Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4581

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
294938 - HA ZA 07-2923
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Illegale kamerverhuur. Dwangsombesluit. Verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 294938 / HA ZA 07-2923

Vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VOORNE PUTTEN UITZENDBUREAU B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. D. Tap,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht GEMEENTE DEN HAAG,

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. R.M. Blaauw.

Partijen zullen hierna Voorne Putten en de Gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 augustus 2007 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 9 januari 2008;

- het proces-verbaal van comparitie van 16 april 2008 met de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2008 met de daarin genoemde stukken;

- de brief van mr. Tap van 18 juli 2008;

- de brief van mr. Blaauw van 9 juni 2009.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 24 juli 2006 hebben inspecteurs van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling de woning aan de [adres 1] te 's-Gravenhage gecontroleerd op de bij of krachtens de Woningwet, de Huisvestingswet en de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing gegeven voorschriften. Eigenaar van de woning was [persoon A.]. De inspecteurs hebben geconstateerd dat de woning onzelfstandig werd bewoond.

Op 16 augustus 2006 is in dit verband aan Voorne Putten een concept-dwangsombesluit toegezonden, waarbij Voorne Putten in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze op dit concept-besluit te geven. In het concept-besluit - en later ook in het hierna nog te bespreken dwangsombesluit van 24 augustus 2006 - is als bevinding van de inspecteurs opgenomen:

"Eén van de aanwezige bewoners heeft verklaard, dat de huur per persoon per week € 50,- bedraagt en wordt betaald aan Voorne Putten Uitzendbureau B.V. De heer [B.] fungeert als contactpersoon. De huursom wordt ingehouden op het salaris, dat de bewoners bij Voorne Putten Uitzendbureau B.V. verdienen."

Voorne Putten heeft van de gelegenheid een zienswijze in te dienen gebruik gemaakt bij brief van 18 augustus 2006. In die brief is onder meer opgenomen:

"Volgens uw schrijven zou er sprake zijn van illegaal kamer-/beddenverhuur. Ons inziens is hiervan geen sprake. De € 50,- per week die wij van het te ontvangen salaris van de bewoners in houden betalen wij de huur en vaste lasten aan de eigenaar van de woning. Om elke verdenking van kamerverhuur op te heffen zullen wij er tussenuit gaan (dit was slechts een service die wij onze medewerkers boden, omdat zij de Nederlandse taal niet volledig beheersen) en zullen de mensen een direct huurcontract sluiten met de eigenaar en zich inschrijven bij de gemeente. (...)"

Op 24 augustus 2006 heeft de Gemeente aan Voorne Putten een definitief dwangsombesluit gezonden. In het besluit is opgenomen:

"Gezien het vorenstaande komen wij tot de conclusie dat hier sprake is van onzelfstandige bewoning (illegale kamer-/beddenverhuur). (...)

Wij merken u, de heer [B.] als algemeen directeur en enig aandeelhouder, en uw onderneming Voorne Putten Uitzendbureau B.V. aan als overtreder. U wordt als overtreder aangemerkt aangezien één van de bewoners van de woning [adres 1] heeft verklaard, dat de huur per persoon per week wordt betaald aan Voorne Putten Uitzendbureau B.V. De huursom bedraagt € 50,- per persoon per week en wordt ingehouden op het salaris van de bewoners, dat zij verdienen bij Voorne Putten Uitzendbureau B.V.

Als verhuurder hebben u en uw onderneming het gemeenschappelijk en ieder voor zich in hun macht om een einde te maken aan de onrechtmatige situatie.

Wij gelasten daarom dat de onzelfstandige bewoning (illegale kamer-/beddenverhuur) in de woning [adres 1] vóór woensdag 20 september 2006 beëindigd is en beëindigd blijft.

(...)

Dit houdt in dat indien u de onzelfstandige bewoning (illegale kamer-/beddenverhuur) niet vóór de genoemde termijn heeft beëindigd en beëindigd houdt er een bedrag van € 12.500,- aan de gemeente toekomt (is verbeurd). Geen dwangsom zal worden verbeurd boven het bedrag van € 12.500,-. De dwangsom blijft achterwege indien u de onzelfstandige bewoning (illegale kamer-/beddenverhuur) vóór de genoemde termijn heeft beëindigd en beëindigd houdt.

Op woensdag 20 september 2006 om 13.00 uur zullen wij controleren of aan dit besluit is voldaan.

Ook na de genoemde controle zullen inspecteurs van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling regelmatig de woning [adres 1] blijven controleren om te beoordelen of u voldaan heeft aan de aanschrijving."

Voorne Putten heeft tegen dit besluit nadien geen bezwaarschrift ingediend.

In kwitanties die betrekking hebben op de maanden september 2006 en oktober 2006 en die zien op de "huur [adres 1]" is opgenomen dat van [B.] bedragen van € 650,- werden ontvangen.

In het verslag van een controle op 22 november 2006 van de woning aan de [adres 1] te 's-Gravenhage door inspecteurs van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling is onder meer opgenomen:

"De bewoners worden gehuisvest door dhr. [B.], van Voorne Putten uitzendbureau.

(...)Wie verklaarde dit: dhr. [C.] en de andere bewoners.

Huursom: € 50,00 per persoon / per week.

De verhuurder komt niet de huursom in de woning ophalen: wordt ingehouden op hun salaris."

In een brief van 16 januari 2007 schreef de Gemeente aan Voorne Putten onder meer:

"Tijdens een controle op 20 september 2006 is door inspecteurs van DSO geconstateerd, dat de onzelfstandige bewoning en illegale kamer-/beddenverhuur was beëindigd.

Echter, tijdens een hercontrole op 22 november 2006 is er door inspecteurs van DSO geconstateerd dat er wederom onzelfstandige bewoning en illegale kamer-/beddenverhuur plaatsvindt in de woning [adres 1], hetgeen in strijd is met de lastgeving in het besluit van 24 augustus 2006 om de onzelfstandige bewoning en illegale kamer-/beddenverhuur te beëindigen en beëindigd te houden. Gelet op het bovenstaande zijn wij genoodzaakt de procedure voort te zetten.

Conform het besluit van 24 augustus 2006 met kenmerk 200605094/7 vorderen wij het bedrag van € 12.500,- in. U zult hiertoe een acceptgiro ontvangen."

Voorne Putten reageerde op 17 januari 2007. In haar brief is onder meer opgenomen:

"VoornePutten B.V. doet geen illegale kamer verhuur we hebben wel paar huizen gehuurd voor ons medewerkers dat was in het verleden en dat was ook geen illegale kamer verhuur zoals u in de brief vermeld.

We hebben geen winst op dit panden gehad alleen extra service naar ons personeel toe zo dat we gemotiveerd personeel konden vinden."

De Gemeente heeft Voorne Putten op 16 februari 2007 bericht dat de brief van 17 januari 2007 geen wijziging in het ingenomen standpunt brengt.

In een schriftelijke verklaring van 19 februari 2007 van [persoon A.] is opgenomen:

"Naar aanleiding van de brief van gemeente wil ik volgende zaak op duidelijkheid stellen. Dhr [B.] VoornePutten B.V. heeft nooit eerder [adres 1] kamer gehuurd en is ook nooit huurder geweest."

Op 5 juli 2007 is aan Voorne Putten een dwangbevel van 19 juni 2007 betekend tot verhaal van het verschuldigde bedrag van € 12.500, te vermeerderen met invorderingskosten en wettelijke rente.

Bij brief van 6 maart 2007 verzocht de advocaat van Voorne Putten de Gemeente de dwangsombesluiten van 24 augustus 2006 te vernietigen. Op 16 april 2007 reageerde de Gemeente in afwijzende zin op dit verzoek. Op 19 juli 2007 is vervolgens namens Voorne Putten verzocht op de voet van het bepaalde in artikel 5:34 lid 1 Awb de last onder dwangsom op te heffen wegens gehele en blijvende onmogelijkheid om aan de verplichtingen uit deze last te voldoen. De Gemeente heeft dat verzoek op 24 juli 2007 afgewezen.

Tegen dit afwijzende besluit heeft Voorne Putten op 9 augustus 2007 bezwaar gemaakt. De Gemeente heeft dit bezwaarschrift voorgelegd aan de Adviescommissie bezwaarschriften. In een verslag van een op 19 september 2007 door deze Commissie gehouden hoorzitting is onder meer als verklaring van de bestuurder van Voorne Putten opgenomen:

"De heer [B.] herhaalt de eerdere stelling van de gemachtigde, dat er slechts sprake is geweest van een extra service aan de werknemers, in het algemeen mensen uit het buitenland. Daarnaast laat hij weten, dat hij inmiddels het VIA/SIA-diploma heeft behaald. Hiermee is het mogelijk om in de toekomst op een legale manier kamers te verhuren."

Op 20 november 2007 heeft het College van burgemeester en wethouders van de Gemeente het bezwaar van Voorne Putten tegen het besluit van 24 juli 2007 ongegrond verklaard.

De vordering

Voorne Putten vordert dat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het verzet deugdelijk wordt verklaard en het dwangbevel buiten effect wordt gesteld. Voorts vordert zij dat de rechtbank oordeelt dat de Gemeente door het invorderen van de dwangsommen misbruik maakt van haar executiebevoegdheid en dat de Gemeente het gebruik van de dwangsomtitel wordt ontzegd en dat deze titel buiten effect wordt gesteld, subsidiair dat de last onder dwangsom wordt opgeheven althans dat de Gemeente wordt veroordeeld die last op te heffen op straffe van een dwangsom en meer subsidiair vordert Voorne Putten dat de rechtbank voor recht verklaart dat zij nimmer een dwangsom heeft verbeurd of heeft kunnen verbeuren op grond van het besluit van 24 augustus 2006. Tot slot vordert zij dat de Gemeente in de kosten van het geding wordt veroordeeld.

Aan die vordering legt Voorne Putten - samengevat weergegeven - ten grondslag dat zij bij de verhuur van kamers en/of bedden in het pand aan de [adres 1] te 's-Gravenhage geen betrokkenheid heeft gehad.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer. Op stellingen en weren van partijen wordt hierna, waar nodig, nader ingegaan.

De beoordeling

Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat Voorne Putten in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

Bij beoordeling van het verzet neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het dwangsombesluit van 24 augustus 2006 formele rechtskracht heeft. Voor zover moet worden aangenomen dat Voorne Putten dat uitgangspunt ter comparitie van 16 april 2008 heeft bestreden heeft zij dat standpunt in de brief van haar advocaat van 16 mei 2008 in elk geval weer verlaten. De formele rechtskracht van het dwangsombesluit brengt mee dat de rechter in de verzetprocedure in beginsel ervan dient uit te gaan dat de dwangsombeschikking, zowel wat haar inhoud als wat haar wijze van totstandkomen betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Dat laat onverlet dat de rechter in de verzetprocedure de vrijheid heeft om de last tot een concreet omschreven prestatie naar doel en strekking ervan uit te leggen.

Inhoud van de op 24 augustus 2006 gegeven last is dat de onzelfstandige bewoning van de [adres 1] beëindigd wordt en blijft. Gelet op de motivering van de last - namelijk dat Voorne Putten als overtreder wordt aangemerkt omdat zij (kort en goed) de betaling van de huur verzorgt - moet doel en strekking van de last voorts zijn dat Voorne Putten haar betrokkenheid bij de onzelfstandige bewoning zoals die betrokkenheid in de last is uiteen gezet beëindigt en beëindigd houdt. Het bewijs van overtreding van de zo naar doel en strekking uitgelegde last rust op de Gemeente.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het voor Voorne Putten geenszins onmogelijk was te voldoen aan de hierboven uitgelegde last. Zij diende slechts haar betrokkenheid bij de onzelfstandige bewoning van de woning aan de [adres 1] op elke wijze te beëindigen en beëindigd te houden en dus ook de haar verweten wijze van betaling van de huur voor of namens haar werknemers te staken. Dat de last daartoe niet strekte, zoals Voorne Putten ter comparitie van 16 april 2008 heeft betoogd, is in het licht van de tekst van die last niet goed begrijpelijk.

Tussen partijen staat vast dat de onzelfstandige bewoning op 22 november 2006 in elk geval niet beëindigd was gehouden. Onderzocht moet worden of Voorne Putten bij die situatie betrokkenheid heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat die betrokkenheid in voldoende mate uit de over en weer in het geding gebrachte stukken en de ingenomen stellingen blijkt.

Daartoe acht de rechtbank in de eerste plaats het verslag van de controle op 22 november 2006 van belang nu daarin met zoveel woorden is opgenomen dat de bewoners blijkens hun verklaringen worden gehuisvest door Voorne Putten en dat de huursom op het loon wordt ingehouden. Dat de bewoners de naam van [B.] noemen en niet van [B.] acht de rechtbank niet relevant nu zij ook melden dat het loon op hun salaris wordt ingehouden en uit de stukken gevoegd bij de brief van de advocaat van Voorne Putten van 3 juni 2008 moet worden afgeleid dat de op 22 november 2006 aanwezige bewoners op dat moment bij Voorne Putten in dienst waren. Daarmee is duidelijk dat de verklaring duidt op betrokkenheid van Voorne Putten. Het is daarbij blijkens het dwangsombesluit ook [B.] geweest die voor de bij de controle op 24 juli 2006 geconstateerde huurbetalingen als contactpersoon voor Voorne Putten heeft gefungeerd. Dat zijn betrokkenheid Voorne Putten moet worden aangerekend staat daarmee voldoende vast. Voorne Putten heeft bij de totstandkoming van het verslag van 22 november 2006 vraagtekens geplaatst, maar tegenover de motivering van de wijze van totstandkoming van het verslag door de Gemeente zijn die vraagtekens onvoldoende concreet en onderbouwd om daaraan enige conclusie te kunnen verbinden.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het voor Voorne Putten een bestendige werkwijze was om voor haar personeel uit het (netto)salaris de huur te voldoen. Niet alleen de brief van 18 augustus 2006 (rechtsoverweging 2.3) maakt dit met zoveel woorden duidelijk, maar ook tijdens de hoorzitting van de Commissie bezwaarschriften van 19 september 2007 heeft Voorne Putten zich in die zin uitgelaten. In het proces-verbaal van de comparitie van 6 juni 2008 is opgenomen dat het loon aan "deze Polen" (bedoeld zijn de op 22 november 2006 aangetroffen bewoners) cash werd uitbetaald. Dat gebeurde volgens de ter comparitie gegeven verklaring wekelijks en "eenmaal per maand wordt het bedrag aan [A.] uitbetaald." De stelling dat Voorne Putten bij verhuur van de woning niet betrokken was, verhoudt zich slecht tot deze verklaring, die betrekking heeft op de situatie op 22 november 2006. Tot slot blijkt die bestendige werkwijze uit de achter 2.6 weergegeven kwitanties. De rechtbank stelt daarbij nog vast dat Voorne Putten, nadat zij kennis had genomen van de namen van de op 22 november 2006 aangetroffen bewoners, in de brief van haar advocaat van 3 juni 2008 nadrukkelijk de mogelijkheid heeft open gelaten "dat de werknemers zelf het geld gaven aan de heer [B.], die dit overhandigde aan de heer [A.]". Op een dergelijke werkwijze zag nu juist de last.

In het licht van deze feiten en de gedurende de procedure ingenomen proceshouding kan niet (meer) worden geconcludeerd dat Voorne Putten voldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij ook op 22 november 2006 nog betrokken was bij verhuur van de woning aan haar daar aangetroffen werknemers. In het verlengde daarvan moet worden vastgesteld dat zij geen feiten naar voren heeft gebracht die zich nog lenen voor bewijslevering. De vraag of, bij andere inspecties dan die op 22 november 2006, gebruik werd gemaakt van vragenlijsten, is voor beoordeling van deze zaak niet relevant. Het horen van de heer [B.] als getuige daarover heeft dus geen zin. Evenmin is in het licht van het bovenstaande nog doorslaggevend of de op 22 november 2006 aangetroffen bewoners goed Engels of Duits spraken. Voor de conclusie dat er enig communicatieprobleem was bij de controle op 22 november 2006 zijn immers geen aanknopingspunten te vinden. Ook het feit dat tussen de bewoners en de heer [A.] rechtstreeks huurcontracten zijn gesloten is niet relevant, nu dat aan de betrokkenheid van Voorne Putten niet afdoet. Het horen van [A.] als getuige is dus evenmin zinvol. Nu hierboven tot slot is geoordeeld dat de betwisting van haar betrokkenheid tegenover de feiten waarop die betrokkenheid duidt, onvoldoende gemotiveerd is - integendeel, in de brief van haar advocaat van 3 juni 2008 en ter comparitie van 6 juni 2008 wordt die betrokkenheid als mogelijkheid open gelaten - zal de rechtbank Voorne Putten ook niet in de gelegenheid stellen de op 22 november 2006 aangetroffen bewoners als getuigen te doen horen.

Het bovenstaande brengt mee dat het verzet niet gegrond is. De daartoe strekkende vordering moet worden afgewezen. Evenmin zijn er gronden voor de conclusie dat de Gemeente misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. De rechtbank heeft niet de bevoegdheid de last onder dwangsom op te heffen, zodat de daartoe strekkende vordering eveneens dient te worden afgewezen, terwijl er tot slot geen feiten zijn die niet hierboven al zijn besproken en die een verklaring voor recht zouden kunnen dragen dat Voorne Putten nimmer een dwangsom heeft kunnen verbeuren op grond van het besluit van 24 augustus 2006.

De vordering faalt zodoende in alle onderdelen. Voorne Putten zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op € 251,- aan verschotten en € 1.356,- aan salaris van de advocaat.

De rechter, ten overstaan van wie de comparities zijn gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

De beslissing

De rechtbank

verklaart het verzet ongegrond,

veroordeelt Voorne Putten in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 251,- aan verschotten en € 1.356,- aan salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 14e dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2009