Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4228

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
09-997140-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, met anderen (medeverdachten [B], zijn zoon [C], [D], [E] en [F]) schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan belastingfraude door een groep tuinders in het Westland en aan valsheid in geschrift en witwassen om deze fraude mogelijk te maken. Eveneens heeft de rechtbank deelname aan twee criminele organisaties met als oogmerk het plegen van genoemde misdrijven, bewezen verklaard. Een schijnconstructie met in Spanje gevestigde rechtspersonen stelde tuinders in staat leveranties niet te boeken en op die manier uit het zicht van de fiscus te houden. Daarmee is door veel tuinders gedurende vele jaren, zich ook uitstrekkende buiten de ten last gelegde periode, in totaal een groot bedrag aan zwart geld verkregen; voor de jaren 1999 tot en met 2006 alleen al wordt dit bedrag geschat op 62 miljoen euro. Verdachte heeft de constructie die bij de belastingontduiking werd gehanteerd, al lang geleden bedacht en is voortdurend de spin in het web daarvan geweest. Hij heeft, ook ter terechtzitting, geen enkel inzicht getoond in het kwalijke daarvan en heeft vele anderen, onder wie zijn zoon, daarin meegesleept. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. (De vonnissen van de medeverdachten zijn niet gepubliceerd op rechtspraak.nl. Medeverdachte [B] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Medeverdachte [C] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 115 dagen en voorts tot een werkstraf van 240 uren. Medeverdachte [D] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Medeverdachte [E] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 256 dagen. Medeverdachte [F] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/997140-06

Datum uitspraak: 29 juli 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte [A] ],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

adres: [adres],

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 oktober 2007, 10 oktober 2007, 2 en 3 april 2008, 5 september 2008, 6 tot en met 9 en 15 juli 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. van de Kerkhof en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[T1] en/of V.O.F. [T2] en/of V.O.F. Fa. [T3] en/of [T4] B.V. en/of V.O.F. [T5] en/of [T6] C.V. en/of V.O.F. [T7] en/of [T8] en/of Fa. [T9] VOF en/of [T10]

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2007 te (respectievelijk) 's-Gravenhage en/of Monster (gemeente Westland) en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Pijnacker (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of Ter Aar (gemeente Nieuwkoop) en/of Melissant (gemeente Dirksland) en/of Zevenhuizen en/of Nootdorp (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of (elders) in Nederland,

(telkens) als degene(n) die ingevolge de Belastingwet verplicht was/waren tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, (telkens) opzettelijk een zodanige administratie niet heeft/hebben gevoerd en/of doen voeren,

immers heeft/hebben die [T1] en/of V.O.F. [T2] en/of V.O.F. Fa. [T3] en/of [T4] B.V. en/of V.O.F. [T5]. en/of [T6] C.V. en/of V.O.F. [T7] en/of [T8] en/of Fa. [T9] VOF en/of [T10]

(telkens) opzettelijk niet in hun/haar/zijn (respectievelijke) administratie(s) alle verkopen/omzet vastgelegd en/of doen vastleggen, (zodat niet te allen tijde hun/haar/zijn rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken)

terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2007 te 's-Gravenhage en/of Monster (gemeente Westland) en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Pijnacker (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of Ter Aar (gemeente Nieuwkoop) en/of Melissant (gemeente Dirksland) en/of Zevenhuizen en/of Nootdorp (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en/of Breda en/of Reeuwijk en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of (elders) in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje en/of te Hoogstraten en/of (elders) in België, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk één of meer van voornoemde strafbare feit(en) uitgelokt door beloften en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen,

immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk die [T1] en/of V.O.F. [T2] en/of V.O.F. Fa. [T3] en/of [T4] B.V. en/of V.O.F. [T5]. en/of [T6] C.V. en/of V.O.F. [T7] en/of [T8] en/of Fa. [T9] VOF en/of [T10] het voorstel gedaan en/of de gelegenheid geboden om tuinbouwproducten "zwart" aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te verkopen en die verkopen/leveringen contant betaald te krijgen,

en/of

zijnde hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003, althans 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2007 te 's-Gravenhage en/of Monster (gemeente Westland) en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Pijnacker (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of Ter Aar (gemeente Nieuwkoop) en/of Melissant (gemeente Dirksland) en/of Zevenhuizen en/of Nootdorp (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en/of Breda en/of Reeuwijk en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of (elders) in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje en/of te Hoogstraten en/of (elders) in België, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

medeplichtig geweest van één of meer van voornoemde misdrijven/misdrijf door het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van die/dat misdrijven en/of het opzettelijk gelegenheid en/of middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van die/dat misdrijven/misdrijf,

immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk die [T1] en/of V.O.F. [T2] en/of V.O.F. Fa. [T3] en/of [T4] B.V. en/of V.O.F. [T5]. en/of [T6] C.V. en/of V.O.F. [T7] en/of [T8] en/of Fa. [T9] VOF en/of [T10] de gelegenheid geboden om tuinbouwproducten "zwart" aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te verkopen en die verkopen/leveringen contant betaald te krijgen;

art 68 lid 2 ahf/ond d Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 maart 2007 te Den Haag en/of Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en/of Breda en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Reeuwijk en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of (elders) in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje en/of te Hoogstraten en/of (elders) in België, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer factu(u)r(en) van [W S.L.] en/of een of meer factu(u)r(en) van [V Ltd],

- zijnde die factu(u)r(en) (elk) een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen -

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen,

immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid op een of meer van na te noemen factu(u)r(en) (zakelijk weergegeven) vermeld en/of doen vermelden:

- op Invoice 1161 gedateerd 17 oktober 2006 (D-111.1), dat door [W S.L.] (op 13 oktober 2006) (300 dozen) tomaten (TOMB1) tot een bedrag van 1.110,60 aan [X B.V.] B.V. geleverd zijn en/of

- op Invoice 1170 gedateerd 6 november 2006 (D-112.1), dat door [W S.L.] (op 3 november 2006) (152 dozen) tomaten (TOMTR5) tot een bedrag van 1.786,00 aan [X B.V.] B.V. geleverd zijn en/of

- op Invoice 1167 gedateerd 31 oktober 2006 (D-113.1), dat door [W S.L.] (op 26 oktober 2006) (240 dozen) paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 1.680,00 aan [X B.V.] B.V. geleverd zijn en/of

- op Invoice 1162 gedateerd 18 oktober 2006 (D-114.1), dat door [W S.L.] (op 10 oktober 2006) (200 dozen) paprika's (PAPRD75) tot een bedrag van 1.812,00 en/of

(op 11 oktober 2006) (100 dozen) paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 804,50 en/of (100 dozen) paprika's (PAPRD75) tot een bedrag van 768,00 en/of (op 12 oktober 2006) (100 dozen) paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 741,50 aan [X B.V.] B.V. geleverd zijn en/of

- op Invoice 1177 gedateerd 13 november 2006 (D-116.1), dat door [W S.L.] (op 6 november 2006) (450 kisten) spruiten (SPRB115MM) tot een bedrag van 3.577,50 aan [X B.V.] B.V. geleverd zijn en/of

- op Invoice 1160 gedateerd 16 oktober 2006 (D-115.1), dat door [W S.L.] (op 10 oktober 2006) (200 kisten) spruiten (SPRA115MM) tot een bedrag van 1.230,00 en/of (200 kisten) spruiten (SPRM15MM) tot een bedrag van 1.470,00 en/of (160 kisten) spruiten (SPRB115MM) tot een bedrag van 1.488,00 aan [X B.V.] B.V. geleverd zijn en/of

- op Invoice 1175 gedateerd 8 november 2006 (D-051.1), dat door [W S.L.] (op 7 november 2006) (528 dozen) paprika's (PAPOR85) tot een bedrag van 3.220,80 en/of (88 dozen) paprika's (PAPOR75) tot een bedrag van 418,00 en/of (1320 dozen) tomaten (TOMB1) tot een bedrag van 6.098,40 aan [X B.V.] B.V. geleverd zijn en/of

- op Invoice 1222 gedateerd 15 maart 2007, dat door [W S.L.] (op 13 maart 2007) (100 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 195,00 aan [Y B.V.] Selection B.V. geleverd zijn/is en/of

- op Invoice 1225 gedateerd 19 maart 2007, dat door [W S.L.] (op 14 maart 2007) (208 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 405,60 en/of (op 15 maart 2007) (200 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 360,00 en/of (op 16 maart 2007) (220 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 396,00 en/of (op 19 maart 2007) (200 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 360,00 en/of (op 20 maart 2007) (111 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 216,45 aan [Y B.V.] geleverd zijn/is en/of

- op Invoice VS13242 gedateerd 30 oktober 2006 (D-119), dat door [V Ltd] (op 25 oktober 2006) (100 dozen) radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 375,00 en/of (op 26 oktober 2006) (110 dozen) radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 412,50 en/of (op 27 oktober 2006) (120 dozen) radijs (RADMG10MM) tot een bedrag van 300,00 en/of (50 dozen) radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 187,50 en/of aan [Y B.V.] geleverd zijn/is en/of

- op Invoice VS13202 gedateerd 12 oktober 2006 (D-117), dat door [V Ltd] (op 5 oktober 2006) (120 dozen) paprika's (PAPGR65) tot een bedrag van 314,40 en/of (240 dozen paprika's (PAPGR75) tot een bedrag van 928,80 en/of (480 dozen) paprika's (PAPGR85) tot een bedrag van 2.577,60 aan [Y B.V.] geleverd zijn,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een of meer ander(en) te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[W S.L.] en/of [V Ltd],

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 maart 2007 te Den Haag en/of Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en/of Breda en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Reeuwijk en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of (elders) in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje en/of te Hoogstraten en/of (elders) in België, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(respectievelijk) een of meer factu(u)r(en) van [W S.L.] en/of een of meer factu(u)r(en) van [V Ltd], - zijnde die factu(u)r(en) (elk) een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen -

(telkens) valselijk hebben/heeft opgemaakt en/of valselijk hebben/heeft doen opmaken en/of hebben/heeft vervalst en/of hebben/heeft doen vervalsen,

immers hebben/heeft (respectievelijk) [W S.L.] en/of [V Ltd], en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid op een of meer van na te noemen factu(u)r(en) (zakelijk weergegeven) vermeld en/of doen vermelden:

- op Invoice 1161 gedateerd 17 oktober 2006 (D-111.1), dat door [W S.L.] (op 13 oktober 2006) (300 dozen) tomaten (TOMB1) tot een bedrag van 1.110,60 aan [X B.V.] geleverd zijn en/of

- op Invoice 1170 gedateerd 6 november 2006 (D-112.1), dat door [W S.L.] (op 3 november 2006) (152 dozen) tomaten (TOMTR5) tot een bedrag van 1.786,00 aan [X B.V.] geleverd zijn en/of

- op Invoice 1167 gedateerd 31 oktober 2006 (D-113.1), dat door [W S.L.] (op 26 oktober 2006) (240 dozen) paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 1.680,00 aan [X B.V.] geleverd zijn en/of

- op Invoice 1162 gedateerd 18 oktober 2006 (D-114.1), dat door [W S.L.] (op 10 oktober 2006) (200 dozen) paprika's (PAPRD75) tot een bedrag van 1.812,00 en/of (op 11 oktober 2006) (100 dozen) paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 804,50 en/of (100 dozen) paprika's (PAPRD75) tot een bedrag van 768,00 en/of (op 12 oktober 2006) (100 dozen) paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 741,50 aan [X B.V.] geleverd zijn en/of

- op Invoice 1177 gedateerd 13 november 2006 (D-116.1), dat door [W S.L.] (op 6 november 2006) (450 kisten) spruiten (SPRB115MM) tot een bedrag van 3.577,50 aan [X B.V.] geleverd zijn en/of

- op Invoice 1160 gedateerd 16 oktober 2006 (D-115.1), dat door [W S.L.] (op 10 oktober 2006) (200 kisten) spruiten (SPRA115MM) tot een bedrag van 1.230,00 en/of (200 kisten) spruiten (SPRM15MM) tot een bedrag van 1.470,00 en/of (160 kisten) spruiten (SPRB115MM) tot een bedrag van 1.488,00 aan [X B.V.] geleverd zijn en/of

- op Invoice 1175 gedateerd 8 november 2006 (D-051.1), dat door [W S.L.] (op 7 november 2006) (528 dozen) paprika's (PAPOR85) tot een bedrag van 3.220,80 en/of (88 dozen) paprika's (PAPOR75) tot een bedrag van 418,00 en/of (1320 dozen) tomaten (TOMB1) tot een bedrag van 6.098,40 aan [X B.V.] geleverd zijn en/of

- op Invoice 1222 gedateerd 15 maart 2007, dat door [W S.L.] (op 13 maart 2007) (100 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 195,00 aan [Y B.V.] geleverd zijn/is en/of

- op Invoice 1225 gedateerd 19 maart 2007, dat door [W S.L.] (op 14 maart 2007) (208 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 405,60 en/of (op 15 maart 2007) (200 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 360,00 en/of (op 16 maart 2007) (220 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 396,00 en/of (op 19 maart 2007) (200 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 360,00 en/of (op 20 maart 2007) (111 dozen) radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 216,45 aan [Y B.V.] geleverd zijn/is en/of

- op Invoice VS13242 gedateerd 30 oktober 2006 (D-119), dat door [V Ltd] (op 25 oktober 2006) (100 dozen) radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 375,00 en/of (op 26 oktober 2006) (110 dozen) radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 412,50 en/of (op 27 oktober 2006) (120 dozen) radijs (RADMG10MM) tot een bedrag van 300,00 en/of (50 dozen) radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 187,50 en/of aan [Y B.V.] geleverd zijn/is en/of

- op Invoice VS13202 gedateerd 12 oktober 2006 (D-117), dat door [V Ltd] (op 5 oktober 2006) (120 dozen) paprika's (PAPGR65) tot een bedrag van 314,40 en/of (240 dozen paprika's (PAPGR75) tot een bedrag van 928,80 en/of (480 dozen) paprika's (PAPGR85) tot een bedrag van 2.577,60 aan [Y B.V.] geleverd zijn,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een of meer ander(en) te doen gebruiken,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 november 2006 te Den Haag en/of Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en/of Breda en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Reeuwijk en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of (elders) in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje en/of te Hoogstraten en/of (elders) in België,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en),

te weten een of meer van de navolgende geldbedrag(en):

- 2.410 euro (AH-76 pagina 5) en/of

- 1.020 euro (AH-77 pagina 5) en/of

- 1.510 euro (AH-78 pagina 5) en/of

- 1.450 euro (AH-79 pagina 5) en/of

- 3.555 euro (AH-80 pagina 5) en/of

- 5.980 euro (AH-81 pagina 6) en/of

- 2.990 euro (AH-82 pagina 5) en/of

- 3.490 euro (AH-83 pagina 6) en/of

- 63.500 euro (AH-85 pagina 5),

althans (telkens) enig geldbedrag,

voorhanden heeft gehad en/of voorhanden heeft doen hebben en/of heeft overgedragen en/of heeft doen overdragen en/of heeft omgezet en/of heeft doen omzetten (van giraal naar chartaal geld),

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) (geldbedragen) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) al dan niet van het plegen van voormelde strafbare feiten, zijnde "witwassen", een gewoonte gemaakt,

(art 420bis/ter Wetboek van Strafrecht)

althans

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de navolgende geldbedrag(en):

- 2.410 euro (AH-76 pagina 5) en/of

- 1.020 euro (AH-77 pagina 5) en/of

- 1.510 euro (AH-78 pagina 5) en/of

- 1.450 euro (AH-79 pagina 5) en/of

- 3.555 euro (AH-80 pagina 5) en/of

- 5.980 euro (AH-81 pagina 6) en/of

- 2.990 euro (AH-82 pagina 5) en/of

- 3.490 euro (AH-83 pagina 6) en/of

- 63.500 euro (AH-85 pagina 5),

althans (telkens) enig geldbedrag,

voorhanden heeft gehad en/of voorhanden heeft doen hebben en/of heeft overgedragen en/of heeft doen overdragen en/of heeft omgezet en/of heeft doen omzetten (van giraal naar chartaal geld),

terwijl hij en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) (geldbedragen) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

art 420quater Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4. ([X B.V.])

hij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 2007 te Den Haag en/of Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en/of Reeuwijk en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of (elders) in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje,

(telkens) al dan niet als oprichter en/of leider en/of bestuurder, heeft deelgenomen aan een organisatie(s), bestaande uit (onder meer) hem, verdachte, en/of [medeverdachte B] en/of [medeverdachte C] en/of [medeverdachte D] en/of [medeverdachte E],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- valsheid in geschrift (in leveringsbescheiden van tuinbouwproducten aan [X B.V.] en/of facturen betreffende deze leveringen van [V Ltd] en/of [W S.L.] en/of het verwerken van die bescheiden in de bedrijfsadministratie van [X B.V.] ) (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften onjuist of onvolledig doen, terwijl die feiten ertoe strekten dat telkens te weinig belasting wordt geheven; (verzwijging van de omzet/inkomsten van "zwarte" leveringen door tuinders) (artikel 69 lid 2 AWR) en/of

- het opzettelijk in strijd met op grond van de belastingwet opgelegde verplichtingen, geen administraties voeren overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, terwijl die feiten ertoe strekten dat telkens te weinig belasting wordt geheven; (het opzettelijk niet registreren van de leveringen en de omzet/inkomsten van de tuinbouwproducten door de tuinders) (artikel 68 lid 2 sub d jo 69 lid 1 AWR)

- witwassen (met ingang van 14 december 2001) (de geldstromen die hun oorsprong vinden in de valsheden en het niet registreren van de leveringen en de omzet/komsten van de tuinbouwproducten door de tuinders (artikelen 420bis, 420ter en 420quater Wetboek van Strafrecht) en/of

- heling (artikelen 416, 417 en 417bis Wetboek van Strafrecht) en/of

- de opzettelijke uitlokking van en opzettelijke medeplichtigheid aan dan wel bij voornoemde misdrijven;

en/of

([Y B.V.])

hij, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2007 te Den Haag en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Breda en/of (elders) in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje en/of te Hoogstraten en/of (elders) in België,

(telkens) al dan niet als oprichter en/of leider en/of bestuurder, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) hem, verdachte, en/of [medeverdachte F] en/of [medeverdachte C] en/of [medeverdachte D] en/of [medeverdachte E] en/of

welke organisatie tot oogmerk had(den) het plegen van misdrijven, namelijk

- valsheid in geschrift (in leveringsbescheiden van tuinbouwproducten aan [Y B.V.] en/of facturen betreffende deze leveringen van [V Ltd] en/of [W S.L.] en/of het verwerken van die bescheiden in de bedrijfsadministratie van [Y B.V.]) (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften onjuist of onvolledig doen, terwijl die feiten ertoe strekten dat telkens te weinig belasting wordt geheven; (verzwijging van de omzet/inkomsten van "zwarte" leveringen door tuinders) (artikel 69 lid 2 AWR) en/of

- het opzettelijk in strijd met op grond van de belastingwet opgelegde verplichtingen, geen administraties voeren overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, terwijl die feiten ertoe strekten dat telkens te weinig belasting wordt geheven; (het opzettelijk niet registreren van de leveringen en de omzet/inkomsten van de tuinbouwproducten door de tuinders) (artikel 68 lid 2 sub d jo 69 lid 1 AWR)

- witwassen (met ingang van 14 december 2001) (de geldstromen die hun oorsprong vinden in de valsheden en het niet registreren van de leveringen en de omzet/komsten van de tuinbouwproducten door de tuinders (artikelen 420bis, 420ter en 420quater Wetboek van Strafrecht) en/of

- heling (artikelen 416, 417 en 417bis Wetboek van Strafrecht) en/of

- de opzettelijke uitlokking van en opzettelijke medeplichtigheid aan dan wel bij voornoemde misdrijven;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. De dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

Bij pleidooi zijn door de raadslieden van de overige verdachten in deze zaak diverse verweren gevoerd, onder meer met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De raadsman van verdachte heeft naar aanleiding hiervan verklaard dat “hij zich aansluit bij alle vorige sprekers, doch uitsluitend voor zover voor hem van belang.” Een dergelijke algemene, ongespecificeerde verwijzing volstaat volgens vaste jurisprudentie echter niet om één of meer verweren als uitdrukkelijk voorgedragen te kunnen beschouwen, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Nietigheid van de dagvaarding

De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op met betrekking tot feit 4:

De rechtbank zal tot een partiele nietigheid van de tenlastelegging komen, omdat het misdrijf “heling”, als een van de misdrijven waarop de criminele organisatie zich volgens het Openbaar Ministerie heeft gericht, niet voldoende feitelijk geconcretiseerd is en evenmin uit het dossier valt op te maken op welke feitelijke gedraging de dagvaarding ziet.

Voor het overige is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die moeten leiden tot de conclusie dat de dagvaarding nietig is of de rechtbank niet bevoegd zou zijn. Evenmin is gebleken van feiten en omstandigheden die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie of die reden geven tot schorsing van de vervolging.

4. Het bewijs(1)

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met anderen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2007 diverse tuinders heeft uitgelokt tot dan wel behulpzaam is geweest bij het scheppen van de mogelijkheid om leveranties buiten de boeken te houden ten nadele van de fiscus door deze tuinders de mogelijkheid te bieden hun producten ‘zwart’ aan hem en zijn medeverdachten te laten verkopen en die verkopen contant betaald te krijgen (feit 1). Tevens wordt verdachte ervan verdacht dat hij met anderen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 maart 2007 meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd (feit 2). Daarnaast zou verdachte met anderen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 november 2006 een gewoonte hebben gemaakt van geld witwassen (feit 3). Tot slot bestaat de verdenking dat verdachte gedurende de periode 1 januari 1996 tot en met 31 maart 2007 deel uitmaakte van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (feit 4).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de onder feit 1 ten laste gelegde ´uitlokking´ en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1 (voorzover betrekking hebbend op de ‘medeplichtigheid’), feit 2 primair, feit 3 (ten aanzien van gewoonte witwassen) en feit 4 heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van alle feiten bepleit.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4:

De handelsstroom

Centraal in deze strafzaak staat de vraag of een handelsstroom, waarbij door Spaanse rechtspersonen in Nederland geteelde tuinbouwproducten zouden worden geleverd aan in Nederland gevestigde groothandels een reële commerciële handelsactiviteit is, of dat deze handelsstroom slechts op papier de afdekking is van een constructie, die tot doel heeft zwart geld te creëren ten behoeve van tuinders in het Westland. In de visie van het Openbaar Ministerie is dit laatste het geval, hetgeen meebrengt dat bij de uitvoering van de constructie meerdere strafbare feiten worden gepleegd.

Ter beantwoording van die centrale vraag heeft de rechtbank het verloop van deze handelsstroom – dat wil zeggen de leveranties en de administratieve en financiële afwikkeling daarvan – zoals deze door de verbalisanten in het dossier is beschreven(2), ter terechtzitting aan de verdachten voorgehouden. In algemene zin is de beschreven gang van zaken door de verdediging als zodanig niet bestreden. Derhalve gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

In de bewuste handelsstroom worden door Nederlandse tuinders geteelde tuinbouwproducten rechtstreeks vervoerd naar [X B.V.] (verder: [X B.V.]) of [Y B.V.] (verder: [Y B.V.]). In de ter discussie staande handelsstroom spelen twee buitenlandse rechtspersonen een rol, namelijk de in 1995 in Gibraltar gevestigde rechtspersoon [V Ltd] (verder: [V Ltd]) en (vanaf juni 2005) de in Spanje gevestigde rechtspersoon [W] S.L.(verder: [W S.L.])(3), welke rol in het navolgende nader zal worden beschreven.

De feitelijke gang van zaken laat zich in het algemeen als volgt beschrijven:

- de betrokken tuinders leveren – na voorafgaand contact of overleg met een vaste contactpersoon – tuinbouwproducten aan bij [X B.V.] of [Y B.V.];

- bij [X B.V.] en [Y B.V.] worden deze producten administratief verwerkt als leveranties van [V Ltd]/[W S.L.]. [V Ltd]/[W S.L.] krijgt hierover van genoemde contactpersonen faxen met de relevante informatie (omtrent de soort, de hoeveelheid, de kwaliteit en de dagprijs) van de aangeleverde producten. De dagprijs is de prijs die [X B.V.] en [Y B.V.] voor de geleverde producten betalen aan hun leveranciers;

- [V Ltd]/[W S.L.] stelt aan de hand van deze gegevens een factuur op voor [X B.V.] danwel voor [Y B.V.];

- [X B.V.] en [Y B.V.] voldoen vervolgens deze facturen giraal op de in Nederland aangehouden bankrekeningen van [V Ltd]/[W S.L.];

- Van deze bankrekeningen worden hierna bedragen contant opgenomen, waarmee de tuinders worden betaald voor de door hen geleverde producten. De prijs die de tuinders daarbij voor hun producten betaald krijgen, bedraagt in het algemeen 85% van de dagprijs.

Binnen deze gang van zaken valt een aantal varianten te onderscheiden, naar gelang het gaat om leveringen aan [X B.V.] of aan [Y B.V.] en afhankelijk van de contactpersoon van de betrokken tuinders. Deze nadere uitsplitsing geeft het volgende beeld.

I. [X B.V.]

Bij de leveringen aan [X B.V.] kan een onderscheid worden gemaakt tussen leveranties door tuinders die vallen aan te merken als reguliere tuinders van [X B.V.] (dat wil zeggen: tuinders die een overeenkomst met [X B.V.] hebben tot levering van tuinbouwproducten) en tuinders die geen reguliere relatie met [X B.V.] hebben.

‘Groep [verdachte B]’

Contactpersoon voor de eerste groep was binnen [X B.V.] verdachte [B] en om deze reden wordt in het dossier ook wel gesproken van de ‘groep [verdachte B]’. Verdachte [B] was als ‘telersbegeleider’ in loondienst bij [X B.V.]. Vanuit deze functie was hij verantwoordelijk voor de contacten met de tuinders in Nederland: hij verzorgde de contracten en als er problemen waren, loste hij deze op.(4) In de zich in het dossier bevindende ambtshandelingen 84 en 85 worden twee transacties beschreven met betrekking tot producten van tuinders uit deze ‘groep’. Uit deze, door de verdediging in zoverre niet bestreden, beschrijving en de daarbij gevoegde verklaringen en documenten blijkt de volgende feitelijke gang van zaken:

- de tuinders die regulier aan [X B.V.] leveren, dienen normaal gesproken via het computersysteem ‘[systeem]’ aan [X B.V.] op te geven wat zij de komende dagen zullen aanleveren. In afwijking hiervan nemen tuinders uit de ‘groep [verdachte B]’ met enige regelmaat per telefoon of fax contact op met verdachte [B], wanneer zij buiten dit systeem om extra partijen willen leveren;

- op aanwijzing van [B] wordt dit laatste type levering bij [X B.V.] geboekt als een levering van [V Ltd]/[W S.L.];

- de reguliere, via [systeem] aangekondigde levering, en de bij [B] aangemelde levering worden door de tuinder vrijwel steeds met één en hetzelfde transport naar [X B.V.] gebracht;

- na aflevering bij [X B.V.] worden de specificaties van de bij [B] aangemelde levering (soort, hoeveelheid, kwaliteit en dagprijs) vanuit [X B.V.] per fax doorgegeven aan [V Ltd]/[W S.L.];

- [V Ltd]/[W S.L.] factureert op basis van deze gegevens bedoelde levering aan [X B.V.], waarna [X B.V.] deze factuur per bank aan [V Ltd]/[W S.L.] betaalt;

- [V Ltd] (in de persoon van verdachte [verdachte]) geeft opdracht aan zijn Nederlandse bank om de benodigde gelden klaar te maken en aan de in Nederland op die bankrekening gemachtigde verdachte [D] om dit geld contant op te nemen;

- [D] draagt het contante geld in een enveloppe over aan verdachte [B];

- [B] betaalt de betrokken tuinders voor de door hen geleverde producten contant een bedrag uit, dat in het algemeen 85% van de dagprijs bedraagt.

‘Groep [verdachte D]/[verdachte E]’

Deze groep betreft tuinders die geen contractuele relatie hadden met [X B.V.]. De contactpersoon voor deze tuinders was verdachte [E]. In het dossier(5) is een aantal transacties met betrekking tot producten van tuinders uit deze ‘groep’ beschreven. Dit levert het volgende beeld op:

- een tuinder neemt contact op met [E] met de mededeling dat hij producten wil leveren;

- [E] haalt de partij met een door [V Ltd]/[verdachte] gehuurde vrachtauto op bij de tuinder en levert deze aansluitend af bij [X B.V.]. Na het ophalen schrijft [E] een blanco bon uit. De naam van de tuinder wordt niet vermeld en de tuinder krijgt ook geen afschrift van de bon(6). Op deze bon vermeldt hij dan de soort, de hoeveelheid en de kwaliteit van de opgehaalde producten en vermeldt hij als leverancier [V Ltd]/[W S.L.];

- [X B.V.] krijgt een afschrift van de bon en dezelfde avond verzendt [E] de bon per fax (nogmaals) aan [X B.V.] en naar het privé-adres van verdachte [B]. Voorts faxt [E] de bon naar [V Ltd]/[W S.L.]. Op deze fax zijn de gegevens op de bon aangevuld: nu vermeldt de bon ook een codenaam voor de betrokken tuinder;

- op basis van de door [E] opgestelde bon wordt de levering bij [X B.V.] geadministreerd als een levering van [V Ltd]/[W S.L.]. Als ook de dagprijs van de geleverde producten bekend is, faxt [X B.V.] vervolgens alle gegevens aan [V Ltd]/[W S.L.];

- [V Ltd]/[W S.L.] stelt een factuur op, waarmee [V Ltd]/[W S.L.] de levering aan [X B.V.] in rekening brengt. [X B.V.] betaalt deze rekening per bank;.

- [V Ltd] (wederom in de persoon van verdachte [A]) faxt hierna aan verdachte [D] gespecificeerde overzichten waarop staat vermeld hoeveel aan iedere, alleen met codenaam aangeduide, tuinder moet worden uitbetaald;

- [D] neemt bij de bank contant geld op en betaalt de betrokken tuinders vervolgens voor de door hen geleverde producten contant een bedrag van in het algemeen 85% van de dagprijs uit;

- uitzondering op het voorgaande betreft een groep spruitentelers. Deze worden door [E] zelf uitbetaald. [E] krijgt daartoe via verdachte [D] een contant bedrag in handen, waaruit [E] op zijn beurt deze groep telers contant voldoet.(7)

II. [Y B.V.]

‘Groep [verdachte D]/[verdachte E]’

De beschrijvingen in het dossier(8) van tuinders die leveren aan [Y B.V.] leveren vrijwel hetzelfde beeld op als bij de leveringen door tuinders uit de ‘groep [verdachte D]/[verdachte E]’ aan [X B.V.]:

- een tuinder neemt contact op met verdachte [E] met de mededeling dat hij producten voor hem heeft;

- [E] haalt de levering met een door [V Ltd]/[verdachte] gehuurde vrachtauto op bij de tuinder en levert deze aansluitend af bij [Y B.V.]. Na het ophalen schrijft [E] een blanco bon op naam van [Y B.V.] uit. [E] beschikt hiertoe over een bonnenboek van [Y B.V.].(9) De naam van de tuinder wordt niet vermeld en de tuinder krijgt ook geen afschrift van de bon.(10) Op deze bon vermeldt hij dan de soort, de hoeveelheid en de kwaliteit van de opgehaalde producten en vermeldt hij als leverancier [V Ltd]/[W S.L.];

- bij aflevering bij [Y B.V.] overhandigt [E] een afschrift van de bon aan een medewerker van [Y B.V.], waarna de levering vervolgens in de administratie verwerkt wordt als een levering door [V Ltd]/[W S.L.]. ’s Avonds faxt [E] de bon naar [V Ltd]. Ook hier zijn de gegevens op de bon dan aangevuld met een codenaam voor de betreffende tuinder;

- als alle gegevens met betrekking tot de levering bekend zijn, worden deze door verdachte [F] per e-mail doorgegeven aan [V Ltd]/[W S.L.]. Verdachte [F] was tot 2004 mede-eigenaar van [Y B.V.] en bleef ook na de verkoop van zijn aandelen betrokken bij het bedrijf in het kader van een administratieve functie(11) en bleef daarnaast met uitsluiting van anderen de contactpersoon van [V Ltd]/[W S.L.] bij [Y B.V.];(12)

- [V Ltd]/[W S.L.] stuurt [Y B.V.] vervolgens een factuur voor de levering, die dan door [Y B.V.] per bank wordt voldaan;

- verdachte [verdachte] faxt hierna aan verdachte [D] gespecificeerde overzichten waarop staat vermeld hoeveel aan iedere tuinder dan wel aan [F] moet worden uitbetaald. De tuinders worden ook in deze overzichten met een codenaam aangeduid;

- [D] neemt bij de bank contant geld op en betaalt de betrokken tuinders dan wel [F] vervolgens contant een bedrag uit, dat, zoals hierboven beschreven, ook in deze variant in het algemeen 85% van de dagprijs bedraagt.

Beoordeling van de constructie

Tegen de achtergrond van de voorgaande vaststaande feiten zal de rechtbank beoordelen hoe zij de handelsstroom ziet.

Zoals hiervoor reeds werd aangestipt, ligt aan de verwijten die de officier van justitie verdachte in de tenlastelegging maakt, ten grondslag dat het beeld van reguliere handel in tuinbouwproducten tussen betrokkenen de werkelijkheid niet dekt. Het gaat hier volgens de officier om een bewust opgezette schijnconstructie. Het uitsluitende doel van de gebruikte methode is om zwart geld te creëren, op een wijze die voor de Nederlandse fiscus niet traceerbaar is.

De verdediging stelt hier tegenover, dat hier niets anders aan de orde is dan een legale en profijtelijke handelsrelatie en heeft daartoe betoogd dat en hoe de hele gang van zaken, derhalve de leveranties, en de administratieve en financiële afwikkeling daarvan, zich vanuit het burgerlijk recht volledig laat verklaren en duiden.

De rechtbank stelt voorop dat voornoemd standpunt van de officier niet de vorm maar het wezen van de transacties aan de orde stelt. De civielrechtelijke beschouwingen van de verdediging kunnen bij die stand van zaken dan ook onbesproken blijven, aangezien ook overeenkomsten naar burgerlijk recht zeer wel een schijnconstructie kunnen opleveren, bedoeld om strafrechtelijk relevante transacties aan het zicht, met name dat van de fiscus, te onttrekken.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak sprake is van een schijnconstructie, die een ander onderliggend doel moet afdekken. Dat doel is om tuinders in de gelegenheid te stellen buiten het oog van de fiscus inkomsten te verwerven. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

(1) Doel van de contante betaling

De toegepaste handelsstroom, zoals hierboven beschreven, doet de vraag rijzen waarom tuinders op deze manier willen verkopen, nu zij genoegen nemen met 85% van de prijs die [X B.V.] en [Y B.V.] betalen. Ook als in aanmerking wordt genomen dat bij rechtstreekse levering aan [X B.V.] en [Y B.V.] de transportkosten voor rekening van de tuinder zouden zijn, zoals door [verdachte] is gesteld(13), komen die kosten neer op een gering percentage van de gederfde inkomsten, die geen verklaring geven waarom de tuinders met een veel lagere prijs genoegen namen.

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat de reden hiervoor vooral is gelegen in het feit dat [V Ltd] en [W S.L.] contant uitbetaalden. Desgevraagd heeft hij verklaard niet zeker te weten, waarom tuinders contant geld wilden, behoudens het feit dat hij wel eens gehoord had dat ze zwaar gefinancierd werden door de bank en zo graag een zakcentje zouden hebben.(14)

Verdachte [E] heeft wel een verklaring gegeven voor de aantrekkelijkheid van het contant geld. Verdachte [verdachte] heeft hem de constructie zo uitgelegd dat de tuinder 85% van de gemiddelde dagprijs van zijn product netto zwart uitbetaald zou krijgen.(15) Uit zijn verklaring omtrent de vergoeding, die hij zelf van verdachte [verdachte] voor zijn aandeel ontving, blijkt daarbij genoegzaam wat [E] in dit kader met ‘zwart geld’ bedoelt, namelijk geld dat niet aan de belasting hoeft te worden opgegeven.(16)

Ook verklaart [E] dat hij geïnteresseerde tuinders benaderde met de vraag of ze aan hem wilden leveren en dat hij hen daarbij kon overhalen door te zeggen dat hij contant kon betalen, dat de tuinder dan 85% van de veilingprijs netto contant in handen kon krijgen en dat dat geld dus buiten de boeken kon blijven.(17) Hij verklaart voorts dat hij eigenlijk nauwelijks actief hoefde te werven aangezien veel tuinders hem uit zichzelf benaderden omdat zij kennelijk wisten dat zij op deze manier zwart geld konden krijgen.(18)

Dit laatste komt ook naar voren uit de verklaringen van de in deze strafzaak gehoorde tuinders. Uit die verklaringen leidt de rechtbank af dat zij allen goed begrepen dat de contante betaling de mogelijkheid schiep de desbetreffende verkopen buiten de boeken te houden en de opbrengst daarvan voor onder andere de belastingdienst te verzwijgen.

Zo verklaart tuinder [T1](19) dat verdachte [E] hem heeft benaderd met de vraag of hij [E] tomaten wilde leveren. [E] vertelde daarbij dat [T1] tegen contante betaling kon leveren en dat hij dan ook iets voor zichzelf had. [T1] begreep dit aldus dat hij dan zwarte omzet creëren. Hierin was hij geïnteresseerd omdat hij een spaarpotje voor zijn oude dag wilde. [T1] heeft de opbrengsten van de contante verkopen, die betaald werden door [D] of [E], niet doorgegeven aan zijn boekhouder en deze zijn dan ook niet opgegeven aan de belasting.(20)

Tuinder [T3](21) verklaart dat hij normaliter aan The Greenery levert, maar dat [E] hem heeft aangeboden tomaten zwart van hem af te nemen voor [X B.V.]. Volgens [T3] is hij op dit aanbod ingegaan, omdat hij wat geld buiten de boeken in zijn zak wilde hebben. Hij wilde wat geld achter de hand hebben om voort te kunnen en daarom is er via [E] geleverd. [D] betaalde hem contant uit. De zwarte omzet is niet in de administratie opgenomen en niet opgegeven doorgegeven aan de boekhouder.(22)

Tuinder [O](23) heeft desgevraagd verklaard dat het op zich niet logisch was dat hij genoegen nam met een prijs van (volgens hem) 20% onder de dagprijs, maar dat hij toch met [E] in zee is gegaan omdat hij gewoon wat geld in zijn zak wilde hebben. Hij kreeg uitbetaald van een man die [D] heet.(24) Ook deze tuinder verklaart dat hij de contante verkopen aan [E] niet heeft opgegeven aan de belasting.(25)

Een vergelijkbare verklaring is afgelegd door tuinder [T8].(26) Ook [T8] verklaart dat hij genoegen nam met contante betaling van 85% van de dagprijs. [E] rekende direct contant af. Hij heeft deze ontvangsten dan ook niet aan zijn boekhouder gemeld, zodat deze ook niet in zijn belastingaangiften zijn vermeld.(27)

Tuinder [T5](28) levert normaliter aan The Greenery, maar werd door [E] benaderd om producten tegen contante betaling te leveren. [E] haalde deze op en deze werden contant uitbetaald door [D] ([D]) en dit werd aangeleverd in enveloppen. De leveringen en betalingen staan niet in de administratie en bijgevolg zijn deze ook niet aan de belasting doorgegeven.(29)

Tuinder [T2](30) verklaart sinds 2005 aan [Y B.V.] te leveren en dat [E] voor [Y B.V.] bij hem de goederen kwam ophalen. Na verloop van tijd vroeg [E] of [T2] aan hem kon leveren, welke leveringen hij dan contant zou afrekenen. [T2] wist eigenlijk wel dat het niet helemaal goed was en maakte voor de levering aan [E] geen bon op. [E] zou [T2] ook hebben gezegd dat de opbrengst van de radijs niet geboekt hoefde te worden, omdat het zonder bon ging. [D] betaalde hem contant uit, welk geld hij gebruikte voor zijn gezin. De boekhouder wist hier niets van.(31)

Tuinder [T6](32) levert normaliter aan The Greenery. Hij verklaart dat als hij omzet buiten de boekhouding wil houden, een mannetje belt (ene [.....], waarmee [T6], zo blijkt later, [E] bedoelt), die dan kon regelen dat een partij zwart ging. Om te voorkomen dat hij alles naar de fiscus zou brengen, wilde hij wat geld bewaren voor slechtere jaren en zodoende wilde hij een deel buiten de boekhouding houden.(33) De prijs wordt met [E] afgesproken en deze betaalde uit in een envelop.(34)

Tuinder [T7](35) verklaart dat [E] spruiten afnam bij hem en deze contant betaalde.(36) De behaalde omzet via [E] is op het moment dat er geld werd ontvangen van [E] niet geboekt, omdat zij die omzet zwart wilden houden.(37)

Tuinder [T9](38) levert normaliter aan bij [X B.V.]. Toen hij op een gegeven moment een levering niet kwijt kon in het [systeem]-systeem vertelde [B] hem dat het ook anders, te weten buiten de administratie om, kon. [B] rekende zelf met hem af, contant. Dit bleef buiten de boekhouding en is niet in de aangifte omzetbelasting aan de belastingdienst verwerkt.(39)

[G] van [T10](40), die ook via [B] leverde, spreekt zelfs onomwonden over een mogelijkheid om te frauderen, die haar is aangeboden door [B]. Zij moest aangeven hoeveel zij zwart wilde doen aan [B]. Zij kreeg de zwarte opbrengsten in enveloppen betaald door [B]. De zwarte omzet werd gebruikt voor zwarte lonen en privé doeleinden.(41) Haar vennoot en zoon [H] heeft in dat verband nog verklaard dat hij denkt dat binnen de branche bekend is geworden dat je op deze manier zwart geld kunt verkrijgen. Omtrent de prijs (85% van de dagprijs) heeft hij verklaard dat dit alleen lonend is als er geen belasting wordt betaald.(42)

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat leveren tegen contante betaling van 85% van de dagprijs voor de tuinders vooral interessant was omdat deze wijze van leveren hen een bron van contante inkomsten verschafte, inkomsten die zij volledig buiten het zicht van met name de fiscus konden houden.

(2) Codenamen/fakenamen

Voorts springt bij de leveringen door tuinders uit de groep [D]/[E] aan zowel [X B.V.] als [Y B.V.] – zoals hierboven beschreven – het gebruik van codenamen in het oog. Verdachte [E] heeft hieromtrent verklaard dat als hij een nieuwe tuinder had binnengehaald, hij deze tuinder een zelf verzonnen naam gaf. Deze naam gaf hij door aan verdachte [verdachte]. Wie achter die naam schuil ging, was alleen hemzelf bekend: volgens [E] was [verdachte] daarin niet geïnteresseerd en vroeg hij daar ook niet naar. [Verdachte] was blij dat er geleverd werd, want hij pakte daarmee zijn 15%, aldus [E].(43)

Ook verdachte [D] heeft verklaard dat hij niet wist wat de werkelijke namen achter de codenamen waren. Hij verklaart dat hij dat voor het rondbrengen van de contante betalingen ook niet hoefde te weten.(44) Het enige wat hij nodig had, was een adres.

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat de verklaring van [E] op dit punt in zoverre onjuist is dat hij wel degelijk wist om welke tuinders het ging. Deze bewering heeft hij niet waar kunnen maken. [verdachte] werd gevraagd naar een groot aantal codenamen en bij die gelegenheid heeft hij bij geen enkele naam kunnen aangeven, welke tuinder daarachter schuilging.(45) [Verdachte] heeft hiervoor als verklaring gegeven dat hij dat door het tijdsverloop niet meer wist, maar dat er bij zijn accountant in Gibraltar een lijst lag met daarop alle gebruikte codenamen en de daarbij behorende werkelijke namen.(46) Volgens de verklaring van [J](47) in Gibraltar, beschikte zijn kantoor echter niet over een dergelijke lijst. Ook wist verdachte [verdachte] niet wie er leverden aan [B] of [F].(48) De rechtbank houdt het er dan ook voor dat [verdachte] (en daarmee [V Ltd]/[W S.L.]), zoals door [E] wordt verklaard, simpelweg niet hoefde te weten met wie er zaken werden gedaan.

Dit beeld rijst overigens ook op in de hiervoor beschreven variant waarin reguliere tuinders van [X B.V.] tevens via verdachte [B] leveren. Hier werd weliswaar niet gewerkt met codenamen, maar de administratieve verwerking van deze leveranties was zodanig dat aan [V Ltd]/[W S.L.] niet de namen van de betrokken tuinders werden doorgegeven.(49) In aansluiting op deze leveranties kreeg verdachte [D] ook alleen maar doorgegeven dat hij ten behoeve van [B] een bedrag aan contant geld moest opnemen en dit bedrag aan [B] moest overhandigen.(50) [B] zorgde vervolgens zelf voor de betaling aan de tuinders die via hem hadden geleverd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de eerdergenoemde verklaringen van de tuinders [G] ([T10]) en [P] (fa. [T9] VOF), die beiden verklaren dat [B] zelf kwam afrekenen. Ook hier concludeert de rechtbank dat [verdachte] niet hoefde te weten met wie er zaken werden gedaan.

Een en ander leidt tot de slotsom dat deze werkwijze met codenamen een vermoeden van geheimhouding oplevert en in ieder geval het door de belastingdienst controleren van de boeken van de leverende tuinders in ernstige mate heeft bemoeilijkt.

(3) verklaringen administratieve medewerkers [X B.V.]

Omtrent de administratieve verwerking bij [X B.V.] van leveringen door [V Ltd]/[W S.L.] is een aantal administratieve medewerkers als getuige gehoord. De administratief medewerkster [K] heeft in dit verband met zoveel woorden verklaard dat zij [V Ltd]/[W S.L.] niet als bedrijf ziet, maar als faxen van tuinders. Als er op deze faxen al namen staan, zo verklaart zij verder, zijn dit steeds de namen van tuinders die een contract met [X B.V.] hebben en normaal gesproken hun levering via het systeem [systeem] aankondigen. In opdracht van verdachte [B] moeten deze leveringen in de administratie worden ingeboekt op naam van [V Ltd]/[W S.L.], dus niet onder de eigen naam van de betrokken tuinder, aldus [K].(51) Deze verklaring wordt onderschreven door haar collega’s [L](52) en [M](53).

De rechtbank leidt hieruit als conclusie af dat binnen [X B.V.] de medewerkers aan [V Ltd]/[W S.L.] een uitzonderlijke positie toedichtten, die niet vergelijkbaar was met de reguliere leveranciers.

(4) onbekendheid [V Ltd]/[W S.L.] bij tuinders

De rechtbank acht in dit verband ook van belang dat de in deze zaak verhoorde tuinders allen verklaren dat zij nog nooit hebben gehoord van [verdachte], [V Ltd], [W S.L.] of [W S.L. volledige naam]. Zij hadden contact met verdachte [E] of verdachte [B] en wat er verder met hun producten gebeurde, wisten zij niet, net zo min als zij wisten van wie zij nu betaald kregen.(54) Wat dit laatste betreft, valt op dat de tuinders klaarblijkelijk genoegen namen met een ‘afrekenstrookje’ waarop alleen een codenaam stond vermeld, zonder enige verdere verwijzing naar de identiteit van de betalende partij.(55) Dat dit alles vanuit civielrechtelijk oogpunt geen beletsel hoeft te zijn om een rechtsgeldige overeenkomst en levering te kunnen construeren, laat onverlet dat dit totale gebrek aan kennis van de identiteit van de wederpartij in dit kader vraagtekens oproept.

Dit klemt te meer nu [verdachte] (optredend namens [V Ltd]) zich erop beroept dat er reguliere contracten zijn met zijn leveranciers, die in zijn administratie in Gibraltar zijn opgenomen.(56)

In het licht van deze verklaringen is het opmerkelijk te noemen dat enerzijds [verdachte] kennelijk hecht aan de zakelijke relaties, die aan leveringen ten grondslag lagen, terwijl anderzijds de tuinders als zijn leveranciers van zijn bestaan en dat van [V Ltd] in het geheel niet op de hoogte waren.

(5) leveringen en betalingen niet te herleiden tot individuele tuinders

In dit kader springt voorts in het oog dat door de wijze van administreren van de leveranties, de inboekingen, de facturen en de uitbetalingen in de beschreven handelsstroom, de leveringen door en betalingen aan individuele tuinders geheel buiten beeld blijven. [E] vermeldt immers op de bonnen die hij bij het afhalen van de producten uitschrijft, niet de naam van de betrokken tuinder en bij [X B.V.] en [Y B.V.] worden de producten dan ook niet op naam van een tuinder maar op naam van [V Ltd]/[W S.L.] ingeboekt. De contante uitbetaling door [D] geschiedt vervolgens aan de hand van betaalstroken/afrekeningen waarop alleen codenamen staan vermeld; voorzover aangetroffen zijn deze voor een derde niet te begrijpen. Aan [B], [E] en [F] worden alleen totaalbedragen overhandigd, zonder enige nadere – en dus herleidbare – specificatie.(57)

(6) vernietigen van stukken

In het verlengde hiervan beoordeelt de rechtbank als opmerkelijk dat met name door de verdachten [E] en [D] vrijwel niets op papier werd bewaard.

Verdachte [E] verklaart hierover dat hij, zodra iets was afgedaan, de daarop betrekking hebbende papieren, inclusief het origineel van de door hem uitgeschreven bonnen, weggooide.(58)

Verdachte [D] gebruikte een papiervernietiger om de door hem verzonden en ontvangen faxen te vernietigen.(59)

De verklaringen hiervoor (teveel papier in huis, versnipperen vanuit het oogpunt van veiligheid omdat men er anders achter zou kunnen komen dat er veel geld in huis zou zijn en, [V Ltd] had kopieën) zijn niet aannemelijk en kunnen de sfeer van opzettelijke geheimhouding –zoals hierboven al aangegeven – ook niet wegnemen.

De rechtbank acht daartoe tevens van belang dat de FIOD/ECD via de tap een fax(60) van verdachte [verdachte] aan verdachte [E] heeft onderschept, waarin stond dat een nieuw telefoonnummer niet telefonisch, maar slechts mondeling, aan anderen mocht worden doorgegeven. [E] heeft over deze fax verklaard dat [verdachte] bang was dat [E]s oude telefoon werd afgeluisterd. [Verdachte] zou volgens [E] bang zijn dat de zwarte handel bekend zou worden.(61)

Hieruit en uit hetgeen verder onder de punten 4, 5 en 6 is overwogen, leidt de rechtbank af dat er rondom de beschreven handelsstroom kennelijk een sluier van geheimzinnigheid werd gecreëerd, die afwijkt van wat in het normale handelsverkeer gebruikelijk is. Het gevolg daarvan was dat het aan controlerende instanties vrijwel onmogelijk werd gemaakt om op basis van schriftelijke bescheiden controles uit te voeren.

(7) e-mail [verdachte]

Tot slot acht de rechtbank de inhoud van een e-mail van verdachte [verdachte] aan zijn zoon, verdachte [C] van belang. In deze e-mail van 14 maart 2006(62), schrijft [verdachte] het volgende:

Hallo jongen,

Zeg tegen [Q] zijn vader dat jij ook bij je vader werkt in de groentehandel en dat onze leveranciers ook gedeeltelijk producten zonder rekening willen leveren, dat doet mijn vader al 20 jaar. Doordat wij veel met het buitenland doen kunnen wij dat intern regelen. Voor deze service rekenen wij 10% maar [Q] zijn vader kan er gemakkelijk bij zijn leveranciers 15% voor vragen.

Het werkt zo:

[Q] zijn vader geeft aan ons door wat zijn leveranciers zonder rekening wil(len) leveren. Daar geven wij een rekening van aan [Q] zijn vader . Zijn vader betaalt deze rekening normaal over de bank aan ons. Hij krijgt 90% van dat bedrag kontant van ons terug. Daarmee kan [Q] zijn vader zijn leverancier kontant betalen zonder rekening.

Ons systeem is waterdicht, dus er komen nooit problemen van.

Wij doen het al 20 jaar zonder problemen in de groentehandel.

Groetjes je vader.

De rechtbank concludeert uit deze email dat verdachte [verdachte] al jarenlang werkt met leveranciers die zonder rekening en tegen contante betaling producten willen leveren. Via een factuur van [V Ltd] kunnen deze leveringen worden afgedekt, voor welke ‘service’ verdachte [verdachte] een percentage van de verkopen als provisie rekent. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze e-mail daarmee expliciet een blauwdruk van de handel zoals door [V Ltd]/[W S.L.] gedreven.

Op grond van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [V Ltd]/[W S.L.] niet daadwerkelijk optrad als handelaar in groenten. Anders dan door de verdediging is betoogd, gaat het bij [V Ltd]/[W S.L.] niet om een reguliere marktpartij die zich van andere partijen onderscheidde doordat zij haar leveranciers contant uitbetaalde, maar om een bedrijf dat, in samenwerking met betrokkenen bij de groothandels, de tuinders de mogelijkheid bood om omzet buiten de boeken te houden. De omstandigheid dat [V Ltd] in Gibraltar is gevestigd, maakte dit mede mogelijk; het bedrijf is daardoor fiscaal gesproken voor de Nederlandse belastingdienst onbereikbaar. [V Ltd] heeft hiervan gebruik gemaakt door zich als tussenhandelaar tussen tuinders en groothandel te positioneren, waarbij de doelstelling – het bedienen van leveranciers zonder rekening en het hen uitbetalen in contanten – zonder overheidscontrole kon worden geëffectueerd. De volledige onzichtbaarheid van de tuinders, die door de papieren afdekking werd bewerkstelligd, was hierbij een voorwaarde voor succes.

Zo is enerzijds aan tuinders een afzetkanaal geboden en anderzijds een ongecontroleerde, zwarte geldstroom gegenereerd, waaruit contante betalingen zijn gedaan. Door de wijze waarop het een en ander werd geadministreerd, bleef verborgen wie als leveranciers waren aan te merken alsmede aan wie het zwarte geld werd uitbetaald.

Betrokkenheid van de verschillende verdachten

Omtrent de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten bij de hiervoor beschreven schijnconstructie stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte [verdachte]

Zoals al uit het voorgaande volgt, speelde verdachte [verdachte] binnen deze hele gang van zaken een centrale rol. Verdachte heeft [V Ltd], de rechtspersoon waarom het grotendeels draait, in 1995 opgericht. Hij had volledige zeggenschap over deze rechtspersoon. Hij was degene die de facturen opstelde of liet opstellen door zijn zoon, verdachte [C], in de laatste variant op naam van [W S.L.]. Verdachte [verdachte] was ook degene die vaststelde welke bedragen aan de tuinders moesten worden uitbetaald.(63) Hij gaf daartoe de bank, [D] en [E] de nodige instructies.(64) Gelet op zijn rol is er geen twijfel mogelijk dat verdachte [verdachte] de opzet had om met [V Ltd] de beschreven handelsroute op te zetten met het doel om geld te verdienen aan de behoefte van tuinders aan contant geld, dat buiten het zicht van de fiscus kon worden gehouden.

Verdachte [C]

Verdachte [C] is als gezegd de zoon van verdachte. Uit het door hemzelf opgestelde curriculum vitae(65) blijkt dat hij in 2003/2004 bij [X B.V.] stage heeft gelopen en in 2004/2005 bij [V Ltd] heeft gewerkt. Begin 2005 heeft hij op instigatie van verdachte vervolgens [W S.L.] opgericht, waarover hij als directeur en enig aandeelhouder de volledige zeggenschap had.(66) Verdachte [verdachte] en [C] zelf hebben hieromtrent verklaard dat het de bedoeling was dat laatstgenoemde zijn vader zou opvolgen en dat [W S.L.] met het oog hierop is opgericht. [W S.L.] is vervolgens op verzoek van verdachte begonnen met de facturering ten behoeve van [V Ltd].67 In dat kader had [C] contact met [B].(68) Ook is hij nog een aantal keren naar Nederland gekomen om geld op te nemen, en om verdachte [D] te helpen toen er problemen waren bij het opnemen van geld van de bank.(69)

Gelet hierop en op de inhoud van de hiervoor geciteerde email van 14 maart 2006 is de rechtbank van oordeel dat ook [C] volledig op de hoogte was van de werkelijke bedoelingen achter de handelsroute via [V Ltd]/[W S.L.].

Verdachte [B]

Verdachte [B] speelde binnen de hele gang van zaken eveneens een belangrijke rol, hetgeen mede blijkt uit de verklaringen van diverse getuigen(70). [B] wordt zowel door tuinders(71) als door personeel van [X B.V.] en door verdachte [verdachte] genoemd als de contactpersoon voor [V Ltd]/[W S.L.] bij [X B.V.]. Deze rol is hij gaan vervullen in 1996, toen hij deze positie overnam van verdachte [F].(72) Tuinders uit de ‘groep [verdachte B]’ konden bij hem leveringen buiten het [systeem]-systeem kwijt. Hij zorgde ervoor dat deze leveringen in de administratie van [X B.V.] als leveringen van [V Ltd]/[W S.L.] werden ingeboekt.(73) [B] was ook degene die verdachte de gegevens verschafte die nodig waren om deze leveringen te kunnen factureren.(74) Voorts was hij degene die de tuinders uit zijn groep contant uitbetaalde (nadat hem hiertoe geld was overhandigd door verdachte [D] op instructie van [verdachte]).(75) Gelet hierop en gelet op de verklaringen van tuinders [P](76) en [G](77) ([T10]) dat zij door [B] zijn gewezen op de mogelijkheid om op deze manier te frauderen, houdt de rechtbank het er ook ten aanzien van verdachte [B] voor dat hij volledig op de hoogte was van de werkelijke bedoelingen achter de handelsroute via [V Ltd]/[W S.L.].

Verdachte [E]

Verdachte [E], zoals hiervoor reeds aan de orde is geweest, is eveneens in 1996 betrokken geraakt bij de beschreven handelswijze.(78) Hij verzorgde de transporten van tuinders naar [X B.V.] of [Y B.V.]. Tevens nam hij nieuwe tuinders aan om via deze handelswijze te leveren. Hij was degene die fake- of codenamen verzon en als enige wist wie daarachter schuilgingen.(79) Daarnaast was hij degene die de spruitentelers uitbetaalde.(80) Omtrent zijn wetenschap acht de rechtbank van belang dat hij heeft verklaard dat verdachte [verdachte] hem in 1996 heeft uitgelegd hoe de constructie c.q. handelsroute werkte.(81) Uit zijn verklaring volgt dat hij zondermeer heeft begrepen dat de bedoeling achter de hele constructie was, dat tuinders buiten de boeken om konden verkopen en deze zij deze verkopen dus niet aan de belasting behoefden te verantwoorden, zoals hiervoor reeds werd overwogen.(82) Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat ook verdachte [E] volledig op de hoogte was van de werkelijke bedoelingen achter de handelsroute via [V Ltd]/[W S.L.].

Verdachte [D]

Verdachte [D] had sinds 2003 de rol van geldloper voor [V Ltd]/[W S.L.].83 Hij nam in opdracht van [verdachte] geld op bij de bank en bracht dit geld vervolgens op basis van een aan hem door verdachte [verdachte] gefaxte verdeling naar de tuinders, [E], [F] en [B]. Ten aanzien van de vraag in hoeverre [D] op de hoogte was van de gehele constructie en de bedoeling daarachter acht de rechtbank van belang dat hij, toen hem werd gevraagd vorenomschreven werkzaamheden over te nemen van zijn zwager, dit in eerste instantie heeft geweigerd omdat hij betwijfelde of het allemaal wel ‘wit’ was. Volgens [D] heeft hij zich uiteindelijk door verdachte laten overhalen, maar eigenlijk wist hij wel dat het allemaal niet goed zat.(84) Hij heeft in de hoedanigheid van geldloper zeer grote bedragen (alleen in 2006 al ongeveer EUR 5.000.000,-)(85) opgenomen en rondgebracht. Hij stelde de tuinders geen vragen over het geld of wat ze daarmee gingen doen. Hij was bovendien veelal slechts op de hoogte van de codenamen van de tuinders. Daarnaast vernietigde [D] alle schriftelijke stukken die hij met betrekking tot deze handelsroute in zijn bezit kreeg.(86) De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat ook verdachte [D] goed begreep dat de handelsroute via [V Ltd]/[W S.L.] geen reguliere handelsroute betrof.

Verdachte [F]

Verdachte [F], tot slot, was vanaf 1999 bij de beschreven handelswijze betrokken als contactpersoon voor [V Ltd]/[W S.L.] bij [Y B.V.]. Hij gaf aan [V Ltd]/[W S.L.] de informatie door die nodig was om de facturen op te stellen. Hij ontving facturen van medeverdachte [verdachte] op zijn privé emailadres. Daar werd ook uitdrukkelijk om verzocht.(87) Hij bracht deze facturen naar [Y B.V.] en boekte die daar in.(88) Getuige [N] heeft over de administratieve afhandeling het volgende verklaard: “Van [V Ltd] en [W S.L.] werd de ene week een fax ingeboekt om de betaling te kunnen doen en de volgende week werd de fax dan vervangen door de originele factuur. Zowel de fax als de originele factuur werden door [F] zelf meegebracht naar [Y B.V.] in [...].” Voor de gang van zaken verwijst de rechtbank verder naar de voorbeelden genoemd in ambtshandelingen 77, 77a en (81). Verdachte [F] ontving van verdachte [D] op ongebruikelijke plaatsen, zoals op parkeerplaatsen, grote bedragen (bijvoorbeeld in de tweede helft van 2006 en het eerste kwartaal van 2007 totaal EUR 803.000(89)) ten behoeve van contante betaling aan tuinders.(90) Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat verdachte [F] tot 1996 de contactpersoon voor hem (en [V Ltd]) was bij [X B.V.], welke rol in dat jaar door verdachte [B] werd overgenomen.(91)

Dit alles bij elkaar brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte [F] volledig op de hoogte was van de werkelijke bedoelingen achter de handelsroute via [V Ltd]/[W S.L.].

De rechtbank concludeert op grond van dit alles dat verdachte en al zijn medeverdachten binnen de hiervoor beschreven constructie ieder een eigen, niet te verwaarlozen rol vervulden en dat zij allen daarbij wetenschap droegen van de hiervoor beschreven bedoeling van deze constructie, te weten, kort gezegd, het faciliteren van belastingfraude door tuinders. Daarmee kan worden gezegd dat bij de uitvoering van deze constructie steeds sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen alle verdachten.

Voorts ten aanzien van feit 1:

Aan verdachte is onder 1 van de dagvaarding ten laste gelegd dat hij zich, kort gezegd, heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van het – door de in tenlastelegging genoemde tuinders – opzettelijk niet (doen) voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan door de Belastingwet gestelde eisen. De uitlokkingshandelingen zouden daarbij hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2007, terwijl de uitgelokte gronddelicten zouden zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2007. Cumulatief/alternatief wordt verdachte verweten zich gedurende laatstgenoemde periode tezamen en in vereniging met anderen schuldig te hebben gemaakt aan medeplichtigheid aan bedoelde gronddelicten.

Gronddelicten

Ter beoordeling staat allereerst of de in de tenlastelegging genoemde administratieplichtigen ([T1], V.O.F. [T2], V.O.F. Fa. [T3], [T4] B.V., V.O.F. [T5]., [T6] C.V., V.O.F. [T7], [T8], Fa. [T9] en [T10]) in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2007 opzettelijk niet aan de op hen rustende administratieplicht hebben voldaan.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De tuinders [T1](92), [T2](93), [T3](94), [O] ([T4])(95), [T5](96), [T6](97), [T7](98) en [T8](99) hebben allen verklaard dat zij in bedoelde periode tegen contante betaling producten aan [E] hebben geleverd en dat zij deze verkopen en de daarvoor ontvangen betalingen niet in hun administratie hebben verwerkt of hebben doen verwerken. Hetzelfde geldt voor de tuinders [T9](100) en [G] ([T10])(101) die spreken over leveringen aan [B] buiten de administratie om en het niet opnemen van de contante betaling voor deze leveringen in de administratie. Daarmee waren, zoals artikel 52 lid 1 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen vereist, uit de administratie van deze tuinders niet langer al hun rechten en verplichtingen en alle voor de heffing van belasting relevante gegevens duidelijk te kennen. Genoemde tuinders verklaren voorts allen dat de belastingaangiften die zij in die periode hebben gedaan, niet juist zijn omdat de buiten de boeken gehouden verkopen daarin niet zijn verwerkt.(102) Dit alles kan niet anders worden verstaan dan dat zij willens en wetens hun administratieverplichting hebben geschonden met het oogmerk de verkopen aan [E] en [B] aan het zicht van de belasting te onttrekken. Deze opzettelijke overtredingen strekten ertoe dat te weinig belasting werd geheven. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor in het algemene gedeelte is overwogen met betrekking tot de beweegredenen van iedere tuinder om tot de leveringen tegen contante betaling over te gaan.

Uitlokking

De volgende vraag is of bewezen kan worden, dat deze gronddelicten door verdachte al dan niet tezamen met anderen zijn uitgelokt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. De rechtbank motiveert dit als volgt.

De in de tenlastelegging genoemde tuinders hebben verklaard dat zij voorafgaand aan de eerste levering die door hen buiten de boeken is gehouden contact hebben gehad met hetzij [E] ([T1], [T2], [T3], [O] ([T4] BV), [T5], [T6], [T7] en [T8]) hetzij [B] ([T9] en [T10]).

Van de tuinders die contact hebben gehad met [E] verklaart [T6] met zoveel woorden dat hij [E] heeft benaderd en niet andersom.(103) De rechtbank leidt hieruit af dat het wilsbesluit om aan [E] te gaan leveren en de daarmee te realiseren opbrengst buiten de boeken te houden, niet door [E] is opgewekt. Hetzelfde geldt voor tuinder [T8], die heeft verklaard dat in het circuit van de spruitentelers al jaren bekend was dat [E] netto contant betaalde en dat die betalingen buiten de boeken konden blijven. [T8] heeft, toen het financieel slecht met hem ging, via een collega-spruitenboer zijn naam aan [E] doorgegeven, waarna deze bij hem is langs gegaan.(104) Gezien deze gang van zaken kan ook hier niet worden gesproken van een bewijsbare uitlokking door [E]. De omstandigheid dat de mogelijkheid om via [E] contant te verkopen binnen de branche bekend was, is voorts van belang bij de waardering van de verklaringen van de tuinders [T3], [O], [T5], [T7] en [T2]. Al deze tuinders zijn in hun verklaringen onduidelijk over wie nu wie heeft benaderd over de mogelijkheid van levering tegen contante betaling en hoe het besluit van deze tuinders om met [E] in zee te gaan, nu precies tot stand is gekomen.(105) Daarmee ontbreekt ook ten aanzien van deze tuinders het wettig en overtuigend bewijs dat zij zijn uitgelokt.

Anders ligt dit ten aanzien van tuinder [T1], die heeft verklaard dat [E] hem medio 2006 heeft benaderd met een niet mis te verstaan aanbod, waarop hij, na een korte bedenktijd is ingegaan.(106) [E] heeft echter verklaard dat [T1] al veel eerder, namelijk in 2004, aan hem is gaan leveren.(107) Hij wordt daarin gesteund door [D], die heeft verklaard dat hij in 2004 reeds geld aan [T1] heeft uitbetaald.(108) De rechtbank houdt het er dan ook voor dat het wilsbesluit van [T1] reeds in 2004 is opgewekt. Nu volgens [T1] geen verdere afspraken zijn gemaakt en (ook volgens [E]) het initiatief voor verdere leveringen bij [T1] lag,(109) is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de ten laste gelegde gronddelicten, die ruim twee jaar later zijn gepleegd, niet meer als uitgelokt kunnen worden beschouwd. Dit laatste heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens te gelden ten aanzien van de tot de groep [B] behorende tuinder [T10]. [G], van [T10], verklaart weliswaar dat de mogelijkheid om “buiten de administratie om” te leveren en “te frauderen” door [B] is aangeboden, maar dit aanbod en het daardoor tot stand gekomen wilsbesluit van die mogelijkheid gebruik te maken dateren volgens diezelfde verklaring reeds uit 2003.(110)

Ten aanzien van de aldus resterende tuinder [T9] stelt de rechtbank vast dat uit diens verklaring blijkt dat weliswaar [B] hem in het laatste kwartaal van 2006 heeft aangeboden “buiten de administratie om” te leveren, maar dat dit gebeurde op een moment dat hij door een samenloop van omstandigheden zelf al had besloten zwart geld te gaan verwerven, teneinde op zijn bedrijf een aantal illegale Polen te kunnen inzetten.(111) Daarmee kan ook in dit geval niet bewezen worden verklaard dat de pleger van het gronddelict door verdachte of een van zijn medeverdachten is uitgelokt.

Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van de tenlastegelegde uitlokking.

Medeplichtigheid

Aan de orde is dan de vraag of verdachte al dan niet tezamen met anderen medeplichtig is geweest aan de gepleegde fiscale delicten.

Dienaangaande stelt de rechtbank voorop dat uit hetgeen hiervoor is vastgesteld omtrent de aard en strekking van de (papieren) handelsroute via [V Ltd]/[W S.L.], aanstonds volgt dat verdachte en zijn medeverdachten de betrokken tuinders telkens de gelegenheid hebben geboden deze delicten te plegen. De handelsroute strekte er immers toe tuinders in staat te stellen zonder rekening te kunnen leveren, waardoor de zwarte inkomsten voor de belastingdienst konden worden verzwegen.

De eerste stap daartoe is het niet administreren van deze verkopen.

In het voorgaande ligt tevens besloten dat verdachte de voor medeplichtigheid vereiste dubbele opzet heeft gehad. Voor wat betreft de opzet op de eigen bijdrage volgt dit reeds uit de bedoeling van de hele constructie. Hetzelfde geldt voor de opzet op het hier aan de orde zijnde gronddelict, nu het voor verdachte en alle andere betrokkenen zonneklaar was dat de tuinders die van het geboden afzetkanaal gebruik maakten, deze leveringen niet zouden verantwoorden in hun administratie. De rechtbank verwerpt in dit verband de door verdachte betrokken stelling dat het opzettelijk niet administreren van omzet de eigen verantwoordelijkheid van de betreffende tuinders is, waarvoor hij niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Verdachte heeft welbewust ingespeeld op de behoefte van tuinders om omzet buiten de belastingheffing te houden en hij heeft daaraan, gelet op de omvang van de in het dossier gerelateerde geldstromen, veel geld verdiend. Naar het oordeel van de rechtbank kan de eigen verantwoordelijkheid van de betrokken tuinders onder die omstandigheden niet afdoen aan de strafbaarheid van het gedrag van verdachte.

Hiervoor werd reeds overwogen dat de rechtbank van oordeel is dat bij de uitvoering van de constructie door alle verdachten nauw en bewust is samengewerkt. Dit heeft daarmee ook te gelden voor het hier aan de orde zijnde delict. De rechtbank acht op grond van dit alles derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van medeplichtigheid aan de ten laste gelegde gronddelicten door daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen.

Verder ten aanzien van feit 2:

Onder 2 van de dagvaarding wordt verdachte [verdachte] primair verweten dat hij zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door het valselijk opmaken van elf facturen, te weten zeven facturen van [W S.L.] aan [X B.V.], twee facturen van [W S.L.] aan [Y B.V.] en twee facturen van [V Ltd] aan [Y B.V.]. Subsidiair wordt hem hetzelfde feit verweten maar dan in de hoedanigheid van opdrachtgever danwel feitelijk leidinggever namens [W S.L.] danwel [V Ltd]. De valsheid van al deze facturen zou daarbij volgens het Openbaar Ministerie hierin bestaan dat opzettelijk in strijd met de waarheid is vermeld dat de daarop vermelde producten door [W S.L.] dan wel [V Ltd] zijn geleverd.

De rechtbank stelt voorop dat op geen van de facturen met zoveel woorden staat vermeld dat de daarop genoemde producten door [V Ltd]/[W S.L.] aan [X B.V.] of [Y B.V.] zijn geleverd. Dit laat echter onverlet dat de facturen, gelet op de daarop vermelde gegevens, niet anders dan in deze zin kunnen worden verstaan.

Omtrent de vraag of deze ‘vermelding’ valsheid in geschrifte oplevert, overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

Zoals in het algemeen deel reeds werd aangestipt, heeft de FIOD/ECD het verloop (dat wil zeggen de feitelijke levering, administratieve verwerking en betaling) van een aantal leveranties vastgelegd en beschreven in een proces-verbaal.(112) Uit deze ambtshandelingen en de daarbij behorende bewijsmiddelen, die voor zover deze de feiten betreffen niet door de verdediging zijn bestreden, blijkt dat de ten laste gelegde facturen allemaal betrekking hebben op leveringen die volgens de hiervoor in het algemeen deel beschreven en als schijnconstructie beoordeelde route via [V Ltd]/[W S.L.] zijn geadministreerd en betaald. Daarmee moeten deze facturen, die naar hun aard geschriften met een bewijsbestemming zijn, zonder meer als valselijk opgemaakt worden aangemerkt. Gelet op de aard en strekking van meergenoemde constructie en de belangrijke functie die de facturen van [V Ltd]/[W S.L.] daarin speelden – met deze facturen werden de leveranties door de tuinders administratief afgedekt en [V Ltd]/[W S.L.] kregen op grond van deze facturen vervolgens de gelden betaald waarmee de betalingen aan de tuinders konden worden gedaan – is daarnaast ook het opzet op dit valselijk opmaken van de facturen zonder meer gegeven.

Verdachtes rol is in het algemeen deel aan de orde gesteld; volstaan wordt hier met de constatering dat de facturen van [V Ltd] door hem zijn opgesteld, na contact met de medeverdachten bij de groothandels. Daarnaast heeft verdachte [C] in nauw contact met verdachte [verdachte] de facturen van [W S.L.] opgesteld. Ook hier kan de conclusie geen andere zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt. De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrifte.

Voorts ten aanzien van feit 3:

Verdachte wordt onder feit 3 – zakelijk weergegeven – verweten dat hij al dan niet tesamen met anderen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 november 2006 zich heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte) witwassen. Subsidiair is de variant schuldwitwassen tenlastegelegd.

De rechtbank stelt voorop dat uit de meergenoemde ambtshandelingen 76 tot en met 85 en de daarbij behorende bewijsmiddelen blijkt dat alle in de tenlastelegging genoemde betalingen zijn gedaan naar aanleiding van leveringen door tuinders die volgens de hiervoor beschreven constructie zijn verwerkt.(113)

Aan de orde is dan allereerst de vraag of de gelden waarmee deze betalingen zijn gedaan, afkomstig zijn uit een voorafgaand misdrijf, zoals artikel 420bis vereist. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Uit het hiervoor opgenomen algemene deel, waarin de door de rechtbank aangenomen vaststaande feiten zijn beschreven, komt immers een constructie naar voren die ertoe strekte een deel van de producten van eerdergenoemde tuinders zwart te verkopen. Deze producten werden afgeleverd bij [X B.V.] en [Y B.V.] en deze leveringen werden vervolgens afgedekt met valselijk opgemaakte facturen van [V Ltd]/[W S.L.] aan [X B.V.] en [Y B.V.]. Met deze facturen begon vervolgens ook de geldstroom, die het mogelijk maakte de tuinders daadwerkelijk contant uit te betalen, op een wijze die voor de fiscus niet te achterhalen is. Het opmaken van die valse factuur is daarmee het misdrijf, bedoeld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

De daarna gevolgde handelingen, te weten de betaling van een dergelijke valse factuur door de groothandel op de rekening in Nederland van [V Ltd]/[W S.L.], en het van die rekening bij de bank in contanten opnemen van bedragen ter uitbetaling aan de oorspronkelijke leveranciers vormen de gedragingen die in de tenlastelegging worden aangeduid met het voorhanden hebben en overdragen en het omzetten van giraal geld naar chartaal geld van de daar vermelde bedragen. Nu uit het voorgaande volgt dat het geld ten aanzien waarvan deze handelingen werden verricht afkomstig was uit het voorafgaande misdrijf van valsheid in geschrifte, moeten deze handelingen worden gekwalificeerd als witwassen.

Dat de wetenschap bestond, dat deze geldbedragen afkomstig waren uit een misdrijf, staat vast, gelet op het feit dat de bovenbeschreven handelsstroom juist is opgezet –zoals gezegd- om te voldoen aan de wens leveranties zonder rekening mogelijk te maken. Gelet op de langere duur, waarin volgens dit vaste concept werd gewerkt, is er tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.

Uit hetgeen hiervoor werd overwogen met betrekking tot de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten bij de uitvoering van de hele constructie volgt naar het oordeel van de rechtbank tot slot, dat ook op dit punt sprake is van medeplegen. Op grond van dit alles acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoonte witwassen.

Ten slotte nader ten aanzien van feit 4:

Verdachte wordt onder feit 4 verweten – zakelijk weergegeven – dat hij met de in de tenlastelegging genoemde medeverdachten heeft deelgenomen aan een tweetal organisaties die telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: valsheid in geschrift, belastingdelicten, witwassen en uitlokking van en/of medeplichtigheid aan die misdrijven. In de visie van het Openbaar Ministerie werd een van de organisaties gevormd rondom transacties, waarbij de groothandel [X B.V.] was betrokken, en de andere organisatie maakte gebruik van de groothandel [Y B.V.].

Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder feit 1 tenlastegelegde uitlokking niet wettig en overtuigend bewezen. Datzelfde geldt derhalve voor het onderdeel ‘uitlokking’ als onder feit 4 voor ieder van de organisaties is tenlastegelegd. De rechtbank zal verdachte dan ook daarvan vrijspreken.

Hierboven reeds heeft de rechtbank met betrekking tot het tenlastegelegde misdrijf ‘heling’ tot nietigheid beslist, nu daaraan geen enkele concrete invulling is gegeven.

Voor het overige acht de rechtbank feit 4 in beide onderdelen wettig en overtuigend bewezen en verwijst daartoe naar de bewijsmiddelen in het algemeen deel ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3. Uit deze bewijsmiddelen, waaronder de rolverdeling tussen verdachte en zijn medeverdachten, blijkt van gestructureerde en jarenlang durende samenwerkingsverbanden, gericht op het plegen van misdrijven zoals onder de feiten 1 tot en met 3 tenlastegelegd. Verdachte heeft daarin een actief aandeel gehad zoals hiervoor bewezenverklaard.

4.4 De bewezenverklaring

1.

[T1] en V.O.F. [T2] en V.O.F. Fa. [T3] en [T4] B.V. en V.O.F. [T5]. en [T6] C.V. en V.O.F. [T7] en [T8] en Fa. [T9] VOF en [T10]

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2007 te 's-Gravenhage en/of Monster (gemeente Westland) en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Pijnacker (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of Ter Aar (gemeente Nieuwkoop) en/of Melissant (gemeente Dirksland) en/of Zevenhuizen en/of Nootdorp (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of elders in Nederland,

telkens als degenen die ingevolge de Belastingwet verplicht waren tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, telkens opzettelijk een zodanige administratie niet hebben gevoerd en/of doen voeren,

immers hebben die [T1] en V.O.F. [T2] en V.O.F. Fa. [T3] en [T4] B.V. en V.O.F. [T5]. en [T6] C.V. en V.O.F. [T7] en [T8] en Fa. [T9] VOF en [T10]

telkens opzettelijk niet in hun respectievelijke administraties alle verkopen/omzet vastgelegd en/of doen vastleggen, zodat niet te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken

terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

zijnde hij, verdachte, op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2007 te 's-Gravenhage en Monster (gemeente Westland) en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Pijnacker (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of Ter Aar (gemeente Nieuwkoop) en/of Melissant (gemeente Dirksland) en/of Zevenhuizen en/of Nootdorp (gemeente Pijnacker-Nootdorp) en/of Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en/of Breda en/of Reeuwijk en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of (elders) in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje en/of te Hoogstraten en/of (elders) in België, tezamen en in vereniging met anderen,

medeplichtig geweest aan voornoemde misdrijven door het opzettelijk gelegenheid en middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van die misdrijven,

immers hebben, verdachte, en zijn mededaders opzettelijk die [T1] en V.O.F. [T2] en V.O.F. Fa. [T3] en [T4] B.V. en V.O.F. [T5]. en [T6] C.V. en V.O.F. [T7] en [T8] en Fa. [T9] VOF en [T10] de gelegenheid geboden om tuinbouwproducten "zwart" aan hem, verdachte, en zijn mededaders te verkopen en die verkopen/leveringen contant betaald te krijgen;

art 68 lid 2 ahf/ond d Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij, op tijdstippen gelegen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 maart 2007 te Malaga en/of elders in Spanje meermalen, tezamen en in vereniging met anderen,

facturen van [W S.L.] en van [V Ltd], - zijnde die facturen elk een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - telkens valselijk heeft opgemaakt

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders telkens valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid op een na te noemen facturen (zakelijk weergegeven) vermeld:

- op Invoice 1161 gedateerd 17 oktober 2006, dat door [W S.L.] op 13 oktober 2006 300 dozen tomaten (TOMB1) tot een bedrag van 1.110,60 aan [X B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice 1170 gedateerd 6 november 2006, dat door [W S.L.] op 3 november 2006 152 dozen tomaten (TOMTR5) tot een bedrag van 1.786,00 aan [X B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice 1167 gedateerd 31 oktober 2006, dat door [W S.L.] op 26 oktober 2006 240 dozen paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 1.680,00 aan [X B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice 1162 gedateerd 18 oktober 2006, dat door [W S.L.] op 10 oktober 2006 200 dozen paprika's (PAPRD75) tot een bedrag van 1.812,00 en op 11 oktober 2006 100 dozen paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 804,50 en 100 dozen paprika's (PAPRD75) tot een bedrag van 768,00 en op 12 oktober 2006 100 dozen paprika's (PAPRD85) tot een bedrag van 741,50 aan [X B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice 1177 gedateerd 13 november 2006, dat door [W S.L.] op 6 november 2006 450 kisten spruiten (SPRB115MM) tot een bedrag van 3.577,50 aan [X B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice 1160 gedateerd 16 oktober 2006, dat door [W S.L.] op 10 oktober 2006 200 kisten spruiten (SPRA115MM) tot een bedrag van 1.230,00 en/of 200 kisten spruiten (SPRM15MM) tot een bedrag van 1.470,00 en/of 160 kisten spruiten (SPRB115MM) tot een bedrag van 1.488,00 aan [X B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice 1175 gedateerd 8 november 2006, dat door [W S.L.] op 7 november 2006 528 dozen paprika's (PAPOR85) tot een bedrag van 3.220,80 en 88 dozen paprika's (PAPOR75) tot een bedrag van 418,00 en 1320 dozen tomaten (TOMB1) tot een bedrag van 6.098,40 aan [X B.V.] geleverd zijn en/of

- op Invoice 1222 gedateerd 15 maart 2007, dat door [W S.L.] op 13 maart 2007 100 dozen radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 195,00 aan [Y B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice 1225 gedateerd 19 maart 2007, dat door [W S.L.] op 14 maart 2007 208 dozen radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 405,60 en op 15 maart 2007 200 dozen radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 360,00 en op 16 maart 2007 220 dozen radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 396,00 en op 19 maart 2007 200 dozen radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 360,00 en op 20 maart 2007 111 dozen radijs (RADG15DOOS) tot een bedrag van 216,45 aan [Y B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice VS13242 gedateerd 30 oktober 2006, dat door [V Ltd] op 25 oktober 2006 100 dozen radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 375,00 en op 26 oktober 2006 110 dozen radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 412,50 en op 27 oktober 2006 120 dozen radijs (RADMG10MM) tot een bedrag van 300,00 en 50 dozen radijs (RADMG15DOOS) tot een bedrag van 187,50 en/of aan [Y B.V.] geleverd zijn en

- op Invoice VS13202 gedateerd 12 oktober 2006, dat door [V Ltd] op 5 oktober 2006 120 dozen paprika's (PAPGR65) tot een bedrag van 314,40 en 240 dozen paprika's (PAPGR75) tot een bedrag van 928,80 en 480 dozen paprika's (PAPGR85) tot een bedrag van 2.577,60 aan [Y B.V.] geleverd zijn,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

3.

hij, op tijdstippen gelegen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 november 2006 te Den Haag en/of Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en/of Breda en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of Reeuwijk en/of Wateringen (gemeente

Westland) en/of elders in Nederland en/of te Malaga en/of (elders) in Spanje en/of te Hoogstraten en/of (elders) in België,

tezamen en in vereniging met anderen, telkens voorwerpen,

te weten de navolgende geldbedragen:

- 2.410 euro en

- 1.020 euro en

- 1.510 euro en

- 1.450 euro en

- 3.555 euro en

- 5.980 euro en

- 2.990 euro en

- 3.490 euro en

- 63.500 euro,

voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet (van giraal naar chartaal geld),

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen (geldbedragen) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijven,

hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van voormelde strafbare feiten, zijnde "witwassen", een gewoonte gemaakt;

4. ([X B.V.])

hij, op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 2007 te Den Haag en Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en Reeuwijk en Wateringen (gemeente Westland) en (elders) in Nederland en te Malaga en elders in Spanje,

telkens heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte B] en [medeverdachte C] en [medeverdachte D] en [medeverdachte E],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- valsheid in geschrift (in leveringsbescheiden van tuinbouwproducten aan [X B.V.] en facturen betreffende deze leveringen van [V Ltd] en [W S.L.] en het verwerken van die bescheiden in de bedrijfsadministratie van [X B.V.]) en

- witwassen (met ingang van 14 december 2001) (de geldstromen die hun oorsprong vinden in de valsheden en het niet registreren van de leveringen en de omzet/komsten van de tuinbouwproducten door de tuinders en

- opzettelijke medeplichtigheid aan dan wel bij:

- het opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften onjuist of onvolledig doen, terwijl die feiten ertoe strekten dat telkens te weinig belasting wordt geheven; (verzwijging van de omzet/inkomsten van "zwarte" leveringen door tuinders) en

- het opzettelijk in strijd met op grond van de belastingwet opgelegde verplichtingen, geen administraties voeren overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, terwijl die feiten ertoe strekten dat telkens te weinig belasting wordt geheven; (het opzettelijk niet registreren van de leveringen en de omzet/inkomsten van de tuinbouwproducten door de tuinders)

en

([Y B.V.])

hij, op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2007 te Den Haag en Wateringen (gemeente Westland) en Poeldijk (gemeente Westland) en Breda en elders in Nederland en te Malaga en elders in Spanje en te Hoogstraten en elders in België,

telkens heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte F] en [medeverdachte C] en [medeverdachte D] en [medeverdachte E]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- valsheid in geschrift (in leveringsbescheiden van tuinbouwproducten aan [Y B.V.] en/of facturen betreffende deze leveringen van [V Ltd] en/of [W S.L.] en/of het verwerken van die bescheiden in de bedrijfsadministratie van [Y B.V.]) en

- witwassen (met ingang van 14 december 2001) (de geldstromen die hun oorsprong vinden in de valsheden en het niet registreren van de leveringen en de omzet/komsten van de tuinbouwproducten door de tuinders) en

- opzettelijke medeplichtigheid aan dan wel bij:

- het opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften onjuist of onvolledig doen, terwijl die feiten ertoe strekten dat telkens te weinig belasting wordt geheven; (verzwijging van de omzet/inkomsten van "zwarte" leveringen door tuinders) en

- het opzettelijk in strijd met op grond van de belastingwet opgelegde verplichtingen, geen administraties voeren overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, terwijl die feiten ertoe strekten dat telkens te weinig belasting wordt geheven; (het opzettelijk niet registreren van de leveringen en de omzet/inkomsten van de tuinbouwproducten door de tuinders).

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7. De straf/maatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 1, 2 primair, 3. (ten aanzien van gewoontewitwassen) en 4. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4.5 (viereneenhalf) jaar met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht verdachte vrij te spreken van alle feiten en zich verder onthouden van enig standpunt met betrekking tot de op te leggen straf.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te bepalen strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister.

Daarnaast overweegt de rechtbank meer in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich, met anderen, schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan belastingfraude door een groep tuinders in het Westland en aan valsheid in geschrift en witwassen om deze fraude mogelijk te maken. Eveneens heeft de rechtbank deelname aan twee criminele organisaties met als oogmerk het plegen van genoemde misdrijven, bewezen verklaard.

Een schijnconstructie met in Spanje gevestigde rechtspersonen, die in de bewijsoverwegingen van dit vonnis is omschreven, stelde tuinders in staat leveranties niet te boeken en op die manier uit het zicht van de fiscus te houden. Daarmee is door veel tuinders gedurende vele jaren, zich ook uitstrekkende buiten de ten last gelegde periode, in totaal een groot bedrag aan zwart geld verkregen; voor de jaren 1999 tot en met 2006 alleen al wordt dit bedrag geschat op 62 miljoen euro.

De tuinders ontvingen over het algemeen 85% van de normale prijs zwart; het restant verdween, na aftrek van een gering bedrag aan kosten (zoals die voor vervoer van producten) in de zakken van de verdachten. Over de precieze verdeling daarvan hebben zij geen duidelijkheid verschaft.

Met deze onrechtmatige verrijking, waar een relatief geringe prestatie tegenover stond, hebben de verdachten bijgedragen aan het, via de fiscus, onthouden van grote geldbedragen aan de algemene middelen, die hard nodig zijn voor voorzieningen in de samenleving. Verder hebben zij aldus bijgedragen aan een ondermijning van de belastingmoraal. Een groot aantal tuinders was bij de malversaties betrokken. Door deze grootschalige belastingontduiking is bovendien oneerlijke concurrentie aangedaan aan de bonafide, niet frauderende, tuinders.

Eveneens ernstig verwijtbaar zijn de door de criminele organisaties van verdachten gehanteerde middelen van valsheid in geschrifte en witwassen, waardoor het vertrouwen in stukken die tot bewijs kunnen dienen en in het kunnen nagaan van de herkomst en bestemming van geldstromen, wordt ondermijnd.

Verdachte heeft de constructie die bij de belastingontduiking werd gehanteerd, al lang geleden bedacht en is voortdurend de spin in het web daarvan geweest. Hij heeft, ook ter terechtzitting, geen enkel inzicht getoond in het kwalijke daarvan en heeft vele anderen, onder wie zijn zoon, daarin meegesleept.

Vanuit deze houding van verdachte ziet de rechtbank geen omstandigheid die op zich tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist en door de ernst van de gepleegde feiten gerechtvaardigd, aanleiding zou kunnen geven.

Wel houdt de rechtbank er rekening mee dat een voor de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie komende omstandigheid (de kwestie van de zeven ordners die tijdens diverse terechtzittingen aan de orde is gekomen) ertoe heeft geleid dat de procedure met een jaar is vertraagd. Dat betekent in feite een aanzienlijke verzwaring van de straf, omdat verdachte na schorsing van de voorlopige hechtenis in verband met die vertraging, nu weer detentie in kader van de op te leggen gevangenisstraf zal moeten ondergaan. De rechtbank zal in verband daarmee een korting van de straf toepassen van 6 maanden.

Verdachte is niet eerder door de strafrechter veroordeeld. Dit brengt de rechtbank ertoe na te noemen deel van de straf voorwaardelijk op te leggen in de hoop dat verdachte daardoor weerhouden wordt van het opnieuw plegen van strafbare feiten in de toekomst.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 48, 57, 140, 225, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

- 68, 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

Verklaart nietig het onderdeel omschreven in feit 4, bij het vijfde gedachtestreepje “heling”;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1. eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1. tweede cumulatief/alternatief, 2. primair, 3. primair en 4. tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van medeplichtigheid aan het, als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, niet voeren van een zodanige administratie, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 primair:

een gewoonte maken van witwassen;

ten aanzien van feit 4:

deelnemen aan een criminele organisatie, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 2 augustus 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 6 augustus 2007,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 25 februari 2008, (207 dagen)

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 18 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. S.L. Donker, voorzitter,

J.A. van Dorp en K.Pabbruwe, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Janssens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2009.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). De pleitnota’s van confrères zijn, voorzover raadslieden bij elkaar zijn aangesloten, toegevoegd aan het dossier van verdachte. Daar waar wordt verwezen naar het standpunt van de verdediging wordt verwezen naar de pleitnota(’s) van de raadsman en het proces-verbaal ter terechtzitting. Daar waar verwezen wordt naar het standpunt van de officier van justitie wordt verwezen naar de requisitoirnota en de repliek nota van de officier van justitie alsmede het proces-verbaal ter terechtzitting.

2 OPV1, p.7 en AH 76 t/m 85

3 D-106.2 en D-106.7

4 G10-01, p. 2 en G13-01, p. 2

5 AH 76, 78, 79, 80, 82, 83

6 V10-05, p.2

7 V10-06, p.2

8 AH 77, 77A en 81

9 V10-08, p.4

10 V10-05, p.2

11 V08-01, p.2

12 V05-03, p.2 en 3; G06-01, p.2 en 3; G04-01, p.2; G25-01, p.2 en 3

13 V05-02, p.4

14 V05-02 p.3

15 V10-02, p.2

16 V10-08, p.2

17 V10-02, p.2

18 V10-08, p. 3.

19 De tuin van [T1] is gelegen in [...]; hij woont te [....], 102V01-01, p.1 en 2

20 102V01-02, p.2

21 V.O.F. Fa. [T3] is sinds 2005 gelegen in [P], 114V02-01, p.2

22 114V02-02, p.2 en 3

23 [T4] B.V. is gelegen in [...] en in [....], 120V01-01, p.2

24 120V01-02, p.3

25 120V01-03, p.2

26 Wonende in [....], 203V01-01, p.1

27 203V01-01, p.3

28 [T5]. is gevestigd in [...], 129V02-01, p.2

29 129V02-01, p.3 en 4

30 V.O.F. [T2] exploiteert twee tuinen, één gelegen in [...] en één gelegen in [....]; Vestigingsplaats (woonplaats [..] [T2]) is echter [...], 106V02-01,p.1 en 2

31 106V02-01, p.4

32 Diens tuin is gelegen in [...], waar hij ook woont 147V01-01, p.1

33 147V01-01, p.2

34 147V01-02, p.3

35 V.O.F. [T7] is gelegen in [...], waar verdachte ook woont, 201V02-01, p.1

36 201V02-01, p.3

37 201V02-03, p.2

38 Fa. [T9] VOF is gelegen in [...], waar [T9] ook woont, 311V01-01, p.1

39 311V01-04, p.2

40 Gelegen in [...], wat ook de woonplaats van [T10] is, 312V02-01, p.2

41 312V02-04, p.2

42 312V03-02, p.1en 2

43 V10-02, p.4 en V10-07, p.2

44 V09-11, p.2

45 V05-02, p.4 en 5

46 V05-02, p.4

47 Op 24 september 2008 afgenomen in Gibraltar naar aanleiding van het rechtshulpverzoek. [J] was werkzaam voor en contactpersoon bij het administratiekantoor waar [V Ltd] gebruik van maakte en dat diende als vestigingsplaats van [V Ltd].

48 V05-03, p.2 t/m 4

49 V05-03, p.2 t/m 4; zie ook AH 85

50 V09-03, p.2

51 G16-01, p. 3.

52 G07-02, p. 2.

53 G09-02, p. 2.

54 102V01-02, p.2 en 3; 106V02-01, p.6; 114V02-02, p.4; 120V01-01, p.3 en 4; 129V02-02, p.2; 147V01-03, p.2 en 3; 201V02-01, p.7; 203V01-01, p.2 en 3; 311V01-04, p.2; 312V02-04, p.2

55 V09-15, p.2

56 D-106.2 t/m D-106.4

57 V09-02, p.2; V09-03, p.2; V09-04, p.2

58 V10-02, p.3

59 V09-15, p.2 en 3

60 T09 PR261

61 V10-02, p.2 en 3; V10-03, p.2

62 D-175 en AH 91

63 D106.3

64 V09-01, p.3

65 D118.1-2

66 D-106.7

67 D-106.2 en D-106.7

69 bijvoorbeeld in de emails: D-144, D-147

69 D-106.7; V09-06, p.2; D-176; D-110.1-3

70 Zie hierboven onder 3. verklaringen administratieve medewerkers [X B.V.]

71 [T9]; [T10]

72 V05-02, p.2

73 G07-02, p.4; AH 75, 76, 78, 79, 80, 82, 83, 84 en 85

74 V05-03, p.3

75 V05-02, p.2

76 311V01-04, p.2

77 312V02-04, p.2

78 D-048; V10-04, 2

79 V10-02, p.4

80 V10-08, p.2 en 3

81 V10-08, p.1 tot en met 3

82 Zie hierboven onder 1. doel van contante betaling

83 V09-01, p.3

84 V09-02, p.2

85 V09-02, p.2

86 Zoals hierboven reeds beschreven

87 D-059; D063.1

88 G25-01, p.2 en 3

89 D-027.8

90 V05-02, p.2

91 V05-02, p.2

92 102V01-02, p.2

93 106V02-01, p.4

94 114V02-02, p.2 en 3

95 120V01-03, p.2

96 129V02-01, p.3 en 4; 129V02-02, p.2

97 147V01-01, p.2

98 201V02-03, p.2

99 203B01-01, p.3

100 311V01-04, p.2

101 312V02-04, p.2

102 Idem als voorgaande noten betreffende de 10 tuinders

103 147V01-03, p.2

104 203V01-01, p.3

105 114V02-02, p.3; 120V01-02, p.2; 129V02-01, p.3; 201V02-01, p.3; 106V02-01, p.4

106 102V01-02, p.2

107 V10-14, p.2

108 V09-17, p.2

109 102V01-02, p.2; V10-14, p.2

110 312V02-04, p.2

111 311V01-04, p.3

112 AH 76 t/m 85; AH 76 beschrijft een levering van [T1] (1161); AH 77 levering [T2] (VS13242); AH 77A leveringen [T2] (1222 en 1225); AH 78 levering [T3] (1170); AH 79 levering [T4] (1167); AH 80 levering [T5] (1162); AH 81 levering [T6] (VS 13202); AH 82 levering [T7] (1177); AH 83 levering [T8] (1160); AH 84 levering [T9] en AH 85 levering [T10] (1175)

113 Nu de feiten als dusdanig niet zijn betwist zal de rechtbank twee leveringen, te weten één aan [X B.V.] en één aan [Y B.V.] nader uitwerken met betrekking tot de bewijsmiddelen en deze als voorbeeld gebruiken voor de overige leveringen als in de genoemde ambtshandelingen beschreven is.

AH 76 beschrijft de levering aan [X B.V.] door [T1]. Hiertoe neemt [verdachte E] contact op met [T1] (T08 PR 77) om producten te leveren. [T1] bevestigt dit ook in zijn verklaring (102V01-02, p.2). Vervolgens stuurt [E] een fax aan [X B.V.] omtrent wat hij geleverd heeft (T09 PR 120). [W S.L.] faxt vervolgens een rekening naar [X B.V.] omtrent de leveringen en deze wordt door [X B.V.] uitbetaald (D-111.1 en D-111.3). [verdachte] faxt naar [verdachte D] omtrent uitbetaling van de tuinders (T02-PR198.4) en [D] betaalt contant uit (V09-15, p.2) en dit wordt ook door [T1] bevestigd (102V01-02, p.2). [D] faxt vervolgens [verdachte] over deze betaling (T02-PR213.1 en T02-PR213.3). Ditzelfde gaat ook op voor de in AH 77 beschreven levering door [T2] aan [Y B.V.]. Hiertoe heeft [verdachte E] contact met [T2] omtrent een levering (T08 PR382). Uit diverse emails blijkt dat [verdachte F] doorgeeft aan [verdachte] wat er gefactureerd moet worden door [V Ltd] (D59 en D63), wat ook door [verdachte] wordt onderschreven. In de administratie van [Y B.V.] blijkt de factuur te zijn verwerkt (D-119). Tevens blijkt dat deze is voldaan door [Y B.V.] met een betaling aan [V Ltd] (D121). [verdachte] faxt naar [verdachte D] omtrent uitbetaling van de tuinders (T02 PR 244.2) en [D] betaalt contant uit (V09-15, p.2) en dit wordt ook door [T2] bevestigd (102V01-02, p.2). [D] faxt vervolgens [verdachte] over deze betaling (T02-PR276.1 en T02-PR276.3). De overige leveringen worden hiermee geacht te zijn beschreven met de daarin vermelde bewijsmiddelen.