Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4322

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
31-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/33696
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit 1/80 / stand still bepaling / artikel 10 lid 2 vw (oud)

Eiser heeft aangevoerd dat op 1 december 1980, artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) in samenhang met artikel 47 van het Vb (oud), een gunstiger regeling vormden dan het huidige artikel 3.51 van het Vb 2000, zodat om die reden artikel 3.51 van het Vb 2000 in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 Besluit 1/80. De rechtbank stelt echter vast dat de door eiser genoemde regelgeving uit 1980 niet zag op de vreemdeling die, zoals eiser, vanwege beëindiging van zijn (huwelijks)relatie niet meer voldoet aan de toelatingsvoorwaarden. Om die reden kan de door eiser aangevoerde beroepsgrond niet slagen. Het beroep van eiser op artikel 41 van het Aanvullend Protocol slaagt evenmin nu hij geen verblijfsvergunning heeft gevraagd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij arbeid als zelfstandige verricht, zodat deze bepaling toepassing mist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 08/33696

Datum uitspraak: 3 juli 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[de vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. N. Akbalik,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 1 november 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend tot wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [X]’ in de beperking ‘voortgezet verblijf’. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Daartegen heeft eiser op 4 juni 2007 bezwaar gemaakt.

Laatstelijk bij besluit van 20 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 17 september 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 juni 2009. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Verheijen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is in april 2001 Nederland binnengekomen. Vervolgens is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [X]’, geldig van 21 juni 2001 tot 8 mei 2002. Op 8 april 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Bij beschikking van 25 juli 2002 is deze aanvraag afgewezen. Het tegen deze beschikking gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 september 2005 gegrond verklaard, waarbij eiser in het bezit is gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning vanaf 30 juli 2004, geldig tot 1 december 2008. Deze beschikking is onherroepelijk geworden met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 april 2006.

Sedert 2 februari 2007 staat de echtscheiding tussen eiser en zijn ex-echtgenote ingeschreven in de GBA.

Bij primair besluit van 20 augustus 2008 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 2 februari 2007 ingetrokken.

Eiser heeft op 2 oktober 2008 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’.

3. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag afgewezen en deze afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd en daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd.

Eiser heeft niet voldaan aan de in artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) gestelde voorwaarde van drie achtereengesloten jaren van rechtmatig verblijf, aangezien eiser van 8 mei 2002 tot 30 juli 2004 niet in het bezit is geweest van een geldige verblijfsvergunning.

Met betrekking tot het beroep op de standstillbepaling van artikel 41 van het Aanvullend Protocol behorend bij de associatieovereenkomst EEG-Turkije wordt overwogen dat eiser geen rechten kan ontlenen aan deze bepaling omdat hij geen arbeid als zelfstandige verricht. Evenmin is sprake van strijd met de standstillbepaling als opgenomen in artikel 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad.

De weigering om aan eiser verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen eiser en zijn zoon [Y] dan wel zijn ex-echtgenote.

Eiser kan wel een verblijfsrecht ontlenen aan Besluit 1/80 op grond van het gestelde in artikel 6, eerste lid, eerste streepje van dit Besluit, doch dient daartoe een verblijfsaanvraag in te dienen onder vermelding van het correcte verblijfsdoel, te weten ‘het verrichten van arbeid in loondienst’.

4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte het beroep van eiser op de standstillbepaling als opgenomen in artikel 13 Besluit 1/80 niet ingewilligd. Daartoe betoogt eiser dat ten tijde van de inwerkingtreding van voornoemde bepaling, op 1 december 1980, op grond van (nationale) regelgeving, bedoeld wordt artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) in samenhang met artikel 47 van het Vb (oud), de (Turkse) echtgenoot die feitelijk behoorde tot het gezin van een in Nederland wonende Nederlander, verblijf voor onbepaalde tijd kon worden toegestaan indien hij gedurende één jaar de beschikking had gehad over een vergunning tot verblijf, terwijl een vreemdeling krachtens artikel 3.51 van het Vb 2000 eerst na drie jaar huwelijk met een geldige verblijfsvergunning in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. In zoverre was de regelgeving in 1980 gunstiger.

Voorts heeft verweerder ten onrechte zijn verzoek om toepassing van artikel 41 van het Aanvullend Protocol niet gehonoreerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden als neergelegd in artikel 3.51 van het Vb 2000 en dat hem ingevolge artikel 3.52 van het Vb 2000 geen verblijfsrecht toekomt. Voorts is door eiser niet bestreden dat de weigering hem verblijf toe te staan geen schending oplevert van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerders standpunt dat eiser een afzonderlijke aanvraag moet indienen teneinde zijn verblijfsrecht op grond van artikel 6, eerste lid, eerste streepje van Besluit 1/80, te gelde te maken, is evenmin door eiser weersproken.

7. Het geschil spitst zich (allereerst) toe op de vraag of eiser om de door hem aangevoerde redenen een geslaagd beroep toekomt op artikel 13 van dit Besluit.

8. Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

9. Ter invulling van zijn beroepsgrond heeft eiser gewezen op het op 1 december 1980 geldende artikel 10, tweede lid, Vw (oud) jo. 47 van het Vb (oud). Naar eiser stelt was deze regelgeving gunstiger.

10. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) jo. artikel 47 van het Vb (oud), zoals dit luidde tot 7 januari 1994, beide voor zover hier van belang, is het aan de echtgenoot die feitelijk behoort tot het gezin van een in Nederland wonende Nederlander toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, indien hij sedert tenminste één jaar in Nederland woont en hem gedurende die periode krachtens artikel 9 van de Vw (oud) verblijf in Nederland was toegestaan.

11. Zoals verweerder terecht ter zitting heeft betoogd verwoordt artikel 47 van het Vb (oud) voorwaarden voor de toelating (voor onbepaalde tijd) van, onder andere, huwelijkspartners, maar zegt deze bepaling niets over de regelgeving met betrekking tot een vreemdeling die, vanwege beëindiging van zijn (huwelijks)relatie niet meer voldoet aan de toelatingsvoorwaarden. Bij ontbinding van een huwelijk kon het op artikel 10, tweede lid, van de Vw (oud) toegekende verblijfsrecht, evenals onder huidige regelgeving mogelijk is, worden beëindigd. Uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 28 juni 1979 (TK 1978-1979, 15649, nrs. 1-2, pag. 17), aangehecht aan de ter zitting door verweerder voorgedragen en overgelegde pleitnota, blijkt dat als uitgangspunt wordt aangehouden dat na een termijn van drie jaren ononderbroken verblijf sprake is van een zodanige band met Nederland dat het afhankelijke karakter van deze verblijfstitel wordt opgeheven. Gelet hierop kan eiser niet gevolgd worden in zijn stelling dat hij anno 1980 op grond van het toen geldende artikel 47 van het Vb (oud) wel in aanmerking zou zijn gekomen voor voortgezet verblijf, zodat de door hem aangevoerde beroepsgrond niet kan slagen.

12. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op artikel 41 van het Aanvullend Protocol is van belang dat deze bepaling, blijkens de redactie ervan, ziet op het voorkomen van de invoering van nieuwe beperkingen voor hen, die zich als zelfstandig ondernemer in één der lidstaten willen vestigen. Eiser heeft geen verblijfsvergunning gevraagd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, noch heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij arbeid als zelfstandige verricht, zodat deze bepaling toepassing mist.

13. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. E.C. Ruinaard en mr. O.A.P. van der Roest, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay als griffier,

de griffier

de voorzitter

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2009

?