Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4440

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2009
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
AWB 08/6540
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting 2006. Aftrek van uitgaven wegens aanpassing woning toegestaan zonder voorafgaand medisch voorschrift. Eiser heeft de badkamer in zijn woning aangepast door het bad te vervangen door een douche nadat zijn echtgenote, die lijdt aan een niet behandelbare en voortschrijdende vorm van dementie, in huis ten val is gekomen. De huisarts verklaart in de bezwaarfase op verzoek van eiser dat de woningaanpassing heeft plaatsgevonden vanwege medische problematiek. De rechtbank acht aannemelijk dat er vanwege de voortschrijdende dementie in 2005 een medische indicatie – in de zin van een reden van medische aard – was om de badkamer zodanig aan te passen dat verdere valpartijen en letsel konden worden voorkomen. Bevestiging hiervoor is concreet te vinden in de plaatsgehad hebbende valpartij en de verklaring van de huisarts. Onder deze omstandigheden brengt een redelijke wetstoepassing, mede in het licht van de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 20a UBIB, mee dat in de onderhavige situatie de voorwaarde dat de woningaanpassing moet geschieden op medisch voorschrift als vervuld moet worden beschouwd. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2145 met annotatie van vanEs
FutD 2009-1824

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/6540 IB/PVV

Uitspraakdatum: 30 juli 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 7 augustus 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.483 (aanslagnummer [nummer]).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009. Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

II BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.498;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

III OVERWEGINGEN

3.1. Het geschil betreft de vraag of eiser recht heeft op aftrek als buitengewone uitgaven wegens ziekte van een bedrag van € 12.985 dat eiser in 2006 heeft betaald voor een verbouwing van de badkamer in zijn woning.

3.2. De rechtbank gaat voor dit geschil uit van de volgende vaststaande feiten.

3.2.1. Eisers echtgenote lijdt sinds 2001 aan dementie als gevolg van de ziekte van Alzheimer. De ziekte is progressief en niet behandelbaar. Om die reden stond de echtgenote niet onder medische controle. De dementie was in 2005 zover voortgeschreden dat de echtgenote (onder andere) niet meer in staat was zelfstandig in en uit bad te stappen, maar daarbij door eiser moest geholpen.

3.2.2. De echtgenote is in 2005 in huis ten val gekomen en heeft als gevolg daarvan haar heup gebroken. De opname in het ziekenhuis duurde van 8 augustus 2005 tot en met 30 augustus 2005. Aansluitend is de echtgenote ter revalidatie voor drie maanden opgenomen in een verpleegtehuis. Het betreffende indicatiebesluit van 30 augustus 2005 vermeldt onder meer het volgende: "Als gevolg van een heupfractuur en dementiële problematiek is er intensieve zorg, begeleidings- en toezichtvraag naast de noodzakelijke revalidatie".

3.2.3. De periode van drie maanden is met drie maanden verlengd tot 1 maart 2006. Het betreffende indicatiebesluit van 9 november 2005 vermeldt onder meer het volgende: "Als gevolg van een bovenbeenfractuur ervaart u belemmeringen in de mobiliteit. Daarnaast bent u bekend met een dementieel syndroom, wat leidt tot beperkingen in de sociale redzaamheid. U heeft veel hulp nodig bij de transfers en de dagelijkse activiteiten".

3.2.4. Na afloop van de tweede termijn van drie maanden is de tijdelijke opname in het verpleegtehuis omgezet in een permanente opname, omdat de revalidatie, die aanvankelijk voorspoedig verliep, toch niet succesvol bleek. De echtgenote is niet meer teruggekeerd naar de echtelijke woning.

3.2.5. In de in loop van de in 3.2.2 bedoelde periode heeft eiser besloten de badkamer in zijn woning te laten aanpassen in verband met de ziekte van zijn echtgenote en in afwachting van haar - toen nog verwachte - terugkeer naar huis. De aanpassingen omvatten met name de vervanging van het bad door een douche. De kosten hiervan bedroegen € 12.985. De verbouwing is in december 2005 voltooid.

3.2.6. Eiser heeft over de verbouwing niet vooraf overlegd met een arts.

3.2.7. De huisarts heeft op 7 juni 2008 de volgende schriftelijke verklaring verstrekt aan de echtgenote: "Hierbij bevestig ik dat er bij u vanwege medische problematiek een badkameraanpassing plaatsvond. Er is een beperking in uw lichamelijk functioneren, waarvoor opname in een verpleegtehuis plaatsvond."

3.3. Het geschil beperkt zich uitsluitend tot de vraag of is voldaan aan de in artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (tekst 2006; hierna: het UBIB) opgenomen voorwaarde dat de aanpassing van de badkamer is aangebracht op medisch voorschrift.

3.4. Artikel 20a UBIB is ingevoerd bij Besluit van 12 maart 2003 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2003, 112: hierna: het Besluit). De toelichting bij het Besluit vermeldt onder meer het volgende:

"Ook aanpassingen aan woningen en andere zaken kunnen onder omstandigheden tot de hulpmiddelen worden gerekend. In dit besluit worden ter zake op grond van de algemene lijnen in de jurisprudentie en beleidsregels op het gebied van hulpmiddelen enige criteria gesteld om tot een nadere verduidelijking en daarmee afbakening te komen. Met name een resolutie met betrekking tot het aanmerken van woningaanpassingen als hulpmiddel is hierbij van belang geweest. Bij het opstellen van de codificatie is de lijn in de jurisprudentie en beleidsbesluiten gevolgd. Voorzover de lijn in de jurisprudentie niet eenduidig was, zijn de belangen van de belastingplichtige over het algemeen voorop gesteld."

3.5. De in de toelichting genoemde resolutie betreft de Resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 21 oktober 1993, nr. DB 93/4220M, gepubliceerd in BNB 1994/61. Deze resolutie houdt onder meer het volgende in:

"Uit de ontwikkelde jurisprudentie op het gebied van de buitengewone-lastenaftrek ter zake van hulp- en kunstmiddelen is af te leiden dat voor aftrek in aanmerking komen (woning)voorzieningen die er toe strekken de zieke of invalide in staat te stellen tot het vervullen van een normale lichaamsfunctie, waartoe hij zonder die voorzieningen niet in staat zou zijn. Hierbij geldt voorts dat de voorzieningen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten gevolge van medische indicatie of op medisch voorschrift moeten zijn aangebracht en overigens (nagenoeg) niet tot waardevermeerdering of verbetering van de woning leiden."

3.6. De rechtbank leidt uit de in 3.4 en 3.5 aangehaalde passages af dat de besluitgever met artikel 20a UBIB, en met name ook voor wat betreft de daarin opgenomen criteria ter zake van woningaanpassingen, heeft willen aansluiten bij hetgeen voorheen krachtens jurisprudentie en beleidsregels geldende recht was. In die jurisprudentie en beleidsregels wordt zowel van 'medisch voorschrift' als van 'medische indicatie' gesproken.

3.7. Verweerder heeft, ter zitting daarnaar gevraagd, verklaard geen reden te hebben om aan te nemen dat de huisarts, indien hij voorafgaand aan de verbouwing van de badkamer zou zijn geraadpleegd, een andere verklaring zou hebben afgelegd dan de onder 3.2.7 weergegeven verklaring. Hij handhaaft evenwel zijn standpunt dat ten tijde van de verbouwing de (medische) noodzaak daartoe nog niet vaststond.

3.8. Gelet op de onder 3.2.1 tot en met 3.2.3 weergegeven feiten en indicatiebesluiten en de onder 3.2.7 vermelde verklaring acht de rechtbank aannemelijk dat er vanwege de voortschrijdende dementie in 2005 een medische indicatie - in de zin van een reden van medische aard - was om de badkamer zodanig aan te passen dat verdere valpartijen en letsel konden worden voorkomen. Bevestiging hiervoor is concreet te vinden in de plaatsgehad hebbende valpartij en de verklaring van de huisarts. Onder deze omstandigheden brengt een redelijke wetstoepassing, mede in het licht van de hiervoor aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis van artikel 20a UBIB, mee dat in de onder 3.2 geschetste situatie de voorwaarde dat de woningaanpassing moet geschieden op medisch voorschrift als vervuld moet worden beschouwd.

3.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. Het belastbare inkomen uit werk en woning moet worden verminderd met € 12.985, nu de drempel voor aftrek van buitengewone uitgaven wegens ziekte reeds is overschreden en het bedrag van € 12.985 als zodanig niet ter discussie staat.

3.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. L.M. Holdert.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.