake gevoerde beleid is neergelegd in onderdeel C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Blijkens onderdeel C4/3.6.2 van de Vc 2000 is voor de beoordeling van de asielaanvraag onderbouwing van de volgende elementen van belang: de identiteit, de nationaliteit, de reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling. Wanneer is vastgesteld dat ten aanzien van één of meer van de vier elementen documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.13. Verweerder heeft eiseres tegengeworpen dat zij geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar asielrelaas. In dit kader heeft verweerder aan eiseres tegengeworpen dat zij heeft aangegeven te beschikken over een lidmaatschapskaart van de “Kinijit”, doch deze niet heeft overgelegd. De lidmaatschapskaart zou naar de zus van een collega zou zijn gestuurd. Eiseres heeft vervolgens slechts een faxbericht overgelegd waarop de lidmaatschapskaart is afgebeeld terwijl zij in haar nader gehoor heeft gesteld dat de originele kaart zou worden toegezonden.

2.14. Eiseres is van mening dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij de originele lidmaatschapskaart van de “Kinijit” niet over kan leggen. Eiseres merkt in dit kader op dat de communicatie met haar landgenoten uiterst moeilijk is vanwege het repressieve regime.

2.15. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder geen grond hoeven vinden om eiseres het ontbreken van genoemd document niet toe te rekenen. Niet gebleken is dat eiseres niet alsnog de originele lidmaatschapskaart in de procedure had kunnen brengen. Nu het toerekenbaar ontbreken van documenten ter onderbouwing van het asielrelaas stand houdt, heeft verweerder gelet op voornoemd beleid reeds hierom het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 kunnen tegenwerpen.

2.16. Als zich een omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1998 1999, 26 732, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van de desbetreffende vreemdeling om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.17. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiseres interne inconsistenties met betrekking tot de verdwijning van haar broer. Voorts zijn volgens verweerder de verklaringen van eiseres met betrekking tot de lidmaatschapskaart van de “Kinijit” intern inconsistent. Verder heeft eiseres volgens verweerder tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent de verkrachtingen. Eiseres heeft volgens verweerder vaag en summier verklaard over haar vermeende lidmaatschap van de “Kinijit” partij en de arrestatie van haar vader. Volgens verweerder wekt het voorts bevreemding dat eiseres in 2007 nog wordt opgepakt omdat ze lid is van de oppositie, terwijl zij in 2005 voor het laatst activiteiten heeft verricht. Voorts wekt het volgens verweerder bevreemding dat eiseres in 2005 zonder problemen een paspoort heeft verkregen waarmee ze verschillende keren het land in- en uit is gereisd. Verweerder acht echter wel, door middel van het overleggen van een krantenartikel, aannemelijk gemaakt dat in Ethiopië bekend is geworden dat eiseres in Nederland asiel heeft aangevraagd. De door eiseres hieraan ontleende vrees om bij terugkeer veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf of de doodstraf is volgens verweerder echter slechts gebaseerd op vermoedens.

2.18. De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat eiseres vage en summiere verklaringen heeft afgelegd omtrent de verdwijning van haar broer. Met betrekking tot de stelling van eiseres, dat het enkele feit dat eiseres niet de exacte datum van de verdwijning van haar broer weet geen afbreuk doet aan het asielrelaas, overweegt de rechtbank dat eiseres niet alleen de exacte datum niet heeft kunnen aangeven doch eveneens vaag heeft verklaard omtrent de reden van de demonstratie waaraan haar broer heeft deelgenomen en de rol van haar broer tijdens de demonstratie. Dat eiseres uit een kansarm milieu afkomstig is en is verstoken van informatie omtrent data en informatie, heeft verweerder hierbij niet van doorslaggevend belang hoeven achten. Voorts heeft verweerder de stelling van eiseres, dat zij zich kennelijk heeft vergist bij de omschrijving van de lidmaatschapskaart, onvoldoende kunnen achten om aan eiseres de verkeerde omschrijving van de lidmaatschapskaart niet tegen te werpen nu eiseres heeft verklaard dat zij de kaart altijd bij zich had. Voor zover eiseres met de in beroep overgelegde brief van 13 november 2008 van [naam 3], sociaal geneeskundige, haar verklaring dat zij is verkracht, heeft willen onderbouwen, overweegt de rechtbank dat hetgeen daarin is vermeld omtrent de seksuele mishandeling slechts kan worden aangemerkt als een weergave van het hetgeen eiseres hieromtrent aan de opsteller van de brief heeft verklaard. Dat eiseres, met betrekking tot de arrestatie van haar vader, thans aangeeft dat haar vader alleen om politieke redenen in de gevangenis is terecht gekomen en absoluut niet om andere redenen en dat documenten over de arrestatie en de doodsoorzaak niet door de autoriteiten zijn afgegeven, neemt niet weg dat eiseres voor het overige slechts vage en summiere verklaringen omtrent de politieke activiteiten en de arrestatie van haar vader heeft afgelegd. Dat zowel haar broer als haar vader haar niet informeerde over hun politieke activiteiten neemt niet weg dat verweerder van eiseres heeft kunnen verwachten dat zij hierover meer weet te verklaren, met name nu zij zelf heeft verklaard eveneens lid te zijn van dezelfde politieke partij. Tot slot heeft verweerder het voor onaannemelijk kunnen houden dat eiseres zonder problemen op legale wijze heeft kunnen uitreizen, met name nu eiseres heeft verklaard dat zij tot kort voor haar vertrek vanwege haar politieke activiteiten regelmatig werd opgepakt door de autoriteiten.

2.19. Verweerder heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat het relaas van eiseres positieve overtuigingskracht mist en terecht besloten eiseres niet aan te merken als verdragsvluchteling en een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de grond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 geweigerd.

2.20. De rechtbank overweegt verder dat eiseres haar vermoedens dat zij, als gevolg van het feit dat de Ethiopische autoriteiten door middel van een krantenartikel op de hoogte zijn geraakt van haar asielaanvraag in Nederland, de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf krijgt, niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Verweerder heeft in dit kader kunnen wijzen op het Algemeen ambtsbericht Ethiopië van december 2006 (DPV-AM-424/07/26109). Op pagina 44 van dit ambtsbericht is vermeld dat de Ethiopische autoriteiten bereid zijn teruggekeerde landgenoten te accepteren. Eiseres kan gevolgd worden in haar standpunt dat de betreffende passage van het ambtsbericht ziet op uit Eritrea terugkerende Ethiopiërs. Uit het ambtsbericht blijkt echter niet dat terugkeer van Ethiopiërs uit andere landen wel tot problemen leidt. Evenmin kan uit het ambtsbericht worden afgeleid dat personen bij terugkeer problemen ondervinden enkel vanwege het feit dat zij in het buitenland asiel hebben ingediend. Eiseres heeft in dit kader ook geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit het tegendeel zou blijken. Daarbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verweerder in dit kader heeft gewezen op artikel 32, tweede lid, van de Ethiopische grondwet, waarin het recht op bewegingsvrijheid is opgenomen. Volgens dit artikel heeft iedere Ethiopiër het recht om vrij te bewegen binnen Ethiopië en om vrijelijk uit te reizen en terug te keren. Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat – zo begrijpt de rechtbank – eiseres bij terugkeer in de bijzondere belangstelling zou staan van de autoriteiten omdat er nauwe banden zijn tussen het circus en de autoriteiten en leidinggevenden van het circus hoge posities hebben in de aan de macht zijnde partij en zij door het indienen van een asielaanvraag het circus en dus ook de autoriteiten in diskrediet heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat door of namens eiseres, behoudens de stelling dat dit zo is, geen gegevens en/of stukken in het geding zijn gebracht waaruit blijkt of aannemelijk is dat die nauwe banden tussen de autoriteiten en het circus bestaan en/of dat eiseres te maken zal krijgen met een behandeling die verboden is op grond van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM omdat de autoriteiten in diskrediet zijn gebracht. De ter zitting met goedvinden van partijen afgelegde verklaring door [naam 6], die in 2006 Ethiopië heeft bezocht en contacten had met de circussen aldaar, dat de circussen - kort gezegd - niet democratisch zijn, doet niet af aan het vorenoverwogene. Over de banden tussen de overheid en de circussen heeft zij immers niet kunnen verklaren. Ook voor het overige heeft eiseres geen stukken ingebracht waaruit de gestelde banden zijn gebleken. Ook met de aan de rechtbank ingevolge de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2009 (LJN: BJ3621, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) in dit verband toekomende volle toets van de vermoedens, is de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen komen.

2.21. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het beroep op vluchtelingschap, meer specifiek met betrekking tot de geloofwaardigheid van de door eiseres afgelegde verklaringen, en hetgeen hiervoor verder is overwogen, heeft verweerder aan eiseres terecht een verblijfsvergunning op de grond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onthouden.

2.22. Voor zover eiseres met de door haar in beroep overgelegde brief van

13 november 2008 van [naam 3], sociaal geneeskundige, heeft willen betogen dat wegens haar medische omstandigheden bij uitzetting schending dreigt van artikel 3, is de rechtbank van oordeel dat uit de door eiseres overgelegde verklaring niet blijkt dat er sprake is van een zodanige medische toestand dat sprake is van een ongeneeslijke, dan wel levensbedreigende ziekte in een vergevorderd stadium die een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.

2.23. Het vorenstaande doet de rechtbank concluderen dat het beroep voor ongegrond moet worden gehouden.

2.24. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

2.25. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. R.A. Debets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2009.

w.g. mr. R.A. Debets,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 4 augustus 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.