Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4442

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
AWB 08/7647
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1432, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

183-dagenregeling in Verdrag Nederland-China. Voor de uitleg van het begrip kalenderjaar moet in dit geval worden uitgegaan van de betekenis van dat begrip volgens de Nederlandse wetgeving. Verweerder stelt bovendien terecht dat ook China bij de toepassing van de (belasting)wetgeving voor het begrip kalenderjaar uitgaat van een periode van 1 januari tot en met 31 december en niet van een kalenderjaar volgens de traditionele Chinese kalender. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1745
NTFR 2009/2111 met annotatie van Mr. dr. D.R. Post
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/7647 IB/PVV

Uitspraakdatum: 23 juli 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 6 oktober 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.158 (aanslagnummer [nummer]).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009. Van de zijde van eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. Namens verweerder is verschenen drs. [A].

II BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

III OVERWEGINGEN

3.1. In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of eiser voor de toepassing van artikel 15 van de overeenkomst van 13 mei 1987 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb.1987, 93; hierna: het Verdrag) in het desbetreffende kalenderjaar meer of minder dan 183 dagen in China heeft verbleven.

3.2. De uitdrukking 'kalenderjaar' is in het Verdrag niet omschreven. Dat brengt ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Verdrag mee dat voor de toepassing van het Verdrag door één van de verdragsluitende Staten de uitdrukking 'kalenderjaar', tenzij de context anders vereist, de betekenis heeft welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.

3.3.1. Anders dan eiser meent, brengt artikel 3, tweede lid, van het Verdrag mee dat de betekenis van de uitdrukking 'kalenderjaar' niet moet worden beoordeeld volgens de Chinese wetgeving, maar volgens de Nederlandse wetgeving. Het gaat in casu immers om de toepassing van het Verdrag door Nederland met betrekking tot de Nederlandse inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de context van het Verdrag vereist niet een andere betekenis.

3.3.2. Voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft de uitdrukking 'kalenderjaar' voor het onderhavige geval de betekenis van de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005. Vaststaat dat eiser in die periode minder dan 183 dagen in China heeft verbleven.

3.4. Nog afgezien van het vorenstaande stelt verweerder terecht dat ook voor de toepassing van de Chinese (belasting)wetgeving de uitdrukking 'kalenderjaar' de betekenis heeft van de periode van 1 januari tot en met 31 december en dat daarbij niet wordt uitgegaan van het kalenderjaar volgens de traditionele Chinese kalender, welk kalenderjaar in dit geval loopt van 9 februari 2005 tot en met 28 januari 2006.

3.5. Tot slot heeft verweerder gemotiveerd betwist dat eiser in de periode van 9 februari 2005 tot en met 28 januari 2006 meer dan 183 dagen in China heeft verbleven. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. L.M. Holdert.

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.