Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4360

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
AWB 09/12821 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geen mededeling gedaan van verzoek om consulaire bijstand, nu er voldoende gronden zijn voor bewaring moet belangenafweging plaatsvinden. In dit geval leidt dit niet tot opheffing maatregel. Wel moet verweerder z.s.m. alsnog mededeling bij Surinaamse vertegenwoordiging doen. Er is geen sprake van ontbreken zicht op uitzetting. Sinds 24 oktober 2008 zijn enkele lp’s verstrekt onder andere begin april. Summiere informatie toch voldoende om niet aan te nemen dat zicht op uitzetting ontbreekt. Beroep ongegrond (uitspraak in hoger beroep bevestigd)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/12821 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 27 april 2009

inzake

NN PL 1349 O 090327 1857,

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1978, van Surinaamse nationaliteit,

verblijvende in het huis van bewaring te Zaandam,

gemachtigde: mr. R.M.F.R. Ketwaru, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: R.L.F. Zandbelt, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 30 maart 2009 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

1.2 Eiser heeft hiertegen op 9 april 2009 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 2009. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Als vervanger van mr. Ketwaru heeft ter zitting opgetreden mr. S. de Schutter.

1.4 Na de behandeling van het beroep ter zitting heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb wordt heropend. De rechtbank heeft bij brief van 21 april 2009 nadere vragen aan verweerder gesteld. Bij faxbericht van 24 april 2009 heeft verweerder gereageerd op het verzoek van de rechtbank. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser daarop, bij faxbericht van eveneens 24 april 2009, een reactie gegeven.

1.5 Nadat beide partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat ten onrechte als grond van de maatregel van bewaring is opgenomen dat hij zich niet zou hebben gehouden aan zijn vertrektermijn. Er is hem nooit een vertrektermijn aangezegd. Eiser heeft verzocht om consulaire bijstand. Verweerder heeft hier tot nu toe niets mee gedaan. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar Suriname. In dat kader heeft hij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 27 februari 2009 (LJN:BH5381), waaruit blijkt dat er sinds 24 oktober 2008 geen laissez passers meer zijn versterkt door de Surinaamse autoriteiten. Deze situatie is volgens eiser niet gewijzigd. De bewaring dient voorts te worden opgeheven omdat eisers belangen in deze zwaarder wegen dan die van verweerder. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat hij is gehoord zonder advocaat.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar artikel 63, derde lid, van de Vw op het standpunt gesteld dat eiser, die illegaal in Nederland verblijft, Nederland zo spoedig mogelijk had moeten verlaten. Hij heeft zich daaraan niet gehouden. Er is contact geweest met de consulaire vertegenwoordiger van Suriname. Voor eiser is immers een aanvraag om een laissez passer ingediend. Eiser is voorts niet in zijn belangen geschaad als er eerst thans consulaire bijstand zal worden verleend. Er is zicht op uitzetting. In het kader van de belangenafweging wijst verweerder naar de gronden van de maatregel van bewaring. Het belang van verweerder bij voortzetting van de maatregel van bewaring dient te prevaleren.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 De stelling van eiser dat hij niet is gehouden aan een vertrektermijn nu deze hem niet is aangezegd staat aan het aan de bewaring ten grondslag leggen van de desbetreffende grond niet in de weg. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(hierna: de Afdeling) van 21 oktober 2005 (LJN: AU5032) en 3 augustus 2006 (LJN: AY7295) volgt dat de vertrekplicht niet pas ontstaat nadat een aanzegging tot vertrek is gedaan. Gelet op voormelde uitspraken ziet de rechtbank geen aanleiding de door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 januari 2007 (LJN: AZ5954) te volgen.

2.5 Ingevolge artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de vreemdeling zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan diens naaste verwanten of aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.

2.6 Naar het oordeel van de rechtbank dient de term “onverwijld” als genoemd in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Weens Verdrag te worden uitgelegd als: zonder uitstel, dadelijk. Mitsdien dient ervan te worden uitgegaan dat in artikel 5.5 Vb 2000 is beoogd te regelen dat de mededeling aan de consulaire vertegenwoordiging onmiddellijk na de inbewaringstelling plaatsvindt.

2.7 Verweerder heeft betoogd dat er contact is geweest met de consulaire vertegenwoordiging van Suriname in verband met de aanvraag om een laissez passer. Naar het oordeel van de rechtbank kan het indienen van een aanvraag om een laissez passer niet worden gelijkgesteld met de mededeling dat de betrokken vreemdeling consulaire bijstand wenst. De rechtbank gaat er gelet op het antwoord van verweerder ter zitting vanuit dat voornoemde mededeling in deze zaak niet heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met zijn verplichting ingevolge artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000.

2.8 De rechtbank is van oordeel dat deze schending de inbewaringstelling eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Het Verdrag en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Internationaal Gerechtshof staan aan een dergelijke belangenafweging niet in de weg. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2009, (LJN:BI0057), waarin zij overweegt dat, indien de vreemdeling bij de inbewaringstelling in het geheel niet is gewezen op het recht op consulaire bijstand, alsnog een belangenafweging dient plaats te vinden. Dit geldt eens te meer in de situatie dat eiser wel is gewezen op consulaire bijstand, maar dat verweerder de bedoelde mededeling nog niet heeft gedaan.

2.9 Vaststaat dat eiser de gronden voor de inbewaringstelling, dat hij niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, verdacht wordt van het plegen van een misdrijf en zich niet heeft aangemeld bij de korpschef, niet heeft bestreden. Voorts heeft de rechtbank hiervoor al overwegen dat aan de maatregel van bewaring eveneens terecht ten grondslag is gelegd dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. Niet is niet gebleken dat eiser als gevolg van het geconstateerde gebrek nog nader en meer in het bijzonder in zijn belang is geschaad of dat de bewaring overigens in strijd is met het recht. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

De rechtbank overweegt in dit kader nog wel dat zij ervan uit gaat dat verweerder de bedoelde mededeling bij de Surinaamse consulaire vertegenwoordiging alsnog zo spoedig mogelijk zal doen.

2.10 Ten aanzien van het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank nog het volgende.

De rechtbank heeft verweerder na de zitting gevraagd of de Surinaamse autoriteiten sinds 24 oktober 2008 laissez passers hebben verstrekt en zo ja, hoeveel. Verweerder heeft bij fax van 24 april 2009 verklaard dat er sedert 24 oktober 2008 enkele laissez passers zijn verstrekt, waaronder recentelijk (begin april). De rechtbank acht deze informatie weliswaar van summiere aard maar leidt uit dit antwoord in elk geval af dat er sinds 24 oktober 2008 tenminste twee laissez passers zijn verstrekt. Hoe weinig dit ook moge zijn, niet gezegd kan worden dat er thans geen sprake is van zicht op uitzetting.

2.11 Ten aanzien van de grond dat eiser is gehoord zonder advocaat overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft op 30 maart 2009 om 20:40 uur bij de advocatenpiketdienst in Amsterdam melding gemaakt van de inbewaringstelling van eiser. Tevens is telefonisch contact gezocht met de voorkeursadvocaat van eiser, die de telefoon niet beantwoordde. Vervolgens is eiser alsnog op 30 maart 2009 om 21:00 uur gehoord zonder advocaat. Dit verhoor is nadrukkelijk niet het verhoor als bedoeld in artikel 59 van de Vw juncto artikel 5.2 van het Vb 2000. Dat verhoor heeft namelijk plaatsgevonden op 31 maart 2009 om 10:35 uur.

2.12 In paragraaf A6/5.3.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is vermeld dat, voor zover thans van belang, de vreemdeling in beginsel in het bijzijn van een advocaat wordt gehoord. Als uitgangspunt geldt hierbij dat, indien de vreemdeling rechtsbijstand bij het gehoor wil, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zich zodanig dient in te spannen dat die bijstand in redelijkheid gerealiseerd kan worden. Indien de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst, wordt zo spoedig als mogelijk de advocatenpiketdienst bij voorkeur per fax daarover ingelicht. Indien binnen twee uur na de verzending van het bericht geen advocaat aanwezig is, of indien de advocatenpiketdienst dan wel de dienstdoende advocaat te kennen geeft dat hij niet bij het gehoor aanwezig wil zijn, kan met het gehoor worden begonnen. Als de piketcentrale gesloten is, kan het gehoor na de inbewaringstelling plaatsvinden. In dat geval vangt de wachttijd van twee uur aan op het tijdstip van opening van de advocatenpiketcentrale, aldus deze paragraaf.

2.13 Eiser heeft niet bestreden dat is gehandeld in overeenstemming met het in voormelde paragraaf van de Vc 2000 neergelegde beleid met betrekking tot het in acht nemen van een wachttijd van twee uren na verzending van het faxbericht aan de advocatenpiketdienst. De rechtbank verwijst in deze naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2007 (LJN:BF2116) en is van oordeel dat verweerder eiser, nadat de wachttijd was verstreken, heeft mogen horen. Deze beroepsgrond faalt.

2.14 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.15 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M. ter Brugge en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2009.

De griffier:

mr. M.E.C. Bakker

De rechter:

mr. M. ter Brugge