Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4562

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
AWB 08/8755 WVO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afgifte van een verklaring van geen bezwaar aan de korpschef van de regiopolitie Zeeland geweigerd. De minister kan een verklaring van geen bezwaar slechts weigeren, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven. Verweerder komt bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn beoordelingsvrijheid toe die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst (zie bijvoorbeeld AbRS 24 september 2008, LJN BF2132). Zoals verweerder heeft gesteld gelden voor eiser, aangezien hij als korpschef een voorbeeldfunctie vervult, de hoogst denkbare integriteitsmaatstaven. Ieder risico van chantabel zijn dient te ontbreken, nu een korpschef in het kader van zijn functie in aanraking komt met zeer veel gevoelige en vertrouwelijke informatie. Van eiser mag voorts worden verlangd dat hij volledige openheid van zaken geeft in het kader van een veiligheidsonderzoek. Eiser heeft echter aanvankelijk de buitenechtelijke relaties met een voormalige collega en met zijn huidige echtgenote tijdens zijn eerste huwelijk tegenover de medewerkers van de AIVD verzwegen. Uit het veiligheidsonderzoek komt bovendien naar voren dat eiser verklaringen in strijd met de waarheid heeft afgelegd over het bestaan van andere buitenechtelijke relaties en seksuele contacten tijdens zijn eerste en tweede huwelijk. In deze verklaringen heeft hij volhard. Verweerder heeft van belang mogen achten dat de buitenechtelijke relaties en seksuele contacten veelal vrouwen betreffen die evenals eiser bij de politie (als ondergeschikte van eiser) werkzaam zijn. Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat eiser zich, mede doordat sprake is van een patroon van gedragingen, in een kwetsbare en chantabele positie heeft gemanoeuvreerd. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten minste een schijn van belangenverstrengeling is ontstaan door de koop van een van het korps afkomstige auto bij een garage waar de regiopolitie Zeeland vast zaken mee had gedaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de auto tegen een betrekkelijk lage prijs is gekocht, dat voordat de auto werd verkocht er nog werkzaamheden aan zijn verricht en dat de auto door de dochter van eiser is verkocht voor een aanzienlijk hoger bedrag dan de aankoopprijs. Gelet op zijn voorbeeldfunctie had eiser elke schijn van belangenverstrengeling dienen te voorkomen. Verweerder heeft het besluit dan ook mede op het voorval met de auto mogen baseren. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. De stelling van eiser dat de AIVD onzorgvuldig te werk is gegaan ten aanzien van het veiligheidsonderzoek, wat hier ook van zij, kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de conclusie van het veiligheidsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Regnr.: AWB 08/8755 WVO

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. P.A. van Hecke, advocaat te Rotterdam,

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder,

gemachtigde mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.

I PROCESVERLOOP

Op 8 januari 2008 heeft de regiopolitie Zeeland eiser aangemeld bij het Hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) voor een veiligheidsonderzoek.

Bij brief van 13 juni 2008 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt hem een verklaring van geen bezwaar te weigeren.

Op 27 juni 2008 heeft eiser zijn zienswijze ingediend.

Bij besluit van 16 juli 2008 heeft de Directeur Veiligheidsbevordering van de AIVD namens verweerder de afgifte van een verklaring van geen bezwaar geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het plaatsvervangend Hoofd van de AIVD namens verweerder, grotendeels overeenkomstig het advies van de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 5 december 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft ter zake van enkele op de zaak betrekking hebbende stukken met een beroep op artikel 87 van de Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2002 juncto artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken kennis mag nemen. Eiser heeft bij brief van 16 januari 2009 de rechtbank toestemming gegeven om mede op basis van die stukken uitspraak te doen. Bij brief van 26 mei 2009 heeft verweerder een kopie overgelegd van een (openbaar) rapport inhoudende het advies van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD) van 14 april 2009 dat betrekking heeft op het veiligheidsonderzoek dat de AIVD naar eiser heeft ingesteld. Een bij dit rapport behorende geheime bijlage is niet overgelegd.

Bij brief van 4 juni 2009 heeft de rechtbank partijen naar aanleiding van verzoeken van de gemachtigde van eiser medegedeeld dat de rechtbank geen kennis neemt van de door eiser ingezonden opname van het door het hoofd facilitaire zaken opgenomen gesprek tussen een AIVD-medewerker en het hoofd facilitaire zaken, dat er in de door partijen ingebrachte standpunten en gedingstukken voor haar vooralsnog geen aanknopingspunten zijn te vinden om mr. [X] op de voet van artikel 8:33 van de Awb als getuige op te roepen, dat de rechtbank geen aanleiding ziet de memorecorder en de USB-stick die door een AIVD-medewerker zijn gebruikt voor het opnemen van een gesprek bij verweerder op te vragen en dat er geen grond is om verweerder met toepassing van artikel 8:45 van de Awb op te dragen de geheime bijlage bij het rapport van de CTIVD dat betrekking heeft op het veiligheidsonderzoek naar eiser in te zenden.

De zaak is op 24 juni 2009 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II OVERWEGINGEN

1 Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) wordt onder een vertrouwensfunctie verstaan: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, Wvo wordt onder een verklaring verstaan: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, Wvo wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard daarvan, behoort.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, Wvo voor zover thans van belang, wijst Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, functies die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden aan als vertrouwensfuncties.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, Wvo meldt de werkgever een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de AIVD.

In het tweede lid is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde aanmelding slechts geschiedt met schriftelijke instemming van de betrokkene. De werkgever licht de betrokkene in over de betekenis en de rechtsgevolgen van deze aanmelding.

Op grond van het derde lid belast de werkgever een persoon eerst met de vervulling van een vertrouwensfunctie, nadat Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten aanzien van die persoon een verklaring heeft afgegeven.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Wvo wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld.

Op grond van het tweede lid omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op:

a. justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens uit politieregisters als bedoeld in de Wet politieregisters;

b. gegevens betreffende deelneming of steunverlening aan activiteiten die de nationale veiligheid kunnen schaden;

c. gegevens betreffende lidmaatschap van of steunverlening aan organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde;

d. gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

In artikel 8, eerste lid, Wvo is bepaald dat weigering van een verklaring geschiedt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat.

Ingevolge het tweede lid kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

In artikel 9, eerste lid, Wvo is bepaald dat onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevoegd is, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult. Voor het instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek is de instemming van de betrokkene niet vereist.

2 Eiser is aangemeld bij de AIVD voor een veiligheidsonderzoek in verband met een door hem sinds 1 februari 2003 vervulde vertrouwensfunctie van korpschef van de regiopolitie Zeeland. Op grond van dit onderzoek heeft verweerder geweigerd om ten behoeve van eiser een verklaring van geen bezwaar af te geven. Daartoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het veiligheidsonderzoek blijkt dat eiser geen (volledige) openheid van zaken heeft gegeven over verschillende buitenechtelijke relaties en seksuele contacten ten tijde van zijn eerste en tweede huwelijk. Daarnaast is gebleken dat hij in het kader van het onderzoek verklaringen heeft afgelegd in strijd met de waarheid.

Voorts is uit het veiligheidsonderzoek gebleken dat eiser in 2006 een afgeschreven dienstauto heeft gekocht bij een garage waarmee het korps vaste zakelijke contacten onderhoudt. Als gevolg van verschillende omstandigheden rondom de aanschaf en doorverkoop van deze auto heeft eiser zich ten minste schuldig gemaakt aan een schijn van belangenverstrengeling, aldus verweerder.

3 Eiser heeft in beroep -samengevat- het volgende aangevoerd.

De regiopolitie Zeeland heeft in 2003 verzuimd om hem aan te melden bij het hoofd van de AIVD. Dit verzuim is onopgemerkt gebleven bij de Kroonbenoeming. Op grond van het wettelijk systeem dient het veiligheidsonderzoek vooraf te gaan aan de benoeming. Verweerder was niet bevoegd om in dit stadium voor het eerst te beslissen op grond van artikel 7 juncto 8 Wvo. Op grond van artikel 10, derde lid, Awb verzet de aard van de bevoegdheid om een verklaring van geen bezwaar te weigeren zich tegen mandaatverlening. De wetgever heeft voorts aangegeven dat er in beginsel twee ministers betrokken moeten zijn bij het nemen van een beslissing die leidt tot het weigeren van een verklaring van geen bezwaar. Gezien de tekst van de wetsgeschiedenis ligt het voor de hand dat, nu verweerder de meest betrokken minister is, eveneens de betrokkenheid van de minister van Justitie bij de besluitvorming blijkt. Voorts heeft eiser aangevoerd dat de auto voor een marktconform bedrag uit de Eurotax aan het garagebedrijf [garagebedrijf] is verkocht, waarbij de kosten die net voor de verkoop zijn gemaakt te verklaren zijn vanuit het feit dat de auto moest worden “gepimpt” voor een project dat uiteindelijk niet door is gegaan. Ook werd de auto geleverd zonder garantie. Met de verkoop van de auto door het korps heeft hij geen enkele bemoeienis gehad. In dit verband heeft eiser verwezen naar het door het hoofd facilitaire zaken opgenomen gesprek tussen een AIVD-medewerker en het hoofd facilitaire zaken. Eiser heeft er voorts op gewezen dat de door de AIVD geraadpleegde bronnen geheim zijn, terwijl de informatie over eigen verklaringen eveneens voor de bronnen zelf geheim wordt gehouden. Ook de procedure die gevolgd is om de feiten vast te stellen en de daarvoor gehanteerde normen zijn geheim. Eiser heeft aangevoerd dat de procedure gelet hierop in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft er daarnaast op gewezen dat de heer [X] onderzoek heeft gedaan naar de situatie van mevrouw [Y]. Eiser heeft de indruk dat zij een sleutelrol speelt. Er zijn door de heer [X] geen onregelmatigheden ontdekt. Volgens eiser is niet voldaan aan de zorgvuldigheidseis van artikel 3:2 Awb. Ook ontbreekt een deugdelijke motivering. Voorts is artikel 3:4 Awb geschonden. De staatsveiligheid is nooit in het geding geweest, nu de informatie waarop het besluit is gebaseerd onjuist is.

4 Het bestreden besluit is ondertekend door het plaatsvervangend Hoofd van de AIVD, die daartoe op grond van artikel 2, eerste lid, onder c, juncto artikel 2, tweede lid, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfunctie en veiligheidsonderzoeken BZK 2007 bevoegd is. Verweerder heeft terecht gesteld dat het feit dat soms twee bewindspersonen bij een beslissing zijn betrokken niet betekent dat de minister de bevoegdheid tot het weigeren van een verklaring van geen bezwaar niet heeft als er geen andere minister bij de beslissing is betrokken.

Ofschoon in het geval van eiser de weigering van een verklaring van geen bezwaar van ingrijpende betekenis is, kan in het algemeen niet worden gezegd dat de weigering van een verklaring van geen bezwaar een zeer zware bestuurlijke bevoegdheid betreft die zich verzet tegen mandaatverlening of dat mandaatverlening in dit concrete geval niet is toegestaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals verweerder heeft gesteld, de AIVD bij uitstek geschikt is de resultaten van een veiligheidsonderzoek te beoordelen en daaruit de noodzakelijke conclusie te trekken.

Voorts valt niet in te zien dat verweerder niet meer bevoegd zou zijn om na vijf jaar nog een veiligheidsonderzoek uit te voeren. Het onderzoek is met instemming van eiser aangevraagd. Het zonder verklaring van geen bezwaar uitoefenen van een vertrouwensfunctie is in strijd met artikel 4, derde lid, van de Wvo. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wvo kan na vijf jaar of indien sprake is van feiten of omstandigheden die dit rechtvaardigen bovendien een heronderzoek worden uitgevoerd.

5 De minister kan een verklaring van geen bezwaar slechts weigeren, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven. Verweerder komt bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn beoordelingsvrijheid toe die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst (zie bijvoorbeeld AbRS 24 september 2008, LJN BF2132).

6 Zoals verweerder heeft gesteld gelden voor eiser, aangezien hij als korpschef een voorbeeldfunctie vervult, de hoogst denkbare integriteitsmaatstaven. Ieder risico van chantabel zijn dient te ontbreken, nu een korpschef in het kader van zijn functie in aanraking komt met zeer veel gevoelige en vertrouwelijke informatie. Van eiser mag voorts worden verlangd dat hij volledige openheid van zaken geeft in het kader van een veiligheidsonderzoek. Eiser heeft echter aanvankelijk de buitenechtelijke relaties met een voormalige collega en met zijn huidige echtgenote tijdens zijn eerste huwelijk tegenover de medewerkers van de AIVD verzwegen. Uit het veiligheidsonderzoek komt bovendien naar voren dat eiser verklaringen in strijd met de waarheid heeft afgelegd over het bestaan van andere buitenechtelijke relaties en seksuele contacten tijdens zijn eerste en tweede huwelijk. In deze verklaringen heeft hij volhard. Verweerder heeft van belang mogen achten dat de buitenechtelijke relaties en seksuele contacten veelal vrouwen betreffen die evenals eiser bij de politie (als ondergeschikte van eiser) werkzaam zijn. Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat eiser zich, mede doordat sprake is van een patroon van gedragingen, in een kwetsbare en chantabele positie heeft gemanoeuvreerd.

Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten minste een schijn van belangenverstrengeling is ontstaan door de koop van een van het korps afkomstige auto bij een garage waar de regiopolitie Zeeland vast zaken mee had gedaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de auto tegen een betrekkelijk lage prijs is gekocht, dat voordat de auto werd verkocht er nog werkzaamheden aan zijn verricht en dat de auto door de dochter van eiser is verkocht voor een aanzienlijk hoger bedrag dan de aankoopprijs. Gelet op zijn voorbeeldfunctie had eiser elke schijn van belangenverstrengeling dienen te voorkomen. Verweerder heeft het besluit dan ook mede op het voorval met de auto mogen baseren.

Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

7 De stelling van eiser dat de AIVD onzorgvuldig te werk is gegaan ten aanzien van het veiligheidsonderzoek, wat hier ook van zij, kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de conclusie van het veiligheidsonderzoek. Er bestaat voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om in te gaan op het ter zitting gedane hernieuwde verzoek om kennis te nemen van de door eiser ingezonden opname van het door het hoofd facilitaire zaken opgenomen gesprek tussen een AIVD-medewerker en het hoofd facilitaire zaken. Ook de stelling dat de geloofwaardigheid van het rapport fundamenteel is aangetast door het wissen van bestanden op de memorecorder die door een AIVD-medewerker is gebruikt voor het opnemen van een gesprek met eiser kan niet afdoen aan de conclusie van het veiligheidsonderzoek. Evenmin bestaat er aanleiding om terug te komen op de beslissing om de geheime bijlage bij het rapport van de CTIVD niet bij verweerder op te vragen. Het rapport maakt geen onderdeel uit van de besluitvorming van verweerder.

8 Het standpunt dat de procedure door beperking van de kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken in strijd is met artikel 6 EVRM wordt niet gevolgd. Zoals de AbRS in haar uitspraak van 13 juni 2007, LJN BA7084, heeft overwogen bevat voormelde bepaling van het EVRM minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, doch zijn deze niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het algemeen belang of belangen van derden procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast. De beperkingsmogelijkheid van artikel 87 van de Wiv in samenhang met artikel 8:29 van de Awb belet niet dat een volledige rechterlijke toetsing van het besluit op bezwaar plaatsvindt, zodat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast.

9 Het beroep is ongegrond.

10 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.P. Kleijn, mr. C.C. de Rijke-Maas en mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. de Graaf.

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.